26 april 2009

Reinhard Goebels tweede carrière


Focale dystonie. Spieren die zich onnodig, onwillekeurig en ongewenst aanspannen. De musicus die ermee kampt, kan z’n carrière wel vergeten. Pianisten strompelen over het toetsenbord. Koperblazers verliezen de macht over hun embouchure. En barokviolist Reinhard Goebel krijgt in 1990 geen snaar meer ingedrukt zonder pijn.
Daar zit hij, op z’n 37ste, de aanjager van Musica Antiqua Köln. Met zijn ensemble legt hij sinds 1973 liefdevol de knoet over muziek uit de Barok. Als een van de eersten stuift Goebel op topsnelheid door Bach. Met listig versierwerk poetst hij vroeg-Italiaanse sonates op. Het notengewemel van de Franse 18de eeuw wordt door hem gedresseerd. En voor een Kleinmeister als Johann David Heinichen gaat hij door het vuur. Waar Goebel strijkt, klinkt de echo van provo, underground en avant-garde.
In 1990, verkrampt en wel, plaatst hij zijn viool op de andere schouder. Met in de linkerhand de strijkstok grijpt hij de snaren voortaan met rechts. Hij legt zichzelf een regime op van acht uur oefenen per dag. Spiegelbeeldig musicerend verschijnt Goebel weer op het podium. En al speelt hij in zijn eigen ensemble sindsdien de tweede viool, zijn lichaamstaal laat er geen twijfel over bestaan wie de lakens uitdeelt.
De Wille zur Musik is ongebroken. Het temperament blijft vulkanisch. Na tien jaar linksom strijken lukt het de doorzetter zelfs om zijn viool weer rechtsom te hanteren. Maar in 2006 besluit Goebel dat het nooit meer wordt zoals het was. ‘Ik ben niet meer de begenadigde virtuoos van vroeger.’
Voeg daarbij onvrede over het cd-wereldje en de oudemuziek, en na 33 jaar ontbindt hij Musica Antiqua Köln. Even overweegt Goebel een loopbaan als maatschappelijk werker – zoiets was hij als muzikant per slot van rekening ook. Bij nader inzien verhuurt hij zich liever als ‘ambachtsman in 18de-eeuwse muziek’. De ex-violist gaat dirigeren. Zijn repertoire: alles tussen de jonge Bach en de jeugdige Beethoven. De fetisj van het Originalinstrument laat hij los. ‘Muziek wordt gemaakt door het hoofd, niet door instrumenten.’
En zo reist Reinhard Goebel van een Bachconcert in Stuttgart naar een Haydnprogramma in Taipeh. Hij is opgedoken bij Het Brabants Orkest en werd in Caracas gesignaleerd met een workshop Brandenburgse Concerten. Laatst groef hij in de Duitse provincie Doktor und Apotheker op, komisch operageval van Dittersdorf.
Tussendoor verheft de Keulenaar graag zijn stem tegen de carnavalisering van de oude muziek. Neem het ‘getingel en gebeier’ van chitarrones en andere luitachtigen dat het barokrepertoire zou teisteren. ‘Dat steekt maar uit de orkestbak met die hals als een erectie!’
de Volkskrant, 25 april 2009

