28 oktober 2008

Hiep hiep voor jarig Concertgebouworkest

Het Koninklijk Concertgebouworkest viert z’n 120ste verjaardag met een kwinkelerende mezzo en dollende fluiten.

AMSTERDAM Prinses Máxima, de beschermvrouwe, zit op het frontbalkon te stralen. Er lopen de nodige kopstukken rond, waaronder een oud-premier (Kok), een SER-voorzitter (Rinnooy Kan) en de vicepresident van de Raad van State (Tjeenk Willink). Ook zij zweten onder de tv-lampen bij het verjaarspartijtje van het Koninklijk Concertgebouworkest. Maar met de files rondom de Van Baerlestraat viel het gelukkig mee.
Geen verkeersinfarct, zoals 120 jaar geleden. Toen hees tout Amsterdam zich in het rijtuig voor een barre tocht naar drassig buitengebied. Gek genoeg kreeg de nieuwe concertzaal niet direct alle handen op elkaar. Frederik van Eeden, de schrijver-psychiater, sprak van een ‘stukadoorsparadijs in modder- en stopverftinten’. Desondanks veroverde het symfonieorkest dat er zijn intrek nam razendsnel de status die het nu nog altijd voert: die van Amsterdams kroonjuweel, Nederlands boegbeeld, club van wereldklasse.
Feest dus. Mitsuko Uchida kwam er vrijdag voor naar de Grote Zaal en schilderde in Beethovens Derde pianoconcert fleurige acquarellen. Tania Kross sloeg charmant aan het kwinkeleren in Rossini’s Barbier-aria Una voce poco fa.
Nog schalkser ging het eraan toe in Till Eulenspiegels lustige Streiche, dat overbloezende orkestgeval van Richard Strauss waarmee Willem Mengelberg in 1899 al wist te scoren. Hitsige hobo’s en dollende fluiten: sinds Mariss Jansons de dirigeerstok in 2004 overnam van Riccardo Chailly, opereert in Amsterdam de best denkbare combi voor dit soort orkestrale malligheid.
Wat de tv-kijkers wordt onthouden, is Beethovens Egmont-ouverture, huisrepertoire sinds december 1888. Evenmin zien ze het kekke hakje waarmee mezzosopraan Kross de punt van haar strapless strokenjurk in handen krijgt. Ook geschrapt zijn de Siete canciones van Manuel de Falla, een orkestpremière waarin Kross haar jurk uitvouwt tot een behaaglijke poncho.
Ronduit gezellig maakt de Curaçaose het vervolgens met haar toegift, een ratelende Azerbeidjaanse Folk Song van Luciano Berio. Sneu voor Jansons: de batterij perscamera’s die onder het slotapplaus naarbinnen wordt geloodst, richt zijn flitsers meteen op de kroonprinses.
Mocht Máxima nog eens bladeren in het jubileumboek dat ze meekrijgt, dan kan ze lezen over de heikele KCO-momenten van de afgelopen twintig jaar, zoals een ineenstortende cd-markt en perikelen in de leiding. Die zijn gepareerd. En sinds het alarm over de Amsterdamse orkestsalarissen door minister Plasterk wat gedempt lijkt te gaan worden met geld uit het potje ‘internationale excellentie’, hoeft de 120-jarige allerminst te strompelen op weg naar het volgende lustrum.

25 oktober 2008

De kubistische Brahms van Mariss Jansons


●●●●○
Het Koninklijk Concertgebouworkest is op een haar na 120, maar stram en stijf oogt het oudje allerminst. Mariss Jansons, sinds 2004 de zesde chef-dirigent, houdt het orkestlijf soepel en de reflexen gezond. Gebitten en steunkousen kunnen dus achterwege blijven, wanneer het KCO binnenkort de koffers pakt voor een tournee naar China en Japan.
Omdat de Amsterdammers op 3 november - de verjaardag - in Beijing zitten, is het feestgedruis naar voren gehaald En tussendoor moet er nog worden gepoetst aan het tourneerepertoire. Daarvan vormen Brahms en Dvorák het hart. Donderdag lieten de twee alvast horen hoe hun symfonische idealen omstreeks het oprichtingsjaar van het KCO uiteen begonnen te lopen.
De Derde van Brahms (1883) en de Achtste van Dvorák (1889): het is het verschil tussen geconcentreerde ernst en de reuring van het Boheemse platteland. Toch deelden de muziekvrienden één liefde: die voor de verzengende cellocantilene, waarmee Dvorák zijn symfonie opent als was het de denkbeeldige Vijfde van zijn mentor Brahms.
Die monkelde na het horen van Dvoráks Achtste echter dat het er nogal ‘fragmentarisch’ aan toeging. Inderdaad, enig holadiee is het stuk niet vreemd. Brahms kan zich hebben gestoord aan een hoempamoment tussen cello’s en blazers. In het slotdeel joelen de hoorns tamelijk ordinair. De vogeltjes kwinkeleren, er wordt op z’n boeren-Slavisch gedanst, maar ook het klatergoud van de slotmaten kan Brahms’ wrevel hebben gewekt.
Vorig jaar december heeft Mariss Jansons al getoond dat hij zulke potentiële glibberpartijen de baas is, gewoon door de noten nuchter tegen het licht te houden. Dvorák blijkt ervan op te knappen als hij op die manier serieus wordt genomen. Net als Brahms, maar dan moet een dirigent wel zo gis zijn om zijn eigen plan te trekken en het aangekoekte bruin van de traditie met een fris sopje te verwijderen.
Dat deed Jansons. En wel zo voortvarend dat hij er van het Concertgebouwpubliek een beduusd applaus voor terugkreeg. Misschien schrok men van de getrimde klank. Eerder dan een joyeus symfonieorkest zette Jansons allerlei kamermuzikale facties aan het werk. Hadden de klarinetten en fagotten net een heldere soundbite geleverd, kwamen de altviolen en cello’s de zaak fluwelig nuanceren. Knap ook hoe een beruchte risicofactor in Brahms – opdringerige violen – werd geneutraliseerd. Zo ontspon zich een spel van klankvlakken met kubistische trekjes: het was ontegenzeglijk Brahms, maar zijn neus zat niet helemaal op de vertrouwde plaats.
Jansons voerde de detaillering door tot in de derde macht. Een borrelend pizzicato net even opwrijven. Een paar fagotnootjes als een rookpluim op laten stijgen. Minutieus de frasering van een melodie kneden: harder, zachter, hier een komma plaatsen, daar even versnellen - en toch de indruk wekken dat het er allemaal heel spontaan uitkomt.
Met zo’n intieme, beheerste, kastanjebruin getinte en desondanks niet duffe Brahms moeten de fans in Beijing, Shanghai en Tokyo toch plat te krijgen zijn.
Brahms en Dvorák. Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Mariss Jansons. Amsterdam, Concertgebouw, 23 oktober 2008.

De emo-passie van Telemann


Rauwe lijfelijkheid kenmerkt de Brockes-Passion van Georg Philipp Telemann. De grote Bach pikte er nog een ideetje uit op.

