31 mei 2012

Roberta Invernizzi: geen muurbloempje

foto Bruno Ginammi
Hoe zing je aria's van Vivaldi? Sinds Cecilia Bartoli zich ermee bemoeit, lijkt er maar één manier de juiste: met alle passie die je in je lijf hebt. Bartoli's stem mag compact zijn en de trillers (volgens strenge critici) raken aan gemekker, met hartstocht en charme krijgt ze elke zaal plat.

Haar landgenote Roberta Invernizzi laat horen dat het in de barokzang ook subtieler kan. Naast Bartoli verbleekt ze aanvankelijk als muurbloempje, maar leer je de sopraan beter kennen dan blijkt ze te beschikken over allerlei aanlokkelijks.
 
Hoog of laag: Invernizzi's stem klinkt rondom gepolijst. Woorden kan ze per lettergreep van kleur laten verschieten. Afgeronde frases levert ze af met het gemak waarmee je een pluisje wegblaast. Nu nog wat nonchalance in het versierwerk, en de volmaakte Vivaldizangeres staat klaar. 

Vivaldi: opera-aria's. Roberta Invernizzi (sopraan), La Risonanza o.l.v. Fabio Bonizzoni. Glossa.

de Volkskrant, 30  mei 2012 

 

Meer dwingelandij voor Holland Baroque?

Op de markt van instrumentale Vivaldi's heerst een meedogenloze concurrentie. Die is mede te danken aan barokvioliste Rachel Podger, de rossige Britse die zich met verschillende ensembles aan Vivaldiaans vuurwerk heeft gewaagd.

Voor de twaalf Vioolconcerten opus 9, gebundeld onder de titel La cetra (de lier), slaat ze de handen ineen met de Holland Baroque Society. Sinds de oprichting in 2005 heeft die groep zich zonder vaste dirigent of artistiek leider naar de voorste linies gespeeld. Dat was avontuurlijk en dapper, maar inmiddels luidt de vraag of het geen tijd wordt voor een vleugje dwingelandij. 

Met de basisafspraken zit het in Vivaldi wel snor, tegelijkertijd mis je een bevlogen autocraat die roept: 'ho, wazig ritme!', of 'stop, monochrome klank!'. Op z'n fraaist legt Holland Baroque Society een nevelige ochtendschemer neer, waar Podgers viool als de eerste zonnestraal doorheen kiert. 

Vivaldi: vioolconcerten. Rachel Podger (viool), Holland Baroque Society. Channel Classics.

de Volkskrant, 30 mei 2012

29 mei 2012

Herreweghe keert de koortrend



Klein, kleiner, kleinst, zo luidt tegenwoordig in de oude muziek de mantra bij het formeren van een koor. Wie voor een cantate van Bach of een motet van Josquin aan komt zetten met een buslading zangers, plaatst zichzelf buiten de discussie over authenticiteit.

Sommige bezoekers van de ZaterdagMatinee zullen hun ogen hebben uitgewreven toen Collegium Vocale Gent het podium van het Amsterdamse Concertgebouw betrad. Ze bleven maar binnenstromen, de koorzangers van Philippe Herreweghe. Pas toen er voor Ein deutsches Requiem van Brahms 45 strotten in twee rijen stonden opgesteld, meldde zich hun Vlaamse baas.

Herreweghe, de oude-muziekpionier die net 65 is geworden, heeft zijn nieuwe project gevonden in wat hij omschrijft als het 'symfonisch koor'. Wil je 19de-eeuwse muziek doeltreffend uitvoeren, luidt zijn consequente stelling, dan moet je dat doen met 19de-eeuwse middelen. Zelfs als dat het failliet betekent van de intieme, fijn generfde kamerkoorklank waarmee Collegium Vocale de afgelopen decennia triomfen heeft gevierd.

Voor een proef in Herreweges romantische laboratorium lag Brahms' Requiem voor de hand. De verheven sfeer van het stuk past immers volmaakt bij de onthechte esthetiek die de dirigent pleegt mee te geven aan religieuze muziek. En door inspiratie te putten uit de sobere muziek van de 17de-eeuwer Schütz, legt Brahms de link met een universum waarin Herreweghe de weg blindelings kent.