Het Vivaldikaliber van Martijn Padding


✩✩✩✩
Speels, geestig, listig en lichtvoetig. Desondanks niet luchtig, gratuit of ordinair. Wie zulke kwaliteiten bij elkaar kan componeren, is een knappe vent. Al helemaal in de sector van de nieuwe muziek, die tegenwoordig wekelijks audiëntie houdt in de Donderdagavondserie van het Muziekgebouw aan ’t IJ, rechtstreeks uitgezonden via Radio 4.
Aan serieuze gezichten heerst daar doorgaans geen gebrek. Des te fijner dat er af en toe een componist opduikt die de lastige kunst van het divertissement verstaat. Die vermaak biedt met een knipoog en in staat is zijn humor vorm te geven met ijzeren vakmanschap.
In die zin schuilt er in Martijn Paddings nieuwe vioolconcert White Eagle wel iets van de betere Telemann of Vivaldi. De mandolineachtige pizzicati waaraan Asko|Schönberg z’n handen vol had, wezen inderdaad richting Venetië. Uit andere streken waaide het country-achtige gefiddel over dat door soliste Heleen Hulst pront uit de snaren werd gehaald. De geest van filmcomponist Rogier van Otterloo rees op uit een naar kleurend motief. En een vondst was het gebubbel van wapperende plaatjes metaal.
Een driedelig concert, samen een kwartier, en geen vijf seconden zonder verrassing. Zo bekeken vormde Paddings vioolconcert het tegendeel van Piet-Jan van Rossums vertelling ”à la Cour des Lilas”.
Daarin kreeg de jonge sopraan Jennifer Claire van der Hart veertig minuten Franse tekst voor haar kiezen. Zingend en reciterend sloeg ze zich er wonderwel doorheen. Haar blanke terughoudendheid – op componistenverzoek? - werkte via de radiomicrofoon vermoedelijk sterker dan in de zaal.
Met Van Rossum stapten we in de Parijse metro, lijn 11. Hij liet ons meekijken door de ogen van een terminale componist bij wie de buitenwereld en het innerlijk met elkaar vervloeiden. Frase na frase draaide Van Rossum plechtige muzikale gebaren af, waarin het zoeken was naar een kern.
Met In Praise of Darkness bleef de Australische Mary Finsterer in lengte amper achter. Haar werk, de derde première van de avond, zoog echter aandacht. Finsterer kroop in het hoofd van de blinde schrijver Jorge Luis Borges, een oord waar kennelijk een gewemel heerst van pastelkleuren. Het kon een bescheiden celesta zijn, een fluisterende slagwerkriff of een klagend viooltje. Al zwaluwstaartend schiep Finsterer een zacht insisterende compositie, een schemerige binnenwereld die door vier oranje lampen in een rossige gloed werd gezet.
Asko|Schönberg o.l.v. Clark Rundell. Amsterdam, Muziekgebouw aan ’t IJ, 23 april 2009.
de Volkskrant, 25 april 2009

17 april 2009

Is Monteverdi een ziek chille componist?


✩✩✩
De koningin van het barokke ostinato heet Christina Pluhar. Uit vier basnoten in de herhaalstand trekt deze harpiste en luitspeelster hele muziekpaleizen op. Ze keek de improvisatiekunst af bij groepen als Tragicomedia en The Harp Consort, die het terrein al strijkend, tokkelend en roffelend verkenden.
Pluhars eigen club, L’Arpeggiata, werd in 2006 door het Festival Oude Muziek verwelkomd als ensemble in residence. Een van de programma’s cirkelde rond Claudio Monteverdi, de grootleverancier van liefdeshits. Zoals het operaduet ‘Pur ti miro’, loom strelend, eeuwig sensueel. Of de Lamento della ninfa, waarin de ellende van een 17de-eeuws meidje wordt doorspekt met zuchtend herencommentaar (miserella!).
In het cd-boekje vlijt platenmaatschappij Virgin zich knus tegen het Utrechtse festival aan, getuige ook het kleurige fotowerk van Marco Borggreve. Intussen levert het spel van L’Arpeggiata naast bewondering ook irritatie op.
Sopraan Nuria Real en countertenor Philippe Jaroussky trekken hun stemmen op uit roze marmer: fijn geaderd, strak gepolitoerd, met hier en daar een wulpse ronding. Alles is licht, alles glanst, en in elk plonkje schemert een voorjaarsachtig bloemenveld.
Toch luidt de vraag of Pluhar geen renaissancistisch herdersideaal loslaat op barokke grotemensenmuziek. Monteverdi was nou net de dwarskop die het goudbrokaat bespatte met flinke kledders zweet en bloed. Het ergerlijkst is de verjazzing die Pluhar soms doordrijft. Alsof je ouwe tante maar doorkakelt dat ze net een ziek chille componist heeft ontdekt.
Monteverdi: Teatro d’amore. L’Arpeggiata o.l.v. Christina Pluhar. Virgin Classics.
de Volkskrant, 16 april 2009

Modieus gekwaak


Hoe klinkt post-avantgarde van de babyboomgeneratie? Lastige vraag, waarmee je zomaar zit opgescheept na het lezen van het subsidieadvies dat de Amsterdamse Kunstraad vorig jaar uitstortte over het Holland Festival. De toonzetting is ronduit polemisch. Zij eruit of wij eruit, daar komt het in feite op neer. Op de festivalburelen aan ’t IJ zou het mankeren aan toekomstvisie. Wel heerst er een verderfelijke hang naar status. En Pierre Audi moet eindelijk eens stoppen met kwispelstaartend aan te hollen achter het elitaire kunstvolk van Edinburgh, Salzburg en Wenen.