Een gesjeesde rechtenstudent. De peetvader van Carl Philipp Emanuel Bach. Het prototype van de culturele ondernemer. Een van de vruchtbaarste toondichters ooit. Componist van verbijsterend fraaie aria’s. Hofleverancier van luchtige tralala. Slachtoffer van de Bachverering.
Georg Philipp Telemann, 1681-1767. Zijn ster daalde net zo snel als die van Johann Sebastian rees. Kort na het overlijden van de alte Noten-Held lag het oordeel al klaar: deze veelschrijver kwam aan een meesterwerk niet toe.
Veelschrijver? Op z’n twaalfde componeerde Telemann de eerste van meer dan dertig opera’s. Met minstens 1700 kerkcantates en 27 Passionen was hij ruwweg zeven keer productiever dan Bach. Het aantal suites, sonates, concerten, orkestmuzieken en oratoria loopt in de duizenden.
Toch heeft hij minstens één meesterwerk op z’n geweten: de meertalige, polystilistische opera Orpheus. René Jacobs viste het stuk een jaar of tien geleden uit de stapel. En wie weet rehabiliteert Telemann zich overmorgen verder in de ZaterdagMatinee, wanneer Jos van Veldhoven en de Nederlandse Bachvereniging zich wagen aan zijn Brockes-Passion.
Bach beroemder dan Telemann? Hun tijdgenoten zouden raar hebben opgekeken. Wanneer Leipzig in 1723 kandidaten werft voor de post van cantor aan de Thomaskerk, heet de derde keus Bach. Hij krijgt z’n kans nadat Christoph Graupner zich heeft teruggetrokken. En nadat Leipzigs droomkandidaat, Georg Philipp Telemann, heeft gemeld dat hij elders gebakken zit.
Als snotneus speelt hij elk instrument dat hem onder handen komt. Schrik in de Maagdenburgse familie: hoe moet dat straks met de rechtenstudie? Telemanns blokfluit, viool en citer worden afgepakt, maar ondergronds musiceert hij lustig voort. Op z’n twintigste schrijft hij zich in aan de Leipzigse rechtenfaculteit, pro forma, want binnen de kortste keren richt hij een studentenorkestje op, klimt hij achter het kerkorgel en wordt operadirecteur.
Via Polen (waar hij de ‘barbaarse schoonheid’ van volksmuziek leert kennen) en Eisenach arriveert Telemann in 1712 in Frankfurt. Hij trouwt er met een zestienjarige die hem niet alleen burgerrechten schenkt, maar ook een dochter en acht zonen.
In de paastijd van 1716 organiseert hij een concert in de Barfüsserkirche. Telemann heft toegang – tamelijk uniek - en sluist de winst door naar het armen- en wezenhuis. Op het programma staat zijn nieuwe Brockes-Passion. Ondertitel: ‘Der für die Sünden der Welt gemartete und sterbende Jesus’.
Het stuk krijgt grote bijval. Een jaar later staat de ‘gemartelde en stervende Jezus’ in Hamburg en Augsburg. Telemann dirigeert het stuk in Leipzig. Dat de stad zeven jaar later van Bach een Johannes Passion verwacht, mag rechtstreeks op dit gastoptreden worden teruggevoerd.
In het voorwoord van zijn Brockes-Passion waarschuwt de componist dat hij Jezus toont ‘vol striemen, bloed en builen’. Hij gebruikt een tekst van Barthold Heinrich Brockes, een rijke Hamburgse jurist en literator die aan de Leidse universiteit is gepromoveerd. Het libretto is trouwens ook door collega’s als Händel, Keiser, Mattheson en Fasch op muziek gezet.
Brockes pakt het lijdensverhaal op bij het Laatste Avondmaal. De gang naar Golgotha voorziet hij van allerhande smeuïge details. Christus’ bont gestriemde rug telt ‘regenbogen zonder tal’. Wanneer Hij de doornenkroon krijgt opgezet, zweet de Heiland ‘robijnen van bloed’. Van het mishandelde lijf druipen ook fluimen en slijm.
Aria: ‘Hoor Zijn jammerlijke kreunen, zie hoe Zijn tong en lippen smachten, hoor Zijn jammeren, kermen en zuchten, zie toch hoe angstig Hij is.’ Het is je reinste emo-poëzie, waarvan de rauwe lijfelijkheid doet denken aan The Passion of the Christ van filmregisseur Mel Gibson.
Telemann formuleert zijn eigen uitdaging. ‘Moge mijn pen zich bevochtigen met tranen, opdat hij zulk nat ook bij anderen uitlokt.’ Tweeëneenhalf uur lang geeft hij de Frankfurtse premièregangers van 1716 het gevoel dat ze er in Jeruzalem met hun neus bovenop staan.
Behalve een orkest recruteert Telemann negentien solozangers en achttien instrumentale solisten. Ook Maria pikt een aria mee (‘Ach God, ach God, mijn zoon wordt weggesleept’). Net als bij Bach treedt er een Evangelist op, maar met koren en koralen ( ‘O Haupt voll Blut und Wunden’) is Telemann minder scheutig.
Judas’ verradersrol schrijft hij op het lijf van een Italiaanse castraat. Wanneer de ellendeling smeekt om een straf ‘met vlammen, pek en zwavel’, pruttelen de hoorns infernaal. Dissonanten doorspekken een terzet van ‘Gelovige Zielen’, die net hebben gehoord hoe Christus er zijn laatste frase heeft uitgeperst (‘es ist vollbracht’). En laat ook de verklanking van twijfel, wroeging, spot en rouw maar over aan de verbeelding van een geroutineerde operaman.
Het genie Bach blijkt voor zijn Johannes Passion toch nog een ideetje bij Telemann te hebben gepikt. De aria ‘Eilt, ihr angefochtnen Seelen’: al in Frankfurt gloeit de stralenkrans van een koor dat zich ertussen wringt met een vragend ‘Wohin?’.

22 oktober 2008

Machaut in de Noord-Franse klei


●●●●○
Bij de mannenzang van Diabolus in Musica kun je de pijen bijna ruiken. Dat treft, want toen Guillaume de Machaut tegen 1365 zijn Messe de Nostre Dame schreef, was de hygiëne in en om de kathedraal van Reims vermoedelijk minder proper dan tegenwoordig.
Het is een gewaagde Maria-mis, vooral in z’n verkenning van ritmisch hik-effecten en harmonische schemergebieden. Veel ensembles hebben deze ‘avant-garde van de Middeleeuwen’ bekeken door een intellectuele bril – en leverden een navenante klank.
De kerels van dirigent Antoine Guerber staan tot aan hun enkels in de Noord-Franse klei: aards, robuust, en met de authenticiteit van 14de-eeuws eiken. Een minder goed idee waren een paar ingelaste motetten. Op wulpse noten blijken de kelen niet berekend.
Machaut: Messe de Nostre Dame. Diabolus in Musica o.l.v. Antoine Guerber. Alpha.

Nicolas Achten, houd hem in de gaten


●●●●○
Aan het ontstaan van de opera moet nog eens een operette worden gewijd. Plaats en tijd: Florence 1600. De protagonisten: Jacopo Peri en Giulio Caccini. Hun strijd: wie mag zich de vader noemen van de opera. Dartele zangeressen zetten nevenintriges in gang en de champagnearia is voor de man die met de eer gaat strijken: Claudio Monteverdi.
Peri en Caccini schreven allebei een opera Euridice. Die van Peri werd het eerst opgevoerd, maar Caccini lag eerder bij de drukker. Uitgevoerd worden de stukken zelden en alleen al daarom is het fijn dat het Belgische label Ricercar een cd besteedt aan Caccini’s versie.
‘World premiere recording’ staat op het doosje. Dat is naast de waarheid, want iedereen met internet kan een lp uit 1980 op de kop tikken waarvan de hoes ook al een ‘primera grabación mundial’ belooft. Maar niet gezeurd: ook een cd-première is een première. En als debuut van het piepkuiken Nicolas Achten (1985) is deze disc buitengewoon geslaagd.
Wat niet wil zeggen dat elke Händelfanaat en Mozartverslaafde via hartstochtelijke aria’s aan z’n trekken komt. Meer nog dan Monteverdi’s Orfeo (1607) wortelt Caccini’s in de Renaissance. De tragiek van de verscheurde mens is nog maar net ontdekt.
Voorbeeld: als Daphne komt melden dat Eurydice aan slangengif is bezweken, reageert de sterzanger Orpheus filosofisch. Even gelijkmoedig betreedt hij de onderwereld, niet vermoedend welke lefgozerige noten Monteverdi hem zeven jaar later in de mond zal leggen.
Nicolas Achten zingt de Orpheusrol, speelt de theorbe en hij dirigeert. Het Waalse multitalent studeerde in Den Haag en heeft jonge, soms nog niet helemaal uitgebotte stemmen om zich heen verzameld. Het maakt de idyllische herders- en (half)godenzang tamelijk geloofwaardig. Ook wanneer een strot achter virtuoze krullen aanhobbelt, blijft de belofte van het pastorale paradijs overeind. Mooi is ook het getokkel van harp, klavecimbel en luit, dat geregeld wordt verguld door het strijklicht van de lirone.
Caccini: L’Euridice. Scherzi Musicali o.l.v. Nicolas Achten. Ricercar.

17 oktober 2008

Hervé Niquet speelt 'vals' met zwier


●●●●○
Een serpent oftewel worstfagot. Negen bronstige natuurhoorns. Een regiment trompetters. Twee dozijn overjarige hobo’s. Contrafagotten als lantaarnpalen. Alt- en sopraanblokfluiten bij de vleet.
Nu dirigent Hervé Niquet met fuifmuziek van Händel door de wereld toert, zal het voor barokcollega’s nog lastig zijn om in Frankrijk een gespecialiseerde blazer te vinden. Tel er twee stel pauken en een stuk of dertig strijkers bij op, en je krijgt het oorlogsgedruis waarmee het Amsterdamse Concertgebouw zijn serie Wereldberoemde Barokorkesten op volle sterkte begon.
Water Music en Music for the Royal Fireworks: benieuwd of de Japanse fans straks ook door hun oogharen kunnen luisteren. Want die truc moet je beheersen bij Niquet en zijn groep, Le Concert Spirituel. Bij hen mogen de van nature onzuivere natuurhoorns en –trompetten lekker hun ouderwetse zelf zijn. Aan handstoptechnieken en andere middelen om de zaak zuiver te krijgen, wordt niet gedaan.
En het gekke is: het werkt fabuleus, zoals in 2004 ook de Edisonjury moest toegeven die Niquets water-en-vuurwerk-cd bekroonde. De Fransman had het goed begrepen: eerder dan om gepriegel smeekt deze openluchtmuziek om massa en effect. Een roedel hoorns hier, een kudde hobo’s daar, tussendoor een delicaat strijkje en dan, hup, schetteren met die trompetten.
Niquet nuanceert het begrip ‘vals’ tot een kleur die wordt aangebracht op momenten van bravoure en joechei. Verder jaagt hij graag wat adrenaline door de tempo’s, die soms het dubbele bedragen van wat een gemiddeld tv-vuurwerk met Nieuwjaar biedt.
Gekke vent trouwens, die Niquet: hij dirigeerde een rustend hoornpeloton links, terwijl de trompetten rechts stonden te toeteren – en andersom. Muzikantenhumor of black-out?
Händel. Le Concert Spirituel o.l.v. Hervé Niquet. Amsterdam, Concertgebouw, 14 oktober 2008