Ook op volle symfonische sterkte blijft Collegium Vocale een kampioen van zachte retoriek. Als fluwelen linten golfden de koorlijnen door 'Wie lieblich sind deine Wohnungen'. Waar de Bijbeltekst sprak van 'zucht' of 'pijn', raakten de stemmen een delicate zenuw.

Maar wanneer Brahms zijn eigen tijd binnensmokkelde, de extraverte Romantiek, verloor Philippe Herreweghe de vaste greep. Zijn mengvermogen raakte in kooruitbarstingen ontregeld, met gruizige maten als gevolg. Onwennig in hun 19de-eeuwse expressie klonken ook de solo's van bariton Florian Boesch en sopraan Carolyn Sampson - waarbij de laatste nog het voordeel had dat haar klare stem het orkest eenvoudig oversteeg.

Intussen sloeg de Radio Kamer Filharmonie, het omroeporkest dat in z'n stervensfase verkeert, zich manhaftig door dit requiem heen. De troost die Brahms wilde bieden, zal voor deze musici niet toereikend zijn geweest. Niets duidt erop dat in de Kunduzcoalitie ook maar iemand wakker ligt van een ondoordachte bezuiniging uit de koker van een eerloos afgevoerd gedoogkabinet. 

Johannes Brahms: Ein deutsches Requiem. Radio Kamer Filharmonie, Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe. Amsterdam, Concertgebouw.

de Volkskrant, 29 mei 2012

25 mei 2012

Magdalena Kozená en de logistiek van het gezin

Kinderen en carrière: het is spitsuur in het leven van Magdalena Kozená. De mezzosopraan treedt als 'festivalster' op tijdens de Operadagen Rotterdam. 'Mijn vak gaat niet alleen over zingen, het lastigste is de psychologie eromheen.'
 
foto Esther Haase / DG
Agenda's trekken, de maand doornemen, wie zorgt wanneer voor de kinderen? Tot zover wijken de keukentafelsessies bij Magdalena Kozená thuis niet af van de onderhandelingen in menig spitsuurgezin.

Wat het al lastiger maakt, is dat haar carrière als mezzosopraan zich afspeelt in zalen en operahuizen wereldwijd. Als ze niet oppast duurt het weken voor ze Jonas (7) en Milos (4) in Berlijn weer kan knuffelen.

Maar pas echt gecompliceerd wordt het in combinatie met de baan van haar man. Die heet Simon Rattle en verdient zijn geld als chef-dirigent van de Berliner Philharmoniker. Een job met verplichtingen, nog afgezien van het feit dat zowat elk Europees, Amerikaans en Aziatisch orkest bedelt om gastoptredens van de populaire Sir Simon.

Doorgaans tevergeefs, weet Magdalena Kozená. 'We vinden een regulier gezinsleven namelijk allebei belangrijk. En ik moet zeggen dat Simon, voor een dirigent van zijn statuur, veel tijd investeert in zijn kinderen. Hij wordt er door sommige collega's zelfs mee gepest. Simon Rattle? Is dat niet die parttime dirigent?'

In 2003, allebei getrouwd, leerden ze elkaar kennen tijdens het werk aan Mozarts opera Idomeneo. Hun verhouding lekte uit en de Tsjechische Kozená maakte hardhandig kennis met de Britse schandaalpers. Die publiceerde smeuïge verhalen over een blue-eyed blonde bombshell op duizelingwekkend hoge hakken.

'Sindsdien weet ik hoe celebrity's zich moeten voelen', zegt Magdalena Kozená met nuchtere, lage spreekstem. In de lobby van haar Londense hotel meldt ze zich op lage hakken. En sinds haar recente titelroldebuut in Bizets opera Carmen is het helblonde er ook al af. 'Het bleef een gehannes met die operapruik. Toen heb ik mijn haar maar laten verven; die rossige tint bevalt me wel.'

Zaterdag viert ze haar 39ste verjaardag. Kort daarop zet ze koers naar Rotterdam, waar de Operadagen met twee optredens profiteren van Kozená's sterrendom.

In 1999, schuchter en wel, stapte ze met een zelfgemaakt barok-cd'tje naar Deutsche Grammophon. Het gerenommeerde label lijfde de mezzo uit Brno per direct in. Voor ravissante pr-foto's keek men niet op een stuiver.

