Met het project Marco Polo in Amsterdam steekt De Nederlandse Opera voor het eerst zijn deftige teen in het water van de community art: kunst voor, door en in de gemeenschap. Bedenker Anthony Heidweiller haast zich van vijfminutenopera op de Zeedijk naar koorrepetities in Zuid. 'Iedereen moet trots kunnen zijn.'
Maandagmiddag, kwart over drie. In pittige pas stapt Anthony Heidweiller over de Amsterdamse Zeedijk. Hij zwaait een arm naar links: ‘Daar zitten we, in karaokebar Casablanca.’ Een paar deuren verder zwenkt zijn arm naar rechts: ‘De bruidsstudio hier, die doet ook mee.’ En verder gaat het, langs Vietnamees restaurant Welcome, langs nachtcafé Zilt, langs Wau, gespecialiseerd in de Maleisische keuken.
Heidweiller slaat linksaf de Stormsteeg in. Op de hoek van de Gelderse Kade loopt hij binnen bij Toko Dun Yong. De eigenaar, Kin Ping Dun, krijgt een bubbeltjesenvelop in handen gedrukt met flyers en een T-shirt.
Heidweiller: ‘Hai man, hoe gaan de voorbereidingen?’
Dun: ‘Ze zijn langs geweest om alles op te meten. Bij nader inzien doen ze het toch liever hierboven dan in de kelder.’
Hierboven, dat moet de naar schatting acht vierkante meter vloeroppervlak zijn tussen de schappen met sojamelk, Thai Green Curry en andere oosterse waar. Het oogt altijd nog weidser dan de pakweg vier vierkante meter die overblijft tussen de bureaus van reiswinkel Bun, even verderop.
Op en om de Zeedijk heeft Heidweiller 21 vlakke vloeren gevonden die de komende twee zondagmiddagen door studenten worden bevolkt. Ze spelen niet alleen kamermuziek van de Chinese componist Tan Dun, maar ook vijfminutenopera’s van eigen makelij. Op die manier steekt de Nederlandse Opera voor het eerst zijn deftige teen in het water van de community art: kunst die wordt gemaakt voor, door, in en met de gemeenschap.
De kiem ligt in Tan Duns opera Marco Polo (1996), die vorige week in Het Muziektheater zijn geënsceneerde Nederlandse première kreeg. De operadirectie verzocht Heidweiller om ideeën te formuleren voor een programma eromheen. Hij kwam op de proppen met miniopera’s, een koormanifestatie, een Zijderouteproject en Zangzuilen.
De man die zijn naam vestigde met het Utrechtse Yo!Opera Festival had één antwoord niet verwacht: doe ze maar allemaal.
Heidweillers verbeelding werd op gang gebracht door Marco Polo zelf, de Venetiaanse handelaar en ontdekkingsreiziger die rond 1266 via de Zijderoute in China arriveerde. De culturen die hij onderweg aantrof trad hij met open blik tegemoet. Heidweiller vond dat gegeven ‘hallucinant actueel’ voor een stad die volgens de laatste telling 177 nationaliteiten huisvest.
Intussen moet de compositiestudent Caio Amon opschieten, wil hij nog iets toe kunnen lichten omtrent zijn operaatje Wau, voor twee acteurs, countertenor en altfluit. Anthony Heidweiller (47), een wintermuts over het kaalgeschoren hoofd, wacht al naast de taxi die hem naar een koorrepetitie in Amsterdam-Zuid moet vervoeren.
Hijgend komt Amon aangesjeesd. De Braziliaan is een van de negentig conservatorium- en theaterschoolstudenten die hun bastion hebben verlaten en over de Zeedijk zijn uitgezwermd. Urenlange gesprekken heeft hij gevoerd met de Chinese eigenaar van restaurant Wau. Amons bewondering groeide en groeide voor de ondernemer die op de woelige Zeedijk ‘een oase van rust’ wist te creëren.
Heidweiller, in de taxi: ‘Het is prachtig om te zien hoe die jonge musici, mimespelers, dansers en acteurs hun weg zoeken. Niet alleen binnen de Zeedijkgemeenschap trouwens, maar ook in de opera, een genre dat volgens mij zit te spríngen om nieuwe werkvormen.’