13 oktober 2008

Gergjev toont zijn nieuwe club

●●●○○
Zelfs de pauzegong van de Doelen kan het niet meer bijbenen. Vrijdagavond, kwart over acht: net wanneer Valeri Gergjev zijn armen heft voor de Eerste symfonie van Prokofjev, galmt tot zes keer toe een elektronisch doing. Huh, Gergjev? Die was van de zomer toch opgestapt als chef van het Rotterdams Philharmonisch?
Klopt. Maar in september was hij voor het Gergjev Festival alweer terug. Speciale gast was toen zijn opvolger, Yannick Nézet-Séguin. Maar voordat die half november eindelijk zijn eerste officiële concert als chef komt dirigeren, showt Gergjev met het London Symphony Orchestra (LSO) alvast zijn nieuwe club.
Rotterdam is etappeplaats in hun Prokofiev World Tour. Veertien landen, 41 concerten, zestien composities – ook in Londen maken ze kennis met Gergjevs manische kant. En hebben ze wellicht gemerkt dat de Rus een man is met twee gezichten: het ene slordig routineus, het andere razend gepassioneerd.
In de uitverkochte Doelen toonde hij ze allebei. Om gauw te vergeten: Prokofjevs Eerste symfonie, met rammelende violen en rommelende fluiten. Om toch te onthouden: het spel van Leonidas Kavakos in Prokofjevs Eerste vioolconcert. Tegen het onrustige LSO in hield de Griek stand met geïnspireerd krassen, zoemen, schrapen, trillen en kwinkeleren.
En om te koesteren was de Zesde symfonie. Zindering, vanaf de eerste maat. Aardlagen die werden omgeploegd. Trombones die als ijle windvlagen aan- en afwaaiden. Knap speelde Gergjev de naoorlogse Sovjetheroïek uit tegen Prokofjevs persoonlijke tragedie (ziek, uitgekotst door de staat). Met ‘De dood van Tybalt’ uit het ballet Romeo en Julia deed Gergjev zijn Rotterdamse vrienden bovendien een vlammende toegift cadeau.
Prokofjev. London Symphony Orchestra o.l.v. Valeri Gergjev. M.m.v. Leonidas Kavakos (viool). Rotterdam, de Doelen, 10 oktober 2008

Lang Lang: een Olympiër op het klavier


Nummer Een.
Nummer Een.
Nummer Een.
Met deze mantra kroop Lang Lang vanaf zijn peuterjaren achter de piano, elke dag en urenlang. De competitiedrang werd verder aangewakkerd door vader Guoren, wiens filosofie al even overzichtelijk was.
Winnen.
Winnen.
Winnen.
Het heeft iets weg van het olympische motto citius, altius, fortius - sneller, hoger, sterker. Waarmee Lang Lang, 26 jaar inmiddels en een pianist van wereldfaam, perfect past in de openingsceremonie van de Olympische Spelen.
De muziek die hij voor een miljardenpubliek heeft ingestudeerd, geldt als staatsgeheim. Uit het pianowereldje sijpelt door dat het zou gaan om nieuw werk van een Chinese componist. Ook valt te vernemen dat de Lang Lang apetrots is. Met dik acht minuten krijgt hij de langste speeltijd van het hele spektakel.
Is hij toch weer de winnaar. Toch weer Nummer Een.
Er zijn er meer die dat vinden. Daniel Barenboim bijvoorbeeld, de pianist-dirigent die Lang Lang heeft uitgeroepen tot het ‘talent van de eeuw’. Onder de verklaarde bewonderaars scharen zich verder de dirigent Valeri Gergjev, de pianiste Mitsuko Uchida en de Duitse maestro Christoph Eschenbach.
De oude klavierleeuw Earl Wild (92) was echter gauw klaar met de Chinees die de wereld bekijkt door sympathieke teddybeerogen. Wild serveerde Lang af als ‘de J-Lo van de piano’ – ervan uitgaande dat Jennifer Lopez een glanzende buitenkant paart aan een armoedige binnenkant.
Pratend over Lang Lang splijt de klassieke-muziekwereld. Zijn virtuositeit is onomstreden: keiharde, niets ontziende training heeft van Lang Lang een olympiër op het klavier gemaakt. En hij is niet alleen virtuoos in het snelle en daverende. Lang Lang blinkt ook uit in het mijmeren, trippelen, zweven en neuriën.
Tegelijk wordt hij weggezet als een door zijn eigen ego geobsedeerde vertolker. Alles wat hem onder handen komt zou hij ‘lang-langizeren’. Lees: overgieten met een romantische, Chinees-sentimentele, weinig stijlgetrouwe saus. Kritiek op Lang Lang is intussen uitgegroeid tot een eigen genre en heet bang bang.
Feit is dat miljoenen Chinese pianisten-in-de-dop hun kompas richten naar hem, en niet naar studieuze pianomannen als Alfred Brendel en Krystian Zimmerman. Lang Lang is in zijn vaderland een ster, met alles erop en eraan: strooien met handtekeningen, gillende menigten, dikke auto’s en rijk bemarmerde hotels.
In zijn tweede vaderland Amerika hebben marketeers zijn commerciële potentie ontdekt. Adidas heeft de Lang Lang-sneaker geïntroduceerd, voorzien van monogram en gestileerd klavierpedaal. De reclamemakers van Rolex en Audi betalen graag voor zijn facie. Unicef dropt hem als ambassadeur in Afrika en China zet zijn pr-kwaliteiten in voor het milieubeleid.
Lang Lang heeft ontegenzeggelijk charisma. Kijk op YouTube naar het filmpje Lang Lang Gone Mad. Daar zit geen nerd-achtig muziektiepje dat de kunst celebreert. Daar zit een speelse rakker die verbijsterend virtuoos de overeenkomsten demonstreert tussen Prokofjevs Derde pianoconcert en de vechtsport kung fu.
Toen eind jaren negentig op het label Telarc de eerste Lang Lang-cd’s binnendruppelden, werd er volop gegniffeld over de muzikale implicaties van die rare naam. In 2006, na het Prinsengrachtconcert, noteerde een olijke recensent nog dat Lang Lang het van de strakke tv-regie vooral kort-kort moest houden.
Inmiddels weet de halve wereld dat het eerste Lang staat voor ‘helderheid en zonneschijn’, en dat het tweede zoveel betekent als ‘ontwikkelde heer’. Hij wordt geboren in Shenyang, een miljoenenstad in Noord-Oost China. Gedrild door zijn vader, een legermuzikant en politieman. Op z’n tweede kruipt Lang Lang achter de piano en als hij vijf is wint hij zijn eerste concours. De laureaat mag een recital geven waarvoor hij sfeervol wordt opgemaakt in de stijl van de Peking Opera: rood gezicht en zwart omrande ogen.
Maar wil het écht wat worden, zo besluit Guoren Lang, dan moet zijn zoon naar het Centraal Conservatorium van Peking. Het enige obstakel: de tweeduizend andere pianistjes met belangstelling voor twaalf beschikbare plaatsen.
Anderhalf jaar voor het toelatingsexamen trekt de achtjarige jongen met zijn vader in een onverwarmd, gehorig flatje. In een Pekingse volkswijk delen ze met vijf andere families een badkamer. ’s Ochtends om vijf uur sluit senior zich op, zodat junior zich na het opstaan meteen kan wassen en fris is voor een paar voorschoolse uurtjes vingeroefening.
De conservatoriumdocente die het pad naar de toelating moet effenen, blijkt een ijskoude, wispelturige dame voor wie Lang Lang al snel de bijnaam ‘Professor Boos’ verzint. Nadat ze haar pupil op straat heeft geschopt - ‘Je speelt als een aardappelboer’ - slaan bij pa de stoppen door. Deze schande moet worden uitgewist! Zo kunnen ze niet terug naar Shenyang!
Lang Lang krijgt de keus: pillen slikken of van het balkon springen. De navrante scène staat in smeuïge dialogen opgetekend in Van Oost naar West, Lang Langs autobiografie die net is verschenen. Het joch trotseert zijn vader maar gaat wel, psychisch gekwetst, in een negenmaandse studiestaking. Uiteindelijk doet hij alsnog auditie - en wordt aangenomen als Nummer Een. Commentaar van commissielid Boos: ‘Ik kon zijn talent niet langer ontkennen.’
In 1997 wordt Lang Lang van het Pekingse conservatorium weggeplukt door Gary Graffman, de Amerikaanse pianist-directeur van het in hoogvliegers gespecialiseerde Curtis Institute in Philadelphia. Graffman is getipt door ene meneer Yeh, die een paar gefilmde optredens van Lang Lang heeft opgestuurd.
Eenmaal in Philadelphia blijkt de jonge protégé het Engels snel van straat te plukken. What’s up, dude, krijgt de verblufte Graffman te horen. Waarna Graffman op zijn beurt vader en zoon Lang verbluft. Hij deelt ze meteen maar mee dat men in Philadelphia onder muziekstudie iets anders verstaat dan die Chinese gekkigheid van eindeloos uren maken en concoursen winnen.
De Langs krijgen een appartement met vleugel tot hun beschikking. Graffman doet er een leraar Engels bij en een huisvriend vat de inburgering aan met Shakespeare, basketbal en The Lion King. Ook de rap van Puff Daddy en Notorious B.I.G. slaat aan en Lang Langs rolmodel wordt de golfspeler Tiger Woods. Via tv-series als Frasier en Sex and the City schaaft hij zijn kennis van de lokale zeden bij.
Guoren kan het niet bijbenen en verliest gaandeweg de invloed op zijn veramerikaniserende zoon. Na een knallende ruzie haalt Lang Lang hem terug van het vliegveld, waar pa net een enkeltje China heeft gekocht. Ze leggen het bij, maar de verhoudingen zijn voorgoed gewijzigd. Sindsdien strijkt Guoren na een Lang-recital op de tweesnarige erhu graag mee in een toegift.
Lang Lang is 17 als hij op een ochtend uit bed wordt gebeld. Of hij in kan vallen bij het Chicago Symphony Orchestra. Die avond explodeert in Ravinia, het buitenkwartier van het orkest, een dertigduizendkoppig publiek na Lang Langs openluchtoptreden in Tsjaikovski’s Eerste pianoconcert. Een ‘fenomenaal talent’, oordeelt de Chicago Tribune, een pianist met ‘abolute controle’ en tegelijk een risk-taking temperament.
In de daaropvolgende jaren laat Lang Lang zien hoe brisant de chemie uit kan pakken tussen Chinese vlijt en Amerikaans zakenlef. De voormalige armoedzaaier wordt een vermogend man die huizen bezit in Shenyang, Philadelphia en New York.
Zijn optrekje in Berlijn heeft hij intussen weer van de hand gedaan. Lang Lang vindt het gezelliger om bij Daniel Barenboim te logeren. Een paar keer per jaar staat de muziekchef van de Staatsoper paraat voor stilistisch advies. Terugkerend element: teveel emotie schaadt de muziek. Heb oog voor de structuur. En vraag je altijd af wat er schuilgaat achter de noten. Wat is hun bedoeling, hun betekenis?
Noem het de a-culturele naweeën van Mao’s Culturele Revolutie: door conservatoria te sluiten en artiesten naar het platteland te jagen, is het zicht op de westerse cultuur binnen één Chinese generatie verloren gegaan. De puber Lang Lang stond versteld toen hij ontdekte dat die gekke Mozart al eeuwen onder de zoden lagen.
Bij alle technische brille vormt dat nog het wonderlijkste aspect aan Lang Lang: per jaar hoor je zijn gevoel voor stijl en context groeien. In 2005, bij zijn debuut in de serie Meesterpianisten, ontregelde hij een Haydnsonate met Debussyaanse pasteltinten; in Schubert dreven taaie knoedels Rachmaninov. Een seizoen later klonk er in het Concertgebouw een Mozart van het zuiverste water en verscheen Liszt als jonge god.
Niettemin: toen vriend Plácido Domingo hem onlangs polste voor een cd met liederen van Ruggero Leoncavallo, riep Lang Lang: ’WIE???...’.
Frisse oren: wanneer hij in China optreedt, bestaat zijn publiek voor negentig procent uit tieners. Zijn masterclasses puilen uit. Raakt de klassieke muziek in het westen grijs en vermoeid, in het oosten gloeien de jonge oortjes met tientallen miljoenen tegelijk.
En Lang Lang is niet het enige megatalent dat zijn eigen, enthousiaste en door tradities onbelaste publiek met zich meebrengt. Neem Gustavo Dudamel, de dirigent uit Caracas, die kwam bovendrijven uit het fijnvertakte Venezolaanse systeem van muziekscholen en jeugdorkesten. Niet uit te sluiten valt dat Mahler over twintig jaar z’n voordeel doet met een vleugje salsa en dat een stijlvolle Chopin in de richting trekt van de Chinese ballade Maanlicht dat weerspiegelt in het meer.
Bang bang: de New York Times omschreef Lang Langs spel als zelfingenomen, vaak incoherent en onbehouwen. De Los Angeles Times erkende zijn killer technique, maar hekelde de onrijpe muzikaliteit.
De Edisonjury bekroonde dit voorjaar zijn Beethoven-cd juist onder verwijzing naar het ‘enorme inzicht’ in het wezen van de componist. Uit de loftekst: ‘Vergelijkingen met Horowitz zijn al gemaakt – en niet ten onrechte.’
Vader Guoren spoorde hem ooit aan om zich vooral de negatieve opmerkingen ter harte te nemen. Stelling: zelfs van een idioot kun je iets leren.
Nummer Een luisterde liever naar zijn mentor, Gary Graffman. ‘Lees niet de woorden, maar tel de regels. Hoe meer ze over je schrijven, hoe meer aandacht je krijgt.’
de Volkskrant, 7 augustus 2008