Toch was het vooral Kozená's geluid dat de aandacht trok. Haar stem tart elke beschrijving, zei in 2003 Malcolm Martineau, de man die als pianist nog altijd fenomenale liedzangers in portefeuille heeft. 'De ene minuut sopraan, de andere alt, zoiets heb ik nog nooit gehoord'.

Gelauwerde barokdirigenten als John Eliot Gardiner en Marc Minkowski wisten het Tsjechische Vielseitigkeitswunder snel te vinden. Toen ook toonaangevende podia begonnen te bellen - van de Salzburger Festspiele tot de Metropolitan Opera in New York - kreeg de jonge zangeres een druk woonwerkverkeer.

Tegenwoordig is het enthousiasme niet meer onversneden. Ja, gaf het kennerstijdschrift Opernwelt toe na Kozená's Carmen, haar geluid is nog altijd 'subtiel gedifferentieerd' en 'fijn geciseleerd'. Maar wanneer de dramatiek opflakkert, lijden de hoge tonen.

foto Esther Haase / DG
Zelf vindt ze haar stem, na het hormonale oproer van twee zwangerschappen, vooral rijker geworden. 'De romantische lijnen van Brahms en Mahler liggen me nu beter, vooral in het middenregister. Met het circuswerk van coloraturen heb ik meer moeite. Vroeger stapte ik uit bed en kon ik meteen kwinkeleren, dat is er tegenwoordig niet meer bij.'

Misschien is het ook de prijs die ze betaalt voor de verbreding van haar repertoire. Kozená, begonnen met Bach en Händel, schoof door naar Mozart en bereikte via Tsjechen als Janácek en Martinu de 20ste eeuw.

Nu, in een uitverkochte Wigmore Hall, zingt ze zelfs Poèmes pour Mi van Olivier Messiaen, de militante katholiek die in 1992 overleed. 'Sla, klop, mep voor je God!' schalt Kozená tot slot door de Londense kamermuziektempel.

De zangeres lijkt verlegen met het gejuich dat losbarst. Als pianiste Mitsuko Uchida haar seint om componist en titel van de eerste toegift te noemen, maakt Kozená een verstolen wegwerpgebaar.

'Schuw, ik? Welnee', riposteert ze de volgende ochtend. 'Ik dacht: ik sta hier voor een kennerspubliek, dat ga ik toch niet beledigen door braaf Der Nussbaum van Schumann af te kondigen?'

Een deel van haar Londense programma herhaalt ze in Rotterdam, dan met Malcolm Martineau. Een paar dagen eerder trekt ze in Ravels eenakter L'enfant et les sortilèges  voor het eerst op met Yannick Nézet-Séguin, de wervelende chef van het Rotterdams Philharmonisch Orkest.

Haar uitstapje zal het gemonkel over Kozená en Rattle vermoedelijk niet doen verstommen. Wie de een vraagt, luidt soms de klacht, krijgt de ander erbij. Kozená die meezingt in Mahler, op Rattles platenlabel EMI. Rattle die voor Kozená's nieuwe cd met liederen van Dvorák, Mahler en Ravel even oversteekt naar Deutsche Grammophon.

'Het is waar, we treden vaker samen op dan we anders zouden doen. Maar dat vloeit nu eenmaal voort uit de logistiek van ons gezin. In artistieke zaken volg ik gelukkig nog altijd mijn eigen kompas. Mijn echtgenoot heeft mij niet ontdekt, laat staan beroemd gemaakt.'

En zo reizen ze deze zomer, voor de reprise van Carmen, opnieuw in familieverband naar Salzburg. Magdalena Kozená plaatst haar rolopvatting nadrukkelijk in historische context: de wereldpremière van Carmen vond in 1875 plaats in de intieme akoestiek van de Parijse Opéra-Comique. En de eerste titelvertolkster, Célestine Galli-Marié, had een licht geluid, 'niet de welhaast genetisch gemanipuleerde, krachtige borststem waarmee Carmen tegenwoordig wordt gezongen.'

