
Voor het eerst sinds hij vier jaar geleden vaarwel zei tegen het Concertgebouworkest, dirigeert Riccardo Chailly in Nederland. Hij komt met het Gewandhausorkest uit Leipzig, waar reuzen als Mendelssohn en Furtwängler hem voorgingen. ‘Ik heb bijgetekend tot 2015. Ik voel me erg gelukkig hier.’
Het is stil geworden rond Riccardo Chailly. Wie rondbelt ontwaart zelfs enige zorg. De Nederlandse vestiging van zijn platenmaatschappij geeft besmuikt toe dat de dirigent ‘een beetje van de radar’ is verdwenen. Bij het Concertgebouworkest hebben ze de indruk dat de voorganger van Mariss Jansons tegenwoordig ‘niet zoveel meer doet’. Tel er een bericht bij op uit januari (‘Chailly heeft hartproblemen’), vermenigvuldig dat met nieuws uit mei (‘Italiaan vertrekt bij opera Leipzig’), en je zou zomaar denken dat een glanscarrière in de versukkeling is geraakt.
In Leipzig grijnst Chailly’s kop je vanaf elke advertentiezuil tegemoet. Hij heeft dan wel z’n hielen gelicht bij de opera, aan de overkant van de weidse Augustusplatz is hij vorige week gewoon begonnen aan zijn vierde jaar als chef-dirigent van het Gewandhausorkest.
Donderdag heeft hij er het 228ste orkestseizoen geopend. En hoewel het openluchtconcert van zaterdag wegens slagregens naarbinnen moest worden verplaatst, opent Riccardo Chailly een middag later met een zonnige glimlach de deur van zijn werkkamer in het Gewandhaus.
Stomme verbazing. Maken zijn Nederlandse vrienden zich zorgen? ‘Vertel ze maar dat ik me prima vermaak. En dat ik ernaar uitzie om in Nederland op te treden.’
Dat wordt voor het eerst sinds Chailly vier jaar geleden het Concertgebouworkest verliet. Dinsdag voert hij zijn Gewandhausorkest naar de Rotterdamse Doelen, met Mendelssohn en Ravel. In februari spelen ze Beethoven en Bruckner in het Concertgebouw.
Zijn baard bevat meer grijstinten. Het Engels is doorspekt geraakt met Duits. ‘Vind je ook niet dat hij ein wenig böse kijkt’, vraagt Chailly (55), wijzend op een portret dat boven zijn bureau hangt. Het is Wilhelm Furtwängler, de elfde Gewandhauskapellmeister uit de historie. Hij wordt geflankeerd door de hoofden van nummers tien en twaalf: Arthur Nikisch en Bruno Walter.
Monter zegt collega nummer negentien: ‘Ik heb bijgetekend tot 2015. Ik voel me erg gelukkig hier.’
Het valt hem aan te zien. Ontspannen knijpt de dirigent een mootje citroen uit boven zijn thee. Jazeker, de hartritmestoornis van januari vormde een waarschuwing. ‘Ze hebben me binnenstebuiten gekeerd. Het zag ernaar uit dat ik op de operatietafel zou belanden. Maar met medicijnen is alles onder controle.’
Zijn Italiaanse artsen spraken van een concausa: verschillende oorzaken die het lichaam noopten tot een alarmsignaal. ‘Het had uit kunnen lopen op een infarct. Ik pas goed op tegenwoordig, het leven hangt aan een zijden draad.’
Wat niet wil zeggen dat de dirigent er in Leipzig als een geslagene bij loopt. Maandagochtendrepetitie in de Gewandhauszaal, een riante accommodatie met veel hout en jaren-zeventigbruin: veel tijd om de slaap uit hun ogen te wrijven krijgen de musici niet. Op hun lessenaar staat de Vijfde van Beethoven, met de beruchte opmaat en het nog beruchtere hamermotief aan het begin.
Chailly’s blik dwingt, de vuist trilt, de rechtervoet stampt op de dirigentenkruk. Hij werkt aan ritmische vitaliteit (‘niet taa-daa-daa-dam, maar tatatatám’). Even later verlangt hij de verrassing van een subito piano. ‘Maar hier bitte weer crescendo, zodat we bij deze maat glorioso uitkomen.’ De musici, meest dertigers en veertigers, zetten een potloodkrabbel in hun partij.