8 oktober 2008

Karneús' lichtvoetige Grieg


●●●●○
Sinds Anne Sofie von Otter begin jaren negentig een knock-out uitdeelde met haar Grieg-cd, haalt elke zangeres een paar keer diep adem voor ze ook maar één lied van de Noorse componist durft op te nemen. Helemaal moet dat gelden voor Katarina Karneús, net als Von Otter een Zweedse mezzo.
Toch heeft ze het aangedurfd. Van de weeromstuit zong Katarina Karneús een hele Griegplaat vol. En het moet gezegd: al is ze geen Von Otter – Karneús’ stem is lichter, het zweefvermogen beperkt - met de liederen van Grieg kan ze overweg.
Lichtvoetige vertelkunst gaat haar het best af, zoals in het Goethelied ‘Lauf der Welt’ en in ‘Blåbær-Li’, de grazige bosbessenheuvel uit de liederencyclus Haugtussa. Julius Drake laat zijn vleugel rustiek murmelen in ‘Ved Gjælte-Bekken’, het Gjælte-beekje. Onschuldig gekabbel mondt echter uit in een onversneden Romantische doodswens.
Grieg Songs. Katarina Karneús (mezzosopraan), Julius Drake (piano). Hyperion.

De galmgaten van meneer Netrebko


●●●○○
Op 5 september is hij geboren, Tiago Arua Schrott, zoon van de Uruguayaanse bas-bariton Erwin Schrott. Het wurm zou het nieuws nooit hebben gehaald, wanneer zijn moeder niet toevallig Anna Netrebko had geheten. Wie weet heeft de Russische sopraan het blijde nieuws wel doorgegeven toen Schrott zich eind januari ophield in Valencia, druk in de weer met de opnamen voor zijn debuut-cd op Decca.
Het valt voor de jonge moeder te hopen dat hij zich niet te veel identificeert met Don Giovanni, de rol waarmee Schrott de afgelopen jaren triomfen heeft gevierd. Mozarts vrouwenverslinder komt op zijn cd twee keer voorbij, naast Figaro-aria’s (eveneens van Mozart) en operawerk van Berlioz, Gounod, Meyerbeer en Verdi.
Het is de tuttifrutti van het bas-baritonale vak. Je moet wat in je mars hebben om te kunnen boeien met zulke uiteenlopende stijlen en met dramatische momenten waarvan de context ontbreekt.
Schrotts stem is er in elk geval een waarin je weg kunt kruipen. Aan resonantie geen gebrek, alle galmgaten staan open. Hij heeft de ideale aanleg voor operahuizen die meer belang hechten aan volume dan aan nuance. Verder beschikt hij over een aardig parlando. De lach is duivels genoeg voor Méphistophélès in Gounods Faust.
Maar waar het aankomt op introspectie (‘Elle ne m’aime pas’, aria van Filips II uit Verdi’s Don Carlos) geeft Schrott niet thuis. En achteloos stuitert hij door ‘Fin ch’han dal vino’ (Don Giovanni), waarvan de hitsigheid zich alleen laat oproepen via ijzeren beheersing. Misschien zou Schrott zijn zangersleven in het teken moeten stellen van het temmen. Want altijd ronken, dat kan natuurlijk niet.
Mozart, Verdi e.a. Erwin Schrott (bas-bariton). Orquestra de la Comunitat Valenciana o.l.v. Riccardo Frizza. Decca.

Belofte Pichon


●●●○○
In de barokwereld geldt Frankrijk tegenwoordig als het land van melk en honing. Mede dankzij ruimhartige subsidies en een onbekrompen mecenaat, is het aantal groepen en orkesten er explosief gegroeid. De zonen en dochters van aartsvader William Christie heten Minkowski, Rousset, Coin, Haïm, Dumestre, Niquet of Spinosi.
Met een Bach-cd meldt zich nu ook het eerste kleinkind. Raphaël Pichon, de knaap moet nog 25 worden. Uit twee korte Bachmissen hengelt hij aantrekkelijke kwaliteiten op als jeugd, vuur, plezier en ambitie.
Toegegeven, Jos van Veldhoven krijgt de koorklank van zijn Bachvereniging doorgaans helderder en preciezer. De solisten die Pichon zich kan veroorloven vallen in de categorie degelijk-maar-niet-bijzonder. Niettemin ontlokt hij aan de zangers en instrumentalisten van het ensemble Pygmalion zinnelijke frases waaruit elke routine is verdreven.
Bach: Missae breves BWV 234 en 235. Pygmalion o.l.v. Raphaël Pichon. Alpha.

Minimalistische Bach


●●●○○
Oude-muziekliefhebbers zullen ze koesteren, de platen van het label L’Oiseau-Lyre.Vanaf het begin van de jaren zeventig gaf de Decca-dochter ruim baan aan Hogwood, Pickett, Rooley en andere profeten van de historische uitvoeringspraktijk. Het label leek een stille dood gestorven - totdat Decca vorig jaar de wederopstanding bekendmaakte.
Sindsdien is er een stapel heruitgaven verschenen, vaak niet eens op cd maar in digital format, klaar voor de handel op internet. Slechts mondjesmaat levert L’Oiseau-Lyre nieuwe titels, zoals volgende maand Bellini’s opera La sonnambula met Cecilia Bartoli en Juan Diego Flórez.
Op de eerste nieuweling van het herrezen label kleedt Ottavio Dantone zijn Accademia Bizantina uit tot op het hemd. In Bachs klavecimbelconcerten, met Dantone als solist, vormen vijf strijkers een heel barokorkest. Aldus sluit ook Italië aan bij de mode die wil dat de ware Bach schuilt in een slanke Bach.
Of de componist die minimalistische praktijken heeft gehuldigd, valt nog maar te bezien. In het Leipzigse koffiehuis van Gottfried Zimmermann, waar Bach wekelijks een collegium musicum kwam dirigeren, keek hij soms wel veertig musici in de ogen. Kwestieus is ook het aandeel van Dantones opnametechnici: ze pompen de afgeslankte Bach net zo lang op tot hij alsnog als een kleerkast uit de boxen springt.
Als Bachvertolker is Ottavio Dantone van de conceptuele soort. Hij kiest een tempo, bepaalt een aanpak, geeft een druk op de knop - en alles rolt er gesmeerd uit. De snelle delen ratelen gezellig door. Breekt er een Largo of Adagio aan, dan mis je enige gekte. Voordeel van die braafheid is wel dat de vijf strijkers volop aandacht kunnen trekken. Ze excelleren in veegjes viool en toefjes pizzicato.
Bach: klavecimbelconcerten. Ottavio Dantone, Accademia Bizantina. L’Oiseau-Lyre.

6 oktober 2008

Jaap van Zweden, de Vliegende Hollander


Zou Jaap van Zweden stiekem weleens dromen van een privéjet? Het ding zou hem deze herfst goed van pas komen. Met de r in de maand haast de dirigent zich namelijk van vliegtuig naar taxi en van Amerikaans debuut naar Vlaamse vernissage.
Begin september: Jaap van Zweden wordt geïnaugureerd als music director van het Dallas Symphony Orchestra. Eind september: Antwerpen proost op de nieuwe chef van de Koninklijke Filharmonie van Vlaanderen, de Hollander Van Zweden. Donderdag aanstaande: het Chicago Symphony Orchestra verwelkomt een gastdirigent die een paar weken geleden pas te horen kreeg dat hij in mag vallen voor Riccardo Chailly.
Let wel: in Hilversum heeft Jaap van Zweden nog altijd twee omroeporkesten onder z’n hoede. Maar de Razende Roeland was slim genoeg om de hectiek van de herfst vooraf goed in te schatten. Hij bouwde een rustpunt in: de Vijfde symfonie van Dmitri Sjostakovitsj.
Met dit stuk kwam Van Zweden zondagochtend, in het Concertgebouw, zijn Antwerpse orkest voorstellen. Liefhebbers in Dallas, Texas, kregen de symfonie een paar weken geleden al te horen. En wanneer Jaap van Zweden eind november het Concertgebouworkest dirigeert, schotelt hij zijn oud-collega’s opnieuw Sjostakovitsj’ Vijfde voor.
De componist rehabiliteerde zich er in 1937 mee bij Stalin, nadat zijn opera Lady Macbeth van Mtsensk in de partijkrant Pravda op intimiderende wijze was omschreven als ‘chaos in plaats van muziek’. Sindsdien luidt de vraag: heeft Sjostakovitsj met zijn Vijfde een vehikel geschapen voor Sovjetheldendom, of hebben we hier juist te maken met een doortrapt geval van insubordinatie?
In deze discussie koos Jaap van Zweden geen partij. Hij vertok vanuit de noten. Je hoorde noch een overijverige partijcomponist, noch een durfal die het gezag ridiculiseert. Al met al trok het stuk eerder naar de klaarte van Bruckner dan naar de neuroses van Mahler.
Andere conclusie: in Dallas is Van Zweden nog niet besmet geraakt met Amerikaans gevoel voor show – tenzij je daartoe enkele gewaagde pianissimo’s wilt rekenen, die door het op gang gekomen blaf- en schraapseizoen vakkundig om zeep werden geholpen.
Welbeschouwd verliep deze Sjostakovitsj Hollands-nuchter. De ritmische ondergrond was strak. Er trokken fraaie vergezichten voorbij, zoals een fluitsolo boven een grondmist van strijkers. Het Largo opende met verbluffend donzig snarenspel. Maar vermoedelijk heeft Jaap van Zweden een afgetraind Concertgebouworkest nodig om Sjostakovitsj op te tillen naar het hoogste niveau.
Sjostakovitsj. Koninklijke Filharmonie van Vlaanderen o.l.v. Jaap van Zweden. Amsterdam, Concertgebouw, 5 oktober.

4 oktober 2008

Met Riccardo Chailly gaat het molto bene


Voor het eerst sinds hij vier jaar geleden vaarwel zei tegen het Concertgebouworkest, dirigeert Riccardo Chailly in Nederland. Hij komt met het Gewandhausorkest uit Leipzig, waar reuzen als Mendelssohn en Furtwängler hem voorgingen. ‘Ik heb bijgetekend tot 2015. Ik voel me erg gelukkig hier.’