Ooit heeft ze zichzelf bezworen geen recensies meer te lezen. Kritiek, akkoord, maar de taal waarin die wordt geformuleerd ervaart ze vaak als kwetsend. Trapte ze er laatst toch weer in. Weken na de Carmen-première ontving ze van de Salzburgse pr-mensen een vriendelijk mailtje. Dan zal in de bijlage wel die ene aardige recensie zitten, meende Kozená.

Las ze hoe The Telegraph haar Carmen beschreef als – ze haalt adem - 'een leuk meisje uit Brno, dat is verdwaald tijdens het uitstapje van de zondagschool naar Sevilla.'

Het duurde dagen voordat de stoom uit haar oren was ontsnapt. 'Mijn vak gaat niet alleen over zingen, het lastigste is de psychologie eromheen. En in tegenstelling tot wat ik vroeger altijd dacht, wordt dat met het klimmen der jaren niet makkelijker.'

de Volkskrant, 25 mei 2012

Magdalena Kozená vertelt over haar nieuwe cd:




21 mei 2012

Sweelinck, de postume pechvogel

Sweelinck op een gravure uit 1624

Zijn naam kennen we, zijn muziek heel wat minder. De kunst van Jan Pieterszoon Sweelinck wil maar niet doordringen tot het grote publiek. Waar schuurt het in de omgang met onze grootste componist?

Het is een trieste conclusie en we trekken hem in zijn jubeljaar. Nederland houdt niet van Jan Pieterszoon Sweelinck. Natuurlijk, uit de schoolbanken hebben we best onthouden dat we trots mogen zijn op de man die 450 jaar geleden werd geboren. Klinkende naam, internationale reputatie. Zijn invloed zou zich zelfs hebben uitgestrekt tot de geniale Bach.

Maar wie lepelt zo gauw de noten op? Welk Sweelinckmotief zit ons in het bloed, zoals de Brit het 'Hallelujah!' van Händel meezingt, de Italiaan z’n Verdi paraat heeft en de Oostenrijker kan putten uit een vloed van Mozart-, Schubert- en Mahlercitaten?

Laten we het onder ogen zien: we kennen Sweelinck (1562-1621) amper en zijn muziek beluisteren we zelden. Nieuw is die lauwheid niet. Begin 19de eeuw, toen het land smachtte culturele naar vaandeldragers uit het verleden, dook Sweelinck op, schouder aan schouder met helden als Rembrandt en Vondel. De schilder en de schrijver hadden op de componist echter één ding voor: hun werk viel te bekijken of uit te voeren. Sweelincks noten niet. Die lagen te zwijgen in een inmiddels antiek geworden notatie.

Vanaf 1894 verscheen zijn verzamelde werk eindelijk in eigentijds notenschrift. Toen die editie rond 1900 z'n voltooiing naderde, bleef een landelijke collecte om de meester en zijn oeuvre te eren met een standbeeld steken op de som van 663 gulden en 55 cent - een slordige twintig mille te weinig.

Destijds wilde Willem Mengelberg, de aanstormende dirigent, onder die actie z'n schouders nog wel zetten. Alphons Diepenbrock, de opkomende componist, deed de geldinzameling daarentegen af als 'een vrij oppervlakkige en noodelooze onderneming'.

Sindsdien is er aan de dynamiek van onze Sweelinckliefde weinig veranderd. Soms meldt zich een gegrepene, zoals de dirigent Jan Boeke, die zich vanaf de jaren zeventig met zijn kamerkoor Cappella Amsterdam over Sweelinck heeft ontfermd. Boeke gaf het vuur door aan de bas Harry van der Kamp. De zanger bokste het voor elkaar dat Sweelincks vocale muziek - 254 psalmen, chansons, madrigalen, canons en motetten - sinds 2010 in volle glorie beschikbaar is op cd. Doordat er al twee cycli rouleerden van de klaviermuziek - ruim zeventig toccata's, fantasia’s en variaties - kunnen we Sweelincks nalatenschap nu eindelijk van a tot z beluisteren.

Maar gaan we dat ook doen?