Zo gaat het van klits klets klandere. Voordeel is wel: eindelijk is beleidsproza lezen leuk. Maar die ‘post-avantgarde van de babyboomgeneratie’ krijg ik niet door de keel. In dit verband noemt de Kunstraad twee muzieknamen: jazzsaxofonist Wayne Shorter en minimal music-goeroe Terry Riley. Met de geboortejaren 1933 en 1935 kun je die toch moeilijk onder de babyboomers scharen. En van dat ‘post-avantgarde’ begrijp ik al helemaal niks. Google mag dan een kleine drie miljoen hits opleveren, ik houd de zaken liever overzichtelijk. Of je bent ‘avant-garde’ en loopt voorop. Of je bent ‘post’, en sukkelt per definitie achteraan.

Mallotige etikettenplakkerij, dat is het. Laten de dames en heren van de Kunstraad liever op cursus gaan naar Great!, het rondetafelgesprek over de vraag wat grote kunst is – en wie dat bepaalt. Misschien steken ze iets op van Roger Scruton. De Britse filosoof beweert dat kunst opwelt uit dezelfde bron als religie. Apekool, denk je, verzonnen door iemand die het verlies van de tonaliteit nooit te boven is gekomen. Dat laatste klopt, maar toch levert Scruton een coherent en assertief verhaal dat een dam opwerpt tegen allerhande modieus en relativistisch gekwaak. Zijn waarschuwing: als een maatschappij werkelijk meent dat Bono en Bach gelijkwaardig zijn – allebei noten, toch? – dan stromen eeuwen cultuur binnen de kortste keren weg door het putje.

Grote kunst, gevestigd of experimenteel – lager moet de inzet van het Holland Festival niet zijn. Daar horen grote kunstenaars bij, jong en oud, dood of levend. Tip voor Pierre Audi: als de Duitse regisseur Christoph Schlingensief dit jaar zijn longkanker mag komen overpeinzen in zijn eigen dodenmis, dan moet er toch ook iets te verzinnen zijn voor Lorraine Hunt. De Amerikaanse mezzo bezweek in 2006 aan borstkanker. Ze zong in het Holland Festival van 2005 nog Bach, en gaf in 2004 een verbijsterend recital over liefde en dood in Ravinia, nabij Chicago. De cd ervan is net verschenen. Händel, Mozart, Brahms, Debussy – oeroude kost, maar verplicht voor de Kunstraad. Nodig die criticasters uit, verzin een stemmige mise-en-espace en zet gewoon Hunts cd op. Kunnen ze eens om iets anders huilen dan de post-avantgarde van de babyboomgeneratie.

deze column valt ook te lezen op de website van het Holland Festival

6 april 2009

Yannick renoveert Mahler


✩✩✩✩
Nadat pianist Lang Lang vanavond na een vermoedelijk blits recital zijn laatste kus de Doelen in heeft geblazen, is het in de grote zaal voorlopig even gedaan met het fijnzinnige toucher. Vijf maanden lang, tot half september, heersen hier het breekijzer en de klopboor. Na ruim veertig jaar is de Rotterdamse concertlocatie toe aan een beter klimaat, nieuwe stoelen en geavanceerde belichting.
Het betekent wel dat het Rotterdams Philharmonisch Orkest tijdelijk op de schopstoel zit. Vrijdagavond, met een jubelend ontvangen Vijfde symfonie van Mahler, zwaaiden de musici en hun chef Yannick Nézet-Séguin alvast gedag. De orkestbak van het Amsterdamse Muziektheater biedt in mei en juni soelaas tijdens Janáceks opera De zaak Makropoulos. En verder wordt het zwerven tussen Delft (Matthäus Passion) en gastoptredens elders.
Vooruitlopend op hun vernieuwde zaal hadden de Rotterdammers Mahler alvast fris gerenoveerd. Er klonk geen power-Mahler, geen frutsel-Mahler en al helemaal geen neurotische Mahler. Wel was het Adagietto om te janken zo mooi.
Tijdens zijn eerste Mahlersymfonie in Rotterdam schetste Nézet-Séguin een toondichter die zich rond 1900 met tegenzin ontworstelt aan de voorgaande eeuw. De wals, een mars, het symfonieorkest – al het vertrouwde gaat kapot en een componist zit met de brokken. Hij kan plakken wat hij wil, terugblikken tot hij een ons weegt, maar de muziek marcheert onverbiddelijk verder.
In de eerste delen toonde Nézet-Séguin hoe Mahler, tamelijk radeloos, zijn innerlijke behang aan flarden krabt. Het Adagietto bood heling, en in het slotdeel leek het aanvankelijk of alles niet meer was dan een boze droom. Allegro giocoso staat er immers, en frisch. Maar genadeloos stelde de dirigent zijn diagnose: hier hebben we te maken een componist die, hoe begrijpelijk ook, zichzelf overschreeuwt.
Verbrokkeling ging Nézet-Séguin te lijf met superlijm: even vertragen, slim plakken, en verder. Net zo bijzonder waren de orkestsecties die hun eigen koers mochten varen, zodat tussen melodielijnen een schurend contrapunt ontstond.
Mahler die omkijkt naar een dierbare, verloren eeuw – zo beschouwd was het een geniale ingeving van Janine Jansen om het geplande Vioolconcert van Dvorák in te ruilen voor Tsjaikovski’s Souvenir d’un lieu cher. Dat de violiste in de pauze best haar recentste cd wilde signeren – met daarop hetzelfde stuk – betekende winst voor iedereen.
Met intieme toon en melancholiek vibrato hield ze Yannick aan het elastiek. Succes had ook Ron Ephrat, de aanvoerder van de Rotterdamse altviolen. Als een fiedelaar in de traditie van de Appalachian Swing bereikte hij het slot van Mayke Nas’ To Hell!. Het publiek riep stijlvol terug. ‘Ji-haa!’.