‘Lalalalalá’. Toon hoger: ‘Mamamamamá’. Toon hoger: ‘Noenoenoenoenóe.’ In sneltreinvaart, met de gitaar in de hand, zeept muziekleraar Thijs Janssen een stuk of veertig scholieren van het Montessori Lyceum in. Ze repeteren voor Koorstroom, de grote finale van ‘Marco Polo in Amsterdam’ op 28 november: 1800 zangers brengen de Stopera aan het zoemen.
Voor de gelegenheid componeerde Bob Zimmerman Bronwater, een serie van elf verwante koorstukken die een impressie geven van evenzoveel culturen langs de Zijderoute. De tekst, een 13de-eeuws gedicht, kwam Heidweiller via de Chinese Zeedijkgemeenschap op het spoor.
Ook de componist komt de sfeer opsnuiven. Janssen zet zich achter de piano en loodst zijn koor door driestemmige passages. Zimmerman verstrakt. Anthony Heidweiller werpt een bezorgde blik. In het voorbeeld-cd’tje dat de scholieren thuis zou moeten helpen, zijn ritmische akeligheden geslopen. Wat doen we eraan? vraagt Janssen. Opnieuw opnemen, meent Zimmerman. ‘Liefst met mij erbij.’
Op de gang raakt Heidweiller in gesprek met de rector. Ze hebben het over de toegevoegde waarde van cultuuronderwijs, dat eigenlijk binnen het curriculum moet worden getrokken. De bedenker van Koorstroom wil nog iets weten: ‘Dit walst nu zomaar jullie school binnen, maar heb je ook het gevoel dat je een beetje eigenaar bent?’
Later, in de tram: ‘Zo benader ik community art het liefst. Mijn eerste vraag luidt steevast: wat wil je zelf? Wat is je droom? Niets zo slecht als een idee dat van bovenaf wordt opgelegd. Dan krijg je van die toestanden met vijfhonderd bejaarden of duizend kinderen, absoluut niet duurzaam.’
Heidweiller dook in het hoofdstedelijke zangwezen en ontdekte dat de koren graag gezamenlijk op zouden treden. Om ook koorloze Amsterdammers tegemoet te komen, werd het Stadskoor opgericht. Al maanden repeteren zeshonderd zanglustigen elke vrijdagavond. Het idee om langs de Keizersgracht een kilometers lang koorlint te draperen, stuitte echter op bezwaren. Praktische: vocht en kou zijn eind november niet denkbeeldig. En ideële: Heidweiller vindt dat iedere zanger door familie en vrienden eenvoudig te lokaliseren moet zijn.
‘Hoe groot zo’n project ook is, iedereen moet zich erin thuisvoelen en trots kunnen zijn. Alleen dan krijg je waarachtige community art.’
Aangekomen bij Het Muziektheater schetst hij het tableau van Koorstroom. Op het plein langs de Amstel komt, overkapt, het Stadskoor. Binnen, links op de trap, staat het Amsterdams Operakoor. Op een galerij verderop produceren de zangers van het Toonkunstkoor hun noten. COV Groot Noord nestelt zich bij Inzage Bouwdossiers voor de deur. Het andere eind van de passage wordt bezet door het Amsterdams Gemengd Koor.
Boven Heno’s fotokiosk klettert de regen op het glazen dak. Anthony Heidweiller kijkt alsof hij de zingzang van Bronwater al door de Stopera hoort ruisen.
Bijna tien jaar lang betrad hij de artiesteningang, rechts om de hoek, op weg naar tenorpartijen in het koor van De Nederlandse Opera. In de jaren negentig richtte hij Buffo Operamakers op, een club die het oog richtte op de jeugd. Patatje Oorlog heette de voorstelling waarin Heidweiller al joggend een snackbar binnenviel. ‘Hé Eddie! Doe mij een Camel!’
In 2001 organiseerde hij het eerste Yo!Opera Festival. Sindsdien valt in Utrecht jeugdopera te beleven in Hoog-Catharijnewinkels, flatgebouwen en stadsbussen van het Gemeentelijk Vervoerbedrijf. De Stichting Nationale Evenementenprijzen koos Opera in de bus tot het ‘meest innoverende evenement’ van 2005.