Vermoedelijk niet. Want de belangrijkste reden van onze stroeve omgang met Sweelinck ligt in zijn muziek. Door een geraffineerd samenspel van taal en techniek is die er een voor fijnproevers, zowel bij muzikanten als luisteraars. Gevoelens zal hij je nooit in het gezicht slingeren. Hartstocht wordt kunstzinnig gesublimeerd. Sweelinck is van het langzame, innige genieten, zijn noten willen worden gesavoureerd.

Toch was hij niet de schoolfrik zoals het briefje van 25 gulden hem ooit toonde. Integendeel, juist vanwege zijn flair zagen welgestelde Amsterdamse kringen de organist van de Oude Kerk graag komen. Bij de Calandrini's thuis, een uit Toscane gevluchte protestantse koopmansfamilie, zat Sweelinck soms tot na middernacht achter het klavecimbel, 'niet cunnende ophouden' met improviseren. Variaties op Den lustelicken Mey schudde de muzikant bij tientallen uit de mouw, 'dan sus, dan soo'.

Maar ja, het klavecimbel. Voor de kieteling van dat instrument valt vandaag de dag niet elke muziekliefhebber. Dat je Sweelincks klaviermuziek ook op kerkorgel kunt spelen, maakt de luisterschare er niet per se groter op. En schieten pianisten bij Bach en Händel graag te hulp, Sweelinck moet zijn Glenn Gould helaas nog altijd vinden.

*
Luistertip 1: Mein junges Leben hat ein End 
Volksliedje dat Sweelinck in zes variaties briljant uitpluist. Klavecinist Ton Koopman laveert in zijn versie tussen zwaarmoedig en lichtvoetig. Zoetvloeiender opereren de blokfluiten van het Amsterdam Loeki Stardust Quartet, dat het stuk in gearrangeerde vorm heeft geholpen aan een bescheiden populariteit. Via Ulysses van James Joyce haalde het werk overigens de wereldliteratuur

Sweelincks 19de-eeuwse herontdekkers keken beteuterd op hun neus. Hadden ze net een volbloed Nederlandse muziekicoon opgeduikeld, bleek die zijn vocale stukken vooral te hebben gecomponeerd op Franse en Italiaanse tekst. Met tongbrekers als Plus tu cognois que je bruisle pour toy maakte Sweelinck in elk geval weinig vrienden bij het opbloeiende amateurkoorwezen van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.

In zijn eigen tijd leverde de componist aan een curieus, achtkoppig herenclubje, dat bestond uit kooplieden met een voorliefde voor eersteklas polyfonie. Van bas tot mannenalt moet Sweelincks collegium musicum uitmuntend getraind zijn geweest. Na het zakendoen zongen de heren hun kelen mogelijk soepel met de Rimes Françoises et Italiennes (Franse en Italiaanse rijmen), twee- tot driestemmig contrapunt waarmee ook de beginnende Sweelinckluisteraar z'n voordeel kan doen.

*
Driestemmig madrigaal over de zachte ademtocht der liefde, gecomponeerd op een anonieme Italiaanse tekst. Slank en overzichtelijk geschreven, met motieven die zich gemakkelijk laten volgen. Merk hoe sleutelwoorden als 'amor' (liefde) en 'dolce' (zoet) worden uitgelicht.
*
Welbeschouwd heeft Sweelinck het voor zichzelf verbruid. Had hij maar meezingbare koorstukken moeten schrijven, in plaats van vocale ensemblemuziek die de hoogste eisen stelt. Zo moet de Sweelinckzanger zich loepzuiver kunnen voegen in een delicate samenklank. Gevoel voor de prosodie van 16de-eeuws Frans is vereist. En zonder kennis van oude kerktoonsoorten redt hij het niet.
De specialismen vloeien samen in Sweelincks magnum opus, de vier- tot achtstemmige zetting van alle 150 psalmen. Franse tekst en melodie van deze Psalmen Davids stammen uit het Geneefse Psalter, een door Calvijn geïnspireerde berijming uit 1562. Verder uit de buurt van muzak kun je niet komen.
*
Luistertip 3: Louez Dieu tout hautement
Vijfstemmige zetting van psalm 136, die de lof zingt van de Heer. Op YouTube zingt het Gesualdo Consort Amsterdam eerst het eenstemmige origineel, waarna je des te beter kunt horen hoe Sweelinck vanuit die eenvoudige melodie een vlechtwerk optrekt van imiterende stemmen.
*

Zelfs de historische uitvoeringspraktijk heeft Sweelinck niet kunnen koppelen aan het grote publiek. Componisten als Monteverdi, Purcell en Rameau kregen dankzij het authentieke musiceren een riant tweede leven. Paradoxaal genoeg neemt hun succes alleen maar het licht weg voor Sweelinck.