Mahler, Dvorák en Nas. Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Yannick Nézet-Séguin. M.m.v. Janine Jansen (viool) en Ron Ephrat (altviool). Rotterdam, de Doelen, 3 april.
de Volkskrant, 6 april 2009

Szymanowski's mediterrane dagdroom


✩✩✩✩
Karol Szymanowski (1882-1937) schreef zijn Eerste vioolconcert in 1916 op het platteland bij Kiev. De wereldbrand ging kennelijk voorbij aan het Oekraïense geboortedorp van de Pool. Bij Frank Peter Zimmermann en het Philharmonisch Orkest van Warschau ontvouwt het stuk zich tenminste als een mediterrane dagdroom van blikkerend licht en trillende atmosfeer.
Zo zal het ook wel horen, want Szymanowski zat na te genieten van een reis die hij had ondernomen naar Sicilië en Noord-Afrika. Hij kwam er vroegchristelijke en Arabische culturen op het spoor, en zonder te vervallen in folklore ademt zijn stuk de fascinatie voor het vreemde, verre en geheimzinnige.
De componist zelf was niet ontevreden over de ‘nieuwe vorm van expressie’ die hij in de vioolpartij had gesmokkeld. De nestgeur mag dan ouderwets Romantisch zijn, het valt te begrijpen dat de Pool meende met het ijle, hoge neuriën iets nieuws te hebben gevonden. In elke noot gloeit reizigerskoorts: er valt nog zoveel te ontdekken!
De heiige orkestratiekunst doet soms denken aan die van Debussy. Zilverig maanlicht duikelde Szymanowski op in het werk van Richard Strauss. Frank Peter Zimmermann ontketent in de slotcadens een feest van fluittoon, dubbelgreep en glissando.
Met zijn Tweede vioolconcert stond Szymanowski in 1933 gewoon weer in de Oost-Europese klei. Het stuk is donkerder getimbreerd, maar onverminderd lyrisch en briljant geïnstrumenteerd. Ook hier brengt Zimmermann intervallen op spanning en goochelt hij met de timing. Even royaal is zijn toegift: het volledige vioolconcert van Benjamin Britten.
Szymanowski en Britten: vioolconcerten. Frank Peter Zimmermann (viool), div. orkesten o.l.v. Wit en Honeck. Sony.
de Volkskrant, 26 maart 2009

NIkolaj Roslavets: ongetemd of volksvriendelijk


✩✩✩
De carrière van Nikolaj Roslavets (1881-1944), een Sovjetrus uit de Oekraïne, weerspiegelt de dagkoersen van zijn tijd. Aanvankelijk werd hij opgehemeld als modernist, later terzijde geschoven als Vijand van het Volk. Buiten het componeren om verdiende Roslavets zijn brood met baantjes als conservatoriumdirecteur, staatscensor en theaterman in het verre Tasjkent.
In de mechanische ritmiek van zijn Eerste vioolconcert (1925) herken je eigentijdse ambitie. Een stuk volksvriendelijker hangt de vlag erbij in 1936. Voor de plaatpremière moest het Tweede vioolconcert wachten op Alina Ibragimova. Samen met het BBC Scottish Symphony Orchestra plaatst ze het in een sympathiek licht, maar de ongetemde Roslavets houdt de voorkeur.
Roslavets: vioolconcerten. Alina Ibragimova (viool), BBC Scottish Symphony Orchestra o.l.v. Ilan Volkov. Hyperion.
de Volkskrant, 26 maart 2009