Het is stil geworden rond Riccardo Chailly. Wie rondbelt ontwaart zelfs enige zorg. De Nederlandse vestiging van zijn platenmaatschappij geeft besmuikt toe dat de dirigent ‘een beetje van de radar’ is verdwenen. Bij het Concertgebouworkest hebben ze de indruk dat de voorganger van Mariss Jansons tegenwoordig ‘niet zoveel meer doet’. Tel er een bericht bij op uit januari (‘Chailly heeft hartproblemen’), vermenigvuldig dat met nieuws uit mei (‘Italiaan vertrekt bij opera Leipzig’), en je zou zomaar denken dat een glanscarrière in de versukkeling is geraakt.
In Leipzig grijnst Chailly’s kop je vanaf elke advertentiezuil tegemoet. Hij heeft dan wel z’n hielen gelicht bij de opera, aan de overkant van de weidse Augustusplatz is hij vorige week gewoon begonnen aan zijn vierde jaar als chef-dirigent van het Gewandhausorkest.
Donderdag heeft hij er het 228ste orkestseizoen geopend. En hoewel het openluchtconcert van zaterdag wegens slagregens naarbinnen moest worden verplaatst, opent Riccardo Chailly een middag later met een zonnige glimlach de deur van zijn werkkamer in het Gewandhaus.
Stomme verbazing. Maken zijn Nederlandse vrienden zich zorgen? ‘Vertel ze maar dat ik me prima vermaak. En dat ik ernaar uitzie om in Nederland op te treden.’
Dat wordt voor het eerst sinds Chailly vier jaar geleden het Concertgebouworkest verliet. Dinsdag voert hij zijn Gewandhausorkest naar de Rotterdamse Doelen, met Mendelssohn en Ravel. In februari spelen ze Beethoven en Bruckner in het Concertgebouw.
Zijn baard bevat meer grijstinten. Het Engels is doorspekt geraakt met Duits. ‘Vind je ook niet dat hij ein wenig böse kijkt’, vraagt Chailly (55), wijzend op een portret dat boven zijn bureau hangt. Het is Wilhelm Furtwängler, de elfde Gewandhauskapellmeister uit de historie. Hij wordt geflankeerd door de hoofden van nummers tien en twaalf: Arthur Nikisch en Bruno Walter.
Monter zegt collega nummer negentien: ‘Ik heb bijgetekend tot 2015. Ik voel me erg gelukkig hier.’
Het valt hem aan te zien. Ontspannen knijpt de dirigent een mootje citroen uit boven zijn thee. Jazeker, de hartritmestoornis van januari vormde een waarschuwing. ‘Ze hebben me binnenstebuiten gekeerd. Het zag ernaar uit dat ik op de operatietafel zou belanden. Maar met medicijnen is alles onder controle.’
Zijn Italiaanse artsen spraken van een concausa: verschillende oorzaken die het lichaam noopten tot een alarmsignaal. ‘Het had uit kunnen lopen op een infarct. Ik pas goed op tegenwoordig, het leven hangt aan een zijden draad.’
Wat niet wil zeggen dat de dirigent er in Leipzig als een geslagene bij loopt. Maandagochtendrepetitie in de Gewandhauszaal, een riante accommodatie met veel hout en jaren-zeventigbruin: veel tijd om de slaap uit hun ogen te wrijven krijgen de musici niet. Op hun lessenaar staat de Vijfde van Beethoven, met de beruchte opmaat en het nog beruchtere hamermotief aan het begin.
Chailly’s blik dwingt, de vuist trilt, de rechtervoet stampt op de dirigentenkruk. Hij werkt aan ritmische vitaliteit (‘niet taa-daa-daa-dam, maar tatatatám’). Even later verlangt hij de verrassing van een subito piano. ‘Maar hier bitte weer crescendo, zodat we bij deze maat glorioso uitkomen.’ De musici, meest dertigers en veertigers, zetten een potloodkrabbel in hun partij.
Verbazing alom in 2002, toen Riccardo Chailly zijn transfer naar Saksen bekendmaakte. Oké, dat hij zich geschoffeerd voelde toen het Concertgebouworkest zijn contract met slechts twee jaar wilde verlengen in plaats van de verwachte vier, daar kon men inkomen. Maar wat dreef de Italiaan naar de provincie, naar een door oorlogsbombardementen gehavende stad die door communisten tot aan de Wende in 1989 vreugdeloos was bestierd?
Het Gewandhausorchester bivakkeerde na degelijke kapelmeesters als Kurt Masur en Herbert Blomstedt hooguit in de subtop. Met 185 vaste posities kende Leipzig het royaalst bezette orkest ter wereld, dat wel.
Chailly: ‘Ik heb ze in 1986 leren kennen, Herbert von Karajan had ons gekoppeld. In een of andere Salzburgse operastudio repeteerden we Don Juan van Strauss. Ik zette in en er klonk meteen een orkaan. Ongelooflijk, een Duitse, donkerromantische klank die toch transparant blijft. Ik ben hem nooit vergeten.’
Toen ze elkaar in 2001 voor de tweede keer troffen, vonkte het opnieuw. De Leipzigers, hun bedaagde imago beu, lieten er geen gras over groeien. Chailly: ‘Zíj wilden graag de rekel die in Amsterdam had bewezen dat hij een orkest kon vernieuwen met respect voor de traditie. Progressivität ohne Provokation. En ik ben nu eenmaal verschrikkelijk nieuwsgierig naar de wortels van muziek.’
In muziekstad Leipzig kan hij erover struikelen. De verklaarde Bachbewonderaar Chailly mag graag aanschuiven in de Thomaskerk, waar Bach cantates en passies lanceerde. Hij snuffelt rond in het statige huis van Felix Mendelssohn, die niet alleen de Bachrevival in gang zette maar als vijfde Gewandhausdirigent tevens wereldpremières regelde met symfonieën van Schumann, Schubert en zichzelf. De wieg van Wagner stond in Leipzig. Schumann vond er de muziekessayistiek uit. Breitkopf & Härtel is een klinkende uitgeversnaam.
En dan is er de oogverblindende orkesthistorie. Toen het Gewandhausorchester in mei 1789 Mozart ontving, bestond het gezelschap net acht jaar. Een Leipzigse lakenhal verschafte de naam. Later kwam Hector Berlioz er zijn Symphonie fantastique dirigeren. Brahms en Bruckner waaiden langs. Mahler, een jonkie nog, diende tweeëneenhalf jaar als assistent bij de opera. Waar ook toen al het Gewandhausorkest in de bak zat.
Riccardo Chailly heft veelbetekenend zijn handen. Hij wil maar zeggen.
Voeg daarbij het feit dat de burgemeester hem de dubbelfunctie aanbood van Gewandhauskapellmeister én Generalmusikdirektor van de opera, en hij was verkocht.
De Duitse pers sprak van een dicker Fisch die men aan land had getrokken. De ‘kwaliteitsmagneet’ Chailly zou muzikanten van het hoogste kaliber naar Leipzig trekken. Zelf was hij benieuwd naar de confrontatie met het Duitse regietheater, waar hij als mediterrane operaman niet zo’n hoge pet van op had.
Eind mei liep het spaak. Er had al gemor geklonken: wat was dat voor een chef die maar twee nieuwe operaproducties in drie seizoenen kwam dirigeren? Er rezen competentiekwesties: zonder ruggespraak met Chailly werden een nieuwe intendant en een chef-regisseur aangesteld. De laatste heet Peter Konwitschny, vertegenwoordiger van de Duitse dramaturgische school bij uitstek. Saillant: zijn vader was na de oorlog de vijftiende Gewandhaus-chef, Franz Konwitschny.
In een analyse van de affaire kon de Leipziger Volkszeitung niet uitmaken of het van gemeentewege nu intrige was of geklungel. Wel opperde de krant dat het misschien maar beter was zo. De opera kon gaan concurreren met München en Berlijn. De sterdirigent had zijn handen vrij voor het Gewandhausorkest.
Chailly, welgemutst: ‘Vanaf het begin heb ik gezegd dat ik hooguit één nieuwe operaproductie per seizoen voor m’n rekening kon nemen. Mijn beslissing om te vertrekken had vooral te maken met tijdgebrek. Het personele gedoe was secundair.’
Trots schetst hij de projecten die hem tot 2015 aan het orkest binden. Buitenlandse tournees: er staan er al achttien gepland, van Europa en de Verenigde Staten tot China en Japan. Opnamen: bij Decca loopt een Mendelssohnproject, volgende week begint hij aan een Beethovencyclus, in januari verschijnt een Brahmsplaat.
En qua herdenkingen valt Riccardo Chailly met zijn neus in de boter. Leipzig gordt zich aan voor een fenomenale reeks tweehonderdste verjaardagen: die van Mendelssohn (2009), Schumann (2010) en Wagner (2013). Ook bij Mahlers honderdste sterfjaar (2011) wordt uitgebreid stilgestaan. Kwaliteitsmagneet Chailly heeft alvast de vrienden van de Berliner en Wiener Philharmoniker en de Staatskapelle Dresden uitgenodigd.
Plus die van het Concertgebouworkest, waarvan hij zich sinds zijn vertrek na zestien jaar trouwe dienst conductor emeritus mag noemen.
‘Ik heb ze daarna niet meer gehoord. Af en toe spreek ik Mariss Jansons en die vertelt me dat het voorspoedig gaat. Hij nodigt me geregeld ook uit om te komen dirigeren. Ik heb er niets op tegen, maar het moet wel in mijn agenda passen.’
En die bewaakt hij streng. Chailly is eigen baas, agenten of vertegenwoordigers kent hij niet. Zelfs in Leipzig moeten ze ernaar gissen hoe zijn seizoen er precies uitziet. ‘Soms kom ik erachter als ik een vlucht boek’, meldt zijn secretaresse. ‘Zo werkt nu eenmaal zijn systeem.’
Ja, geeft Chailly toe, als je het van internet moet hebben kom je hem maar moeilijk op het spoor. Toch: in oktober staat hij met de Tiende van Mahler voor het Chicago Symphony Orchestra. Een maand later dirigeert hij Bachs Weihnachts-Oratorium. ‘Mijn debuut. Het stuk is een obsessie, ik leef er al jaren naartoe.’
In Zürich, verrassend, pakt hij het kerstoratorium aan met een barokorkest. In Venetië staan het koor en het orkest van La Fenice tot zijn beschikking. ‘Bach, in deutscher Sprache, dat is voor een Italiaans operahuis ongekend.’
À propos, operahuis. Velen verwachten dat hij de chefsvacature bij de Scala in Milaan gaat vervullen.
‘Ik begrijp de associatie. Ik ben in de stad geboren, heb er vaak gedirigeerd en woon er nog altijd. Maar ik heb in mijn leven al zoveel opera gedaan, ik zit echt niet te wachten op een vaste verbintenis.’
Soms wordt hij overvallen door heimwee naar Amsterdam. Bijvoorbeeld als hij prenten ziet van het ‘tweede Gewandhaus’, zoals ze het hier noemen, de 19de-eeuwse zaal die de blauwdruk leverde voor het Concertgebouw. Na de oorlog lag het pand half in puin. Met springladingen maakten DDR-bestuurders er in 1968 definitief een eind aan. Van dat moment bestaat aan aangrijpende foto.
Eeuwig zonde, meent Chailly. ‘Het gebouw had gerestaureerd kunnen worden. De akoestiek van het oude Gewandhaus was een wonder. Ik las in de memoires van Bruno Walter dat hij nooit de kwaliteit van de stilte tijdens een opmaat is vergeten. De kwaliteit van de stilte! Er is in die zaal maar één geluidsopname gemaakt, een Matthäus Passion. Daar moet ik nog achteraan.’
Aan de rand van de Augustusplatz zwenken vier, vijf gele bouwkranen door de lucht. Waar tot 1968 de St. Paulikerk stond - ook opgeblazen - trekt de universiteit nu zijn hoofdgebouw op, compleet met aula, gehoorzaal en kerk.
Iets verderop reikt de slanke toren van de Mitteldeutsche Rundfunk naar de wolken. Daar resideert Leipzigs tweede symfonieorkest, plus het radiokoor dat Chailly begin oktober te hulp schiet bij een Uraufführung met werk van Hans Werner Henze. Maar deze week wacht eerst een andere première: het nieuwe vioolconcert van Wolfgang Rihm.
Chailly: ‘Onder het communistische regime was Leipzig een sombere, uitgemergelde stad. Nu wordt er elk kwartaal wel een nieuwe straathoek opgeleverd. De stad komt tot leven, het bruist, je voelt het overal.’
De Volkskrant, 11 september 2008

Pierre Audi ziet keldergruwel in Pelléas et Mélisande


Het leven drukt teneer in Allemonde, het duistere rijk van koning Arkel waar de raadsels heersen. Op een dag verschijnt er een vreemdelinge, een kind nog bijna, dat zit te huilen bij een bron. Ze heet Mélisande en ziet er geschonden uit. Op schoothoogte vertoont haar witte jurk een rode vlek. Haar hoofd is kaal als was ze een moffenhoer. Wat er is voorgevallen blijft een van de vele ondoorgrondelijkheden in Debussy’s opera Pelléas et Mélisande, gecomponeerd in 1902.
Mélisandes gladde hoofd en de bloedvlek komen echter uit de koker van Pierre Audi, de Amsterdamse opera- en festivaldirecteur die met het symbolistische, onheilszwangere meesterwerk zijn Brusselse regiedebuut maakt. In heel Allemonde drenkt hij de kleren in bloed. Bloed plakt ook op de drempel van koning Arkels kasteel. En bloedrood is de kleur van de metershoge plastiek waarmee de Brits-Indiase kunstenaar Anish Kapoor zijn tweede toneelontwerp aflevert (nadat eerder, in Glyndebourne, Peter Sellars zijn compagnon was in Mozarts Idomeneo).
Kapoors object staat op een draaischijf en oogt soms als een omgevallen stempelsteel, soms als een overlangs gekliefde uterus, soms als een flink stuk elleboogjesmacaroni. Met grotten, kelders en torenkamers levert voorziet het Mélisande, haar eerlijke vinder Golaud en diens halfbroer Pelléas in elk geval van voldoende schuilhoeken en klautergerief.
Als het aan Pierre Audi ligt, luidt de operatitel vanaf heden Golaud. Want hij, de onberekenbare kleinzoon van koning Arkel, krijgt gedragingen aangemeten waarvan de tekstdichter Maurice Maeterlinck vermoedelijk zou hebben opgekeken. Nadat Golaud de prille Mélisande heeft gehuwd, ontpopt hij zich bijvoorbeeld als sadomasochistische voyeur. Bovendien speelt hij voor Blauwbaard: in schimmelige gewelven onderhoudt hij een zevenkoppige harem.
En zo betreedt Pierre Audi, de verhalenverteller en sensibele estheet, onverwachts een wereld van marteling, misbruik en keldergruwel. Passend element daarbij vormt de ‘schaapskudde’ (aldus Maeterlinck), die bij Audi wordt gevormd door de geknechte kindertjes die in het ondergrondse zijn verwerkt. Ruiken we hier vers bloed voor Allemonde?
Een heel andere vraag luidt of Debussy’s nerveuze schimmenrijk zoveel concretisering verdraagt. Dubieus is in elk geval de beslissing om Mélisande tot aan het slottafereel kaal te houden. De erotiek van een geurige vracht haar gaat zodoende aan haar minnaar Pelléas voorbij. Ook de gemene haarsleepscène waarmee Golaud verhaal komt halen, valt in duigen. Het slottafereel zelf is dan weer een magnifiek staaltje regie, waarin verhaallijnen kruisen en Kapoors toneelbeeld tot in al z’n rondingen wordt benut.
Een scène eerder beroeren Mélisande (Sandrine Piau) en Pelléas (Stéphane Degout) het gemoed met hun fatale liefdesduet. Alain Vernhes (Arkel) zingt nobel zoals het hoort, maar Dietrich Henschel geeft Golaud minder dreiging dan je vermoedt dat Pierre Audi zou willen.
Muzikaal valt er ondertussen een wereld te winnen. Het prikkende kiezeltje bevindt zich in de orkestbak. Aanvankelijk zou Mark Wigglesworth zich met deze productie op het schild laten hijsen als chefdirigent. Daar stak het Muntorkest vorig seizoen een stokje voor. De Brit dirigeert nu toch, maar zonder rust en adem. Er vallen gaten in het kamermuzikale weefsel en blazers blunderen. Net als de ongelukkige knoppenman aan wie de microfoonversterking van zangers was toevertrouwd.
Debussy: Pelléas et Mélisande. Regie: Pierre Audi. Koor en orkest van De Munt o.l.v. Mark Wigglesworth. Brussel, De Munt, 4 september 2008.

Danielle de Niese blijft lachen


Even lijkt het alsof Danielle de Niese toetreedt tot het gilde der zuchtmeisjes. Zuchtend in elk geval begint ze haar optreden in de Robeco Zomerconcerten, de serie waarmee het Amsterdamse Concertgebouw de komkommertijd pareert. De Amerikaanse sopraan heeft laten meedelen dat ze wordt gehinderd door een keelontsteking. Ze zou zelfs koortsig zijn. Maar ja, zo lijkt haar zucht te zeggen, iemand moet toch zingen en laat mij het dan maar doen.
Gezucht wordt er ook tijdens drie aria’s uit Händels opera . Maar niet door Danielle de Niese. Opgelucht stelt het publiek vast dat het met haar indispositie zo’n vaart niet loopt. Sterker nog: als deze meid werkelijk de bibbers heeft, dan weet ze die handig te maskeren. Hier een pruillip, daar een oriëntaals knikje, even schudden met de boezem – zet een schijnwerper op Danielle de Niese en ze presteert.
Haar carrière kwam een paar jaar geleden van de grond in het operahuis van Glyndebourne, waar barokveteraan William Christie haar vleugels gaf. Bij De Nederlanse Opera zong ze gewaardeerde Monteverdi-, Händel- en Mozartrollen. Teleurstellend was vervolgens De Niese’s debuut-cd: een paar lieve, schuchtere en waanzinnige Händel-heldinnen schoor ze allemaal over een kam.
Maar als Semele, het zwangere liefje van Jupiter, komt ze in de Grote Zaal toch goed uit de voeten. Totale ontspanning strekt zich uit over de aria O Sleep, Why Dost Thou Leave Me. Schalks gaat het toe in Endless Pleasure, Endless Love. Jammer alleen dat in het slotvuurwerk – hoog en hard – alle verfijning in rook vervliegt.
Met dezelfde power vat De Niese Ino aan, een getroubleerde cantate van Telemann. Het is hollen of stilstaan in dit stuk, door de 84-jarige componist in 1765 geschreven. De Barok is passé, het Classicisme aanstaande, en even schieten de emoties als voetzoekers rond.
Voor De Niese betekent het vooral: knijpen in de stem en stug blijven lachen. Na de laatste noot slaakt ze opnieuw een zucht, nog theatraler dan de eerste. Zelden heeft een diva zich zo opgelucht op een dirigent gestort.
Die heet trouwens David Stern en is een zoon van de vioollegende Isaac. In Telemanns Wassermusik laat Stern vooral de houtblazers van het ensemble Opera Fuoco zoet schrijnen. Vier delen uit Händels Water Music ontberen krachtig ritme en stevige puls. Stuurloos deinen ze van het podium.

Werken van Händel en Telemann. Danielle de Niese (sopraan), Opera Fuoco o.l.v. David Stern. Amsterdam, Concertgebouw, 28 juli 2008.

Matthijs Vermeulen, guerillastrijder in een schijndood land


En opeens duikt hij weer op: Matthijs Vermeulen, de Helmondse smidszoon die grotendeels als autodidact de muziekwereld betrad, als componist decennialang geen poot aan de grond kreeg en als journalist een zeldzaam briljante pen hanteerde. Afgelopen herfst, na een internetraadpleging onder Radio 4-luisteraars, stormde hij zomaar de Canon van de Nederlandse klassieke muziek binnen. Op een lijst van vijftig hoefde Vermeulen alleen de vaderlandse orgelcultuur, de koorcultuur, het Concertgebouworkest en Jan Pieterszoon Sweelinck voor zich te dulden.
Het kan haast niet anders: hier heeft goed georkestreerd lobbywerk van de Matthijs Vermeulen Stichting z’n vruchten afgeworpen. Want hoe hoog je Vermeulens noten ook schat, te horen vallen ze zelden.
Daar had hij zelf genoeg mee te stellen. ‘Mijn eerste symfonie: vijftig jaar vertraging; mijn tweede symfonie: 36 jaar achterstand; mijn derde symfonie: uitgevoerd na zestien jaar wachten.’
Hans Hoes, de acteur die Vermeulens bittere woorden met zachte g uitspreekt, is door regisseur Kees Hin geplaatst in een weids Hollands plassenlandschap. In De laatste reis, een gedramatiseerde Vermeulendocumentaire uit 1987, zwerft de componist als toerist door zijn eigen leven. Van het seminarie in België naar het eerste kamertje in Amsterdam tot de ballingschap in Frankrijk, waar zijn eerste echtgenote Anny overlijdt en zoon Josquin het leven laat in Franse krijgsdienst – Hin en zijn medescenarist, de componist Otto Ketting, spelen een vernuftig spel met biografisch feit en cinematografische fictie.
En dankzij het Filmmuseum kan de Matthijs Vermeulen Stichting de dvd-verdoeking zondagmiddag presenteren in het Muziekgebouw aan ’t IJ, waar zich een Vermeulenmiddag afspeelt. Die wordt deels herhaald in het Eindhovense Muziekcentrum Frits Philips op 8 februari, de 120ste geboortedag van de componist die in 1888 ter wereld kwam als Mattheus Christianus Franciscus van der Meulen.
De Vermeulenappreciatie kwam laat op gang en is nog altijd een zaak van horten en stoten. Wachten op uitvoeringen van zijn muziek vormde het leidmotief van zijn leven. Zowel ana het eind (in 1963, bij een feestconcert voor zijn 75ste verjaardag, hoort hij voor het eerst zijn Vioolsonate uit 1925, met als soliste Jeannelotte Herzberger), als aan het begin (in 1915 wendt de jonge criticus-componist zich met zijn Eerste symfonie tot Willem Mengelberg. De machtige baas van het Concertgebouworkest poeiert hem na een jaar stilzwijgen af. ‘Als ik u een raad mag geven, jongeman, gaat u dan wat lessen nemen bij meneer Dopper.’)
Cornelis Dopper, dat is de componist van de reuze gezellige Zuiderzeesymfonie. ‘Leve Sousa!’ schalde de recensent van De Telegraaf door het Concertgebouw na een uitvoering van het stuk in 1918, waarbij hij doelde op de montere hoempamuziek van de Amerikaan John Philip Sousa. De Concertgebouwdirectie wilde hem in de pauze de toegang ontzeggen en had daarvoor zelfs een politieagent achter de hand. Daags daarna berichtte de criticus over Doppers ‘lappenstijl’, waaraan alleen de ‘lieve, lachende en huppelende Zuiderzeemeerminnen’ ontbraken. De schrijver: Matthijs Vermeulen.
Met zijn Frans-latijnse inslag vocht hij een guerilla tegen de overwegend Duits-georiënteerde muziekcultuur van die dagen. Boegbeeld: Willem Mengelberg. Lichtelijk vilein laten Hin en Ketting een Duitse officier uit Mengelbergs woning aan de Van Eeghenstraat komen, wanneer Vermeulen daar in het donker staat te wachten. Met zijn Tweede symfonie vond Vermeulen bij de chef in 1921 evenmin gehoor.
Op dat moment had hij La veille al gecomponeerd, het indringende anti-oorlogslied op tekst van François Porché. Geen gehuppel van oud-Hollands meerminnen, maar een uiting van de ethisch-filosofische levenshouding die Vermeulen even assertief uitdroeg als zijn muzikale opinies. Tot op hoge leeftijd liet hij zijn morele stem horen, zoals in 1955 bij een demonstratie tegen de nuclaire wedloop (‘De atoombom is een wapen anti-Leven, anti-God, anti-Mens.’)
Was het scherpe pennetje op zich al voldoende om hem te vervreemden van het muziekleven in dit ‘treurige, schijndode land’, ook met zijn kunst banjerde Matthijs Vermeulen dwars door conventies. Hoewel groot Mahlerbewonderaar, verkende hij de vrije atonaliteit in zijn Eerste cellosonate uit 1918. En waar Stravinsky zich inliet met ritmische oerkrachten, koos Vermeulen ‘het fundamentele principe van de suprematie der melodie’.
Hij vond: ‘De melodie is een in tonen uitgesproken gemoedsbeweging.’ En in vele melodieën die tegelijkertijd optraden hoorde Vermeulen de klinkende representatie van de samenleving. Die samenleving hield zich voor zijn symfonische vlechtwerken echter doof.
Na het njet van Mengelberg kreeg de Eerste symfonie in 1919 een beroerde première bij de Arnhemsche Orkest Vereeniging. In 1921, na het tweede affront, nam Vermeulen gedesillusioneerd de wijk naar Frankrijk. Maar vanuit La Celle-Saint-Cloud, even ten westen van Parijs, vond hij evenmin aansluiting bij de muziekwereld, ondanks interesse van de dirigent Serge Koussevitsky en de componisten Darius Milhaud en Nadia Boulanger.
Uit broodnood schreef hij vanaf 1926 twee keer per week ‘Parijse brieven’ voor het Soerabaiasch Handelsblad. Menig lezer in het verre Indië liet z’n thee koud worden bij meeslepende epistels over kunst, politiek en het leven van alledag.
In 1930 veerde de componist kortstondig op bij het werk aan de begeleidingsmuziek voor Martinus Nijhoffs ‘waterfeestspel’ De vliegende Hollander. Toen hij in 1939 zijn Derde symfonie (1922) voor het eerst uitgevoerd hoorde door het Concertgebouworkest onder Eduard van Beinum, hervond Vermeulen opnieuw z’n scheppende kracht. ‘Eerlijk gezegd: het viel mee. Er ontspande zich ergens in mijn organisme een beklemming welke mij ruim een kwart eeuw had gesmoord.’
Maar tussen ’46 en ’56, straatarm en terug in Nederland, vloeide er geen noot uit zijn pen. De Vierde en Vijfde symfonie, geschreven in de oorlogsjaren, ontvingen in 1949 een matige pers. Beter verging het de Tweede in 1956. Maar het zou tot 1997 duren voordat het Holland Festival een daad verrichte door Vermeulens zeven symfonieën als cyclus te programmeren.
In zekere zin wacht de man die dezer dagen Componist van de Week is op Radio 4, nog altijd. Op een uitgave van zijn lucide schrijfwerk bijvoorbeeld. Muzikale en literaire kritieken in De Amsterdammer, De Tijd, NRC en De Gids, dagboeken en brieven, of de poëtica en filosofieën die zijn vervat in Princiepen der Europese Muziek en Het Avontuur van den Geest.
Alleen al hiermee kan de Matthijs Vermeulen Stichting jaren voort. Bovendien heeft ze haar zinnen gezet op een nieuwe, integrale cd-editie die de niet overal even geslaagde Donemusopnamen uit de jaren zeventig en tachtig moet vervangen.
Maar eerst wordt de website www.matthijsvermeulen.nl gevuld. Die gaat zondag in de lucht en moet ’s meesters leven en werken uiteindelijk in vier talen toegankelijk maken. Een van de aanjagers is Ton Braas, gepromoveerd op Vermeulens muziek en auteur van een klinkerdikke biografie. De andere is Braas’ levensgezellin Odilia Vermeulen, dochter uit het tweede huwelijk van Matthijs met Thea Diepenbrock, die op haar beurt weer een dochter was van componist Alphons Diepenbrock. Hij was niet alleen Vermeulens Brabantse provinciegenoot en maître spirituel, een tijdlang bevonden de heren zich in een driehoeksverhouding met Diepenbrocks vrouw Elisabeth.
Die omstandigheid laten Kees Hin en Otto Ketting in hun film passeren, in tegenstelling tot de suggestie van seksuele avances door een pater. En een gelukje hadden ze met het feit dat ze hun acteurs konden plaatsen in de aangevreten fundamenten van het Concertgebouw, die in de jaren tachtig ingrijpend werden gerenoveerd. Menig scène in De laatste reis speelt tegen het wormstekige kelderdecor van het pand waarop Matthijs Vermeulen zoveel kritische salvo’s had afgevuurd.
Maar voor het karretje van de minstens zo kritische Notenkrakers liet hij zich in de jaren zestig niet spannen. Terminaal ziek of niet, in 1967 sloeg Vermeulen, de eeuwige polemist, Louis Andriessen en zijn bentgenoten die later opklommen tot de Canon van de Nederlandse klassieke muziek om de oren met hun ‘excessen, excentriciteiten, piasserijen, clownerieën en overige humbug.’
En de slotanalyse had de componist die een levenlang moest wachten paraat: ‘Als mijn werken tijdig waren opgevoerd, had de evolutie der muziek, die overal sinds ruim 40 jaar stagneert, haar normale ontwikkeling kunnen voortzetten.’