Verbazing alom in 2002, toen Riccardo Chailly zijn transfer naar Saksen bekendmaakte. Oké, dat hij zich geschoffeerd voelde toen het Concertgebouworkest zijn contract met slechts twee jaar wilde verlengen in plaats van de verwachte vier, daar kon men inkomen. Maar wat dreef de Italiaan naar de provincie, naar een door oorlogsbombardementen gehavende stad die door communisten tot aan de Wende in 1989 vreugdeloos was bestierd?
Het Gewandhausorchester bivakkeerde na degelijke kapelmeesters als Kurt Masur en Herbert Blomstedt hooguit in de subtop. Met 185 vaste posities kende Leipzig het royaalst bezette orkest ter wereld, dat wel.
Chailly: ‘Ik heb ze in 1986 leren kennen, Herbert von Karajan had ons gekoppeld. In een of andere Salzburgse operastudio repeteerden we Don Juan van Strauss. Ik zette in en er klonk meteen een orkaan. Ongelooflijk, een Duitse, donkerromantische klank die toch transparant blijft. Ik ben hem nooit vergeten.’
Toen ze elkaar in 2001 voor de tweede keer troffen, vonkte het opnieuw. De Leipzigers, hun bedaagde imago beu, lieten er geen gras over groeien. Chailly: ‘Zíj wilden graag de rekel die in Amsterdam had bewezen dat hij een orkest kon vernieuwen met respect voor de traditie. Progressivität ohne Provokation. En ik ben nu eenmaal verschrikkelijk nieuwsgierig naar de wortels van muziek.’
In muziekstad Leipzig kan hij erover struikelen. De verklaarde Bachbewonderaar Chailly mag graag aanschuiven in de Thomaskerk, waar Bach cantates en passies lanceerde. Hij snuffelt rond in het statige huis van Felix Mendelssohn, die niet alleen de Bachrevival in gang zette maar als vijfde Gewandhausdirigent tevens wereldpremières regelde met symfonieën van Schumann, Schubert en zichzelf. De wieg van Wagner stond in Leipzig. Schumann vond er de muziekessayistiek uit. Breitkopf & Härtel is een klinkende uitgeversnaam.
En dan is er de oogverblindende orkesthistorie. Toen het Gewandhausorchester in mei 1789 Mozart ontving, bestond het gezelschap net acht jaar. Een Leipzigse lakenhal verschafte de naam. Later kwam Hector Berlioz er zijn Symphonie fantastique dirigeren. Brahms en Bruckner waaiden langs. Mahler, een jonkie nog, diende tweeëneenhalf jaar als assistent bij de opera. Waar ook toen al het Gewandhausorkest in de bak zat.
Riccardo Chailly heft veelbetekenend zijn handen. Hij wil maar zeggen.
Voeg daarbij het feit dat de burgemeester hem de dubbelfunctie aanbood van Gewandhauskapellmeister én Generalmusikdirektor van de opera, en hij was verkocht.
De Duitse pers sprak van een dicker Fisch die men aan land had getrokken. De ‘kwaliteitsmagneet’ Chailly zou muzikanten van het hoogste kaliber naar Leipzig trekken. Zelf was hij benieuwd naar de confrontatie met het Duitse regietheater, waar hij als mediterrane operaman niet zo’n hoge pet van op had.
Eind mei liep het spaak. Er had al gemor geklonken: wat was dat voor een chef die maar twee nieuwe operaproducties in drie seizoenen kwam dirigeren? Er rezen competentiekwesties: zonder ruggespraak met Chailly werden een nieuwe intendant en een chef-regisseur aangesteld. De laatste heet Peter Konwitschny, vertegenwoordiger van de Duitse dramaturgische school bij uitstek. Saillant: zijn vader was na de oorlog de vijftiende Gewandhaus-chef, Franz Konwitschny.
In een analyse van de affaire kon de Leipziger Volkszeitung niet uitmaken of het van gemeentewege nu intrige was of geklungel. Wel opperde de krant dat het misschien maar beter was zo. De opera kon gaan concurreren met München en Berlijn. De sterdirigent had zijn handen vrij voor het Gewandhausorkest.
Chailly, welgemutst: ‘Vanaf het begin heb ik gezegd dat ik hooguit één nieuwe operaproductie per seizoen voor m’n rekening kon nemen. Mijn beslissing om te vertrekken had vooral te maken met tijdgebrek. Het personele gedoe was secundair.’