Anders dan hij konden ze volop profiteren van de warmbloedige barokstijl die vanaf 1600 de kop op stak in Italië. Die soepele kneding van gevoel, emotie en theater - ingrediënten van de vroege opera - ligt ons nog altijd beter in het gehoor dan Sweelincks voorname lijnenspel.
*
Luistertip 4 Chi vuol veder
Zesstemmig madrigaal op een sonnet van Petrarca.
Hoogtepunt in Sweelincks oeuvre. Woorden als 'hemel'
en 'zon' krijgen een stralende sprong omhoog. De dood
meldt zich met een buitenissig akkoord. Dat de 'blinde
wereld' staat opgetekend in zwarte noten, is een doortrapt staaltje symbolische muzieknotatie.
*

En zo valt het postume pechvogelschap van alle kanten toe aan Jan Pieterszoon Sweelinck. Zelfs met hernieuwde standbeeldplannen liep het faliekant mis. Rembrandt kijkt in Amsterdam uit over zijn plein, Vondel troont in het park, Sweelinck valt nergens te bekennen.

Ja, op 11 mei 1944, de vijftigste verjaardag van NSB-leider Mussert, verscheen zijn beeld op het Amsterdamse Valeriusplein. Dietse sentimenten gaven de doorslag: een fout stadsbestuur had de opdracht gegund aan een foute beeldhouwer, Frans Werner.
Na de bevrijding werd Sweelinck meteen van z’n sokkel getrokken en begraven op een gemeentewerf. Toen daar woningen moesten komen, gaf wethouder Han Lammers na een uitgebreide adviesronde toestemming om het verminkte componistenbeeld te vernietigen.
Waarna een plichtsgetrouwe ambtenaar op 29 mei 1972 de pijnlijkste woorden uit onze getroebleerde Sweelinckhistorie kon noteren. 'Het puin is afgevoerd.'

Sweelinck verdient natuurlijk beter. De componist die stoere variaties afleverde, die polyfone maten schreef om in te lijsten, die zijn noten subliem kon laten voortvloeien uit een tekst – laat hij standvastig blijven haken naar ons oor.

Over een standbeeld is het laatste woord trouwens nog niet gezegd. Eerstvolgende afspraak: 16 oktober 2021. Met het oog op Sweelincks 500ste sterfdag heeft de bas Harry van der Kamp alvast een 'Sweelinck Decennium' afgekondigd. Het moet uitmonden in een bronzen componist die vanaf het Amsterdamse Oudekerksplein trots uitkijkt op het gebouw waar hij als organist triomfen vierde.

de Volkskrant, 27 april 2012


17 mei 2012

Andreas Staiers Diabellivariaties: grandioos


Andreas Staier is niet de eerste die Beethovens Diabellivariaties doopt in de historische kleuren van de fortepiano. Maar met zijn opname zet hij wel meteen een standaard die reikt tot ver buiten het authentieke domein.

Staier, volgens sommigen de beste fortepianist op aarde, paart technisch meesterschap aan een grenzeloze verbeelding. Hij beziet Beethovens exercities in hun oorspronkelijke context: variaties over een lomp walsje van Anton Diabelli, waarover tientallen andere componisten rond 1820 hun licht hebben laten schijnen.
 
Staier neemt de piepjonge Liszt en de dromerige Schubert net zo serieus als de vervaarlijk grommende Beethoven. Die toont zich 33 variaties lang niet alleen vol luim en spotzucht, maar ook onverholen virtuoos. Niet schrikken bij variatie 22, die bij Staier losbrandt met de slagwerkherrie van het uitgestorven 'janitsarenpedaal'. 

Beethoven e.a.: Diabellivariaties. Andreas Staier (fortepiano). Harmonia Mundi.

de Volkskrant,  16 mei 2012