Om een chauffeurskoor op sterkte te krijgen, verzon de artistiek directeur een list: bussen poetsen in de nachtploeg. Loodzwaar werk, maar met de contacten die hij legde bereikte hij wel z’n doel. Inmiddels is het Utrechtse frontgevecht doorgedrongen tot het Prins Bernhard Cultuurfonds. Binnenkort krijgt Yo!Opera de prijs voor Kunst- en Cultuureducatie.
Half zes. Anthony Heidweiller valt zijn tijdelijke Muziektheaterkantoor binnen voor kort marketingoverleg. Medewerkster Lena jaagt achter de Idols-zangeres Hind aan. En Tan Dun, de componist, valt die niet te strikken voor een signeersessie op de Zeedijk? ‘Prima idee’ vindt Heidweiller, ‘dan duiken we meteen restaurant Nam Kee in.’
Vandaag blijft het bij een broodje in de artiestenfoyer. Tussen de happen door vertelt Heidweiller dat hij hem even kneep, toen hij op de Zeedijk bij de Chinese ondernemersvereniging zijn eerste praatje moest gaan houden. Hoe stap je zo’n gemeenschap binnen? Hoe win je hun vertrouwen?
Het ijs brak toen achter in de zaal een oudere heer opstond. Er dreunde een Surinaamse bariton, van het type waarmee de cabaretier Jörgen Raymann zijn karakters opfleurt. ‘Vertel eens Heidweiller, wie was jouw vader, August of Henk?’
Hij groeide op in Nederland, kind van Surinaamse ouders. Zijn beide oma’s waren Chinees. Vader August overleed toen Anthony Heidweiller negen was. Grimmig zijn z’n herinneringen aan de jaren zeventig, toen de fascistoïde Nederlandse Volksunie van Joop Glimmerveen zich roerde. Tegenwoordig kan hij over straat zonder op te vallen. ‘Heerlijk wat er allemaal aan kleur rondloopt.’
Hij zag het van nabij op de elf scholen die dit voorjaar meededen aan Zijderoute, de derde poot onder het Marco-Poloprogramma. Scholieren studeerden een lied in met een Amsterdamse muzikant van wie de wieg in een van de landen langs de Zijderoute heeft gestaan.
Uit de film die Robin Vogel ervan maakte, blijkt dat de meeste pubers flink beschroomd zijn als het op zingen aankomt. ‘No pain, no gain’ probeert een Pakistaanse musicus, in een poging het gegiechel te smoren. De documentaire en de liederen worden vertoond in een tot minitheater omgebouwde Zijderoutebus, die in november de stad doorkruist.
Zelf ging Heidweiller zingen omdat hij stotterde. Ernstig stotterde: rond z’n veertiende kreeg hij er geen fatsoenlijke zin meer uit. Ademtechniek en middenriftraining brachten verlichting.
Zingen is natuurlijk de essentie van opera, zegt hij. Maar zingen kan ook dienen als bindmiddel tussen culturen. Voor project nummer vier – Zangkaart – liet Heidweiller op vier locaties in de stad Zangzuilen plaatsen. Passanten werd gevraagd een lied te vertolken uit hun eigen cultuur. Op zangkaart.nl kun je ze zien en horen, de bijdragen uit de Achterhoek en Algerije, uit Nigeria, Venlo en Vlaanderen (‘Als het kermis wordt in ‘t land van Rupelmonde’).
Op weg naar de parkeergarage en een repetitie van het VU-koor in Buitenveldert, passeert Anthony Heidweiller de Zangzuil in de hal van Het Muziektheater. De artistiek leider kan het niet laten: uit honderden liederen diept hij met een paar schermtikken dat ene Zweedse op dat hem tot in z’n vezels ontroert. Vem kan segla förutan vind? - wie kan zeilen zonder wind?. We zien een ouder echtpaar. We horen hun stemmen, in zacht unisono. De slotnoot wordt bezegeld met een kus.
Heidweiller: ‘”Marco Polo in Amsterdam” kun je niet afdoen als een goedkoop multicultiproject. Het gaat over het mooiste wat er is, al eeuwenlang: de verrijking door diversiteit en kosmopolitisme.’
17 november 2008
Yannick Nézet-Séguin: duizendklapper van een durfal

●●●●○
Eindelijk is Yannick Nézet-Séguin dan op de bok gesprongen van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Zijn contract als chef-dirigent loopt sinds juni. In september was hij te gast op het festival van Valeri Gergjev, zijn voorganger. Maar pas donderdagavond vond de officiële intrede plaats. Zonder verdere plichtplegingen ontstak de Canadees de lont van een programma vol vuurwerk.
Zoals Music for the Royal Fireworks van Händel: sinds de triomf van het authentieke musiceren brandt het gemiddelde symfonieorkest er liever de vingers niet aan. Nézet-Séguin, de 33-jarige durfal, zet het gewoon op de lessenaar. Zij het met stroef resultaat, wat vooral het gevolg was van joviaal koper waartussen hobo’s en violen bekneld raakten.
Balans vormde ook het probleem in de Händel-aria’s waarmee Andreas Scholl de nieuweling kwam feliciteren. Wie van de Duitse countertenor vocaal siervuurwerk had verwacht, kwam bedrogen uit. In de weidse zaal hield Scholls stem, toch al niet de meest volumineuze, zijn fluwelige timbre knap verborgen.
Wel verheugend: Händelopera gedijt bij een Nézet-Séguin in de bak. Met een accentje hier en een vertraginkje daar bedient hij de spreekzang optimaal. Alsof het dagelijkse kost is kleurt hij met een tot barokformaat getrimd orkest de aria’s feestelijk in.
Na Stravinsky’s Feu d’artifice – exuberant, vol detail – was het tijd voor een duizendklapper. Beethoven, de Zevende symfonie: je moet erbij zijn geweest om te geloven hoeveel energie er door dat stuk kan bruisen. Het was bijna gekkenwerk, zoals Nézet-Séguin het slotdeel erdoorheen joeg.
De Canadees gebruikt ritme als stuwkracht. Ontboezemingen doet hij per melodie. Hij is een meester van de vloeiende overgang. Tegelijk beheerst hij het metier van de abrupte wending: ineens versnellen, of plotseling zacht.
Als de Rotterdammers naar speelvreugde smachten, dan zijn ze bij Yannick aan het goede adres. Ook in de gebaren van dit gedrongen manneke huist plezier. Soms lijkt het op worstelen, dan weer op breakdance. Aanstekelijk werkte het hoe dan ook. Wie erop lette zag na afloop zelfs een paar rollatorduwers de Doelen uit dansen.
Händel, Beethoven en Stravinsky. Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin. M.m.v. Andreas Scholl (countertenor). Rotterdam, de Doelen, 13 november 2008.
Lisa Batiashvili betovert

●●●●●
Wie het afgetrapte Vioolconcert van Beethoven kan laten klinken alsof er een geurige lentewind uit de boxen waait, is begenadigd. Wie daarnaast het lef heeft om het begeleidende orkest eigenhandig door de partituur te loodsen, kan toveren.
Lisa Batiashvili: ze loopt tegen de dertig en ze doet het allebei. Of je haar vioolspel nu zinnelijk noemt of intelligent, speels of delicaat, sprekend of lyrisch, het oude regimentspaard Beethoven herinnert zich opeens hoe dartel hij vroeger was. De Georgische violiste draagt haar visie bovendien soepel over op de Deutsche Kammerphilharmonie Bremen. Toegegeven, met een dirigerende maestro ernaast had een enkel braampje misschien kunnen worden voorkomen. Maar wat geeft het, bij zoveel genot.
Zes Miniaturen van de Georgische componist Sulkhan Tsintadze vormen een sfeervolle opmaat. Pa Batiashvili heeft deze folkloristische strijkkwartetmuziek gehesen in smeuïge arrangementen voor viool en orkest.
Beethoven en Tsintsadze. Lisa Batiashvili (viool). Deutsche Kammerphilharmonie. Sony.
Abonneren op:
Berichten (Atom)