Trots schetst hij de projecten die hem tot 2015 aan het orkest binden. Buitenlandse tournees: er staan er al achttien gepland, van Europa en de Verenigde Staten tot China en Japan. Opnamen: bij Decca loopt een Mendelssohnproject, volgende week begint hij aan een Beethovencyclus, in januari verschijnt een Brahmsplaat.
En qua herdenkingen valt Riccardo Chailly met zijn neus in de boter. Leipzig gordt zich aan voor een fenomenale reeks tweehonderdste verjaardagen: die van Mendelssohn (2009), Schumann (2010) en Wagner (2013). Ook bij Mahlers honderdste sterfjaar (2011) wordt uitgebreid stilgestaan. Kwaliteitsmagneet Chailly heeft alvast de vrienden van de Berliner en Wiener Philharmoniker en de Staatskapelle Dresden uitgenodigd.
Plus die van het Concertgebouworkest, waarvan hij zich sinds zijn vertrek na zestien jaar trouwe dienst conductor emeritus mag noemen.
‘Ik heb ze daarna niet meer gehoord. Af en toe spreek ik Mariss Jansons en die vertelt me dat het voorspoedig gaat. Hij nodigt me geregeld ook uit om te komen dirigeren. Ik heb er niets op tegen, maar het moet wel in mijn agenda passen.’
En die bewaakt hij streng. Chailly is eigen baas, agenten of vertegenwoordigers kent hij niet. Zelfs in Leipzig moeten ze ernaar gissen hoe zijn seizoen er precies uitziet. ‘Soms kom ik erachter als ik een vlucht boek’, meldt zijn secretaresse. ‘Zo werkt nu eenmaal zijn systeem.’
Ja, geeft Chailly toe, als je het van internet moet hebben kom je hem maar moeilijk op het spoor. Toch: in oktober staat hij met de Tiende van Mahler voor het Chicago Symphony Orchestra. Een maand later dirigeert hij Bachs Weihnachts-Oratorium. ‘Mijn debuut. Het stuk is een obsessie, ik leef er al jaren naartoe.’
In Zürich, verrassend, pakt hij het kerstoratorium aan met een barokorkest. In Venetië staan het koor en het orkest van La Fenice tot zijn beschikking. ‘Bach, in deutscher Sprache, dat is voor een Italiaans operahuis ongekend.’
À propos, operahuis. Velen verwachten dat hij de chefsvacature bij de Scala in Milaan gaat vervullen.
‘Ik begrijp de associatie. Ik ben in de stad geboren, heb er vaak gedirigeerd en woon er nog altijd. Maar ik heb in mijn leven al zoveel opera gedaan, ik zit echt niet te wachten op een vaste verbintenis.’
Soms wordt hij overvallen door heimwee naar Amsterdam. Bijvoorbeeld als hij prenten ziet van het ‘tweede Gewandhaus’, zoals ze het hier noemen, de 19de-eeuwse zaal die de blauwdruk leverde voor het Concertgebouw. Na de oorlog lag het pand half in puin. Met springladingen maakten DDR-bestuurders er in 1968 definitief een eind aan. Van dat moment bestaat aan aangrijpende foto.
Eeuwig zonde, meent Chailly. ‘Het gebouw had gerestaureerd kunnen worden. De akoestiek van het oude Gewandhaus was een wonder. Ik las in de memoires van Bruno Walter dat hij nooit de kwaliteit van de stilte tijdens een opmaat is vergeten. De kwaliteit van de stilte! Er is in die zaal maar één geluidsopname gemaakt, een Matthäus Passion. Daar moet ik nog achteraan.’
Aan de rand van de Augustusplatz zwenken vier, vijf gele bouwkranen door de lucht. Waar tot 1968 de St. Paulikerk stond - ook opgeblazen - trekt de universiteit nu zijn hoofdgebouw op, compleet met aula, gehoorzaal en kerk.
Iets verderop reikt de slanke toren van de Mitteldeutsche Rundfunk naar de wolken. Daar resideert Leipzigs tweede symfonieorkest, plus het radiokoor dat Chailly begin oktober te hulp schiet bij een Uraufführung met werk van Hans Werner Henze. Maar deze week wacht eerst een andere première: het nieuwe vioolconcert van Wolfgang Rihm.
Chailly: ‘Onder het communistische regime was Leipzig een sombere, uitgemergelde stad. Nu wordt er elk kwartaal wel een nieuwe straathoek opgeleverd. De stad komt tot leven, het bruist, je voelt het overal.’
De Volkskrant, 11 september 2008
Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen