19 oktober 2009

Klaas de Vries: 'Dit móét worden gezongen'


De ZaterdagMatinee bracht het inleidende Requiem van Wake in première, de opera waarmee Enschede in mei 2010 tien jaar vuurwerkramp herdenkt. Componist Klaas de Vries strikte de Britse succesauteur David Mitchell voor het libretto.

Het heeft een jaar geduurd voordat Klaas de Vries ‘ja’ zei tegen het verzoek van de gemeente Enschede om een opera te schrijven die in première gaat op 13 mei 2010 – tien jaar nadat een vuurwerkexplosie de wijk Roombeek heeft weggevaagd.
Zijn eerste gedachte: is een opera voor zo’n herdenking niet misplaatst? De Vries: ‘Ik las een interview met de weduwe van een brandweerman. Zij had al moeite met het stedenbouwkundig toerisme dat Roombeek tegenwoordig trekt. Moest daar ook nog muziektheater bij?’

Bovendien wist hij zo snel niet waarover het werk zou moeten gaan. Als Enschede z’n zinnen had gezet op Vuurwerkramp: de opera, dan waren ze bij Klaas de Vries (65) aan het verkeerde adres. ‘Ik wilde een volwaardige opera schrijven, geen gelegenheidswerk. Maar hoe ik ook piekerde, ik kwam niet op een geschikt idee.’

Tot hij Cloud Atlas las, de bestsellerroman uit 2004 waarin David Mitchell zes vertellingen virtuoos verknoopt. Het hoofdstuk over een Britse toondichter die neerstrijkt in Vlaanderen vond De Vries ‘invoelend geschreven’. Mitchell leek hem een muzikale denker, een man ook van de pakkende dialoog. ‘Ik dacht: als híj nou eens het libretto wilde schrijven.’

Na een lezing in Den Haag stapte De Vries op de Engelsman af. De gesprekken die volgden, rondde Mitchell steevast af met de frase: ‘but I really can’t do it’. Tot hij op een dag bij Klaas de Vries binnenwandelde en zei: ‘I’ve started the libretto!’

De componist leverde de titel: Wake, Engels-Nederlands voor ‘dodenwake’. In de eerste akte schetst Mitchell negen personages die in negen appartementen hun alledaagse leven leiden. In de tweede akte barst een ‘sonic disaster’ los - de aard daarvan blijft ongewis. Rouwverwerking tekent het slotbedrijf.

Dat Mitchell niet kon bogen op opera-ervaring vormde een risico, erkent De Vries. ‘Maar de zwakte van veel moderne libretto’s heeft hij overwonnen. Ik had steeds het gevoel: dit móét worden gezongen.’

Hoe precair het operaplan ligt, merkte het artistieke team van De Nationale Reisopera dit voorjaar. Ter oriëntatie liepen De Vries en collega’s over een braderie in Roombeek. Hun oog viel op een spandoek: ‘Wake: een grote leugen!’ De componist begrijpt de emotie die erachter zit. ‘Na alles wat er is gebeurd, zou iemand over de rug van Roombeek eventjes zijn naam komen vestigen?’

Maar eerlijk is eerlijk: dat verwijt valt Klaas de Vries moeilijk te maken. Hij verkeert immers al jaren aan de top van het Nederlandse componeren. In 1984 betekende Eréndira zijn operavuurdoop. Voor het ‘scenisch oratorium’ A King, Riding (1995) ontving hij de Matthijs Vermeulenprijs. Met zijn vrouw, de sopraan Gerrie de Vries, drijft hij De Helling, een vrijplaats voor ‘verrassend en veelzijdig muziektheater’.

Wat Klaas de Vries lastig vindt: het publiek in Enschede wordt deels gevormd door nabestaanden en overlevenden. De meesten van hen zien voor het eerst een opera - en dan meteen de hedendaagse variant. Maar toegankelijk componeren? Ten koste van wat, vraagt De Vries zich dan altijd af. ‘Ik wil niet hermetisch schrijven en zoek wel degelijk de communicatie. Maar iets anders verzinnen dan Klaas-de-Vriesmuziek, ik zou niet weten hoe het moet.’

Het eerste bedrijf wordt ‘zo bont als maar kan’. Er zit een ouderwetse machotenor in, maar ook het doobie-doo-wah van scat. Het rampbesef van het ultrakorte middendeel daagt onder de elektronische klanken van René Uijlenhoet. Voor de slotakte moest De Vries zijn ‘neiging tot complexiteit’ onderdrukken: ‘Daar spreken de Doden tot de Levenden, eenvoudig en syllabisch.’

Voor de première heeft het Enschedese gemeentebestuur collega’s uitgenodigd van steden met een recent rampverleden, zoals Madrid, Londen en New Orleans. De ambtsdragers krijgen een opera te zien die wordt ingeleid door een requiem.

‘Ach, hoe eenzaam zit zij neer, de eens zo levendige stad.’ Klaas de Vries sloeg er de Klaagliederen van Jeremia op na. Andere teksten van het openingsdeel – dat zaterdagmiddag in het Amsterdamse Concertgebouw in première gaat - komen uit het klassieke Latijnse requiem. De Vries: ‘Verslagenheid, woede, de vreemde euforie die zo’n calamiteit losmaakt - alle tegenstrijdige gevoelens komen voorbij.’

In de 18de eeuw vond hij het model voor universele dramatiek. ‘Barokmuziek geeft eerder stem aan hetverdriet dan aan jouw verdriet.’ De stenenslijpmachine bij een Haarlems bruggetje leverde de noten van een dalende boventoonreeks. ‘De stad die klaagt, het paste perfect.’

De Vries laat zijn Requiem beginnen met een zachte, hoge piccolotoon. Kleurbepalend wordt een ensemble van twee harpen, piano en cimbalom. Het orkest mokert op losse lettergrepen, het koor stamelt. ‘Met trillende kaak’, zegt de componist. ‘Alsof het de emotie maar amper de baas kan.’

de Volkskrant, 17 oktober 2009

Korenslag: Nederlands Kamerkoor en Cappella Amsterdam



Daan Verlaan bedankt Daniel Reuss (foto: Ben van Duin)


Het gebeurt zelden dat je het Nederlands Kamerkoor en Cappella Amsterdam in één concert kunt vergelijken. De vocale ensembles stralen beleefde rivaliteit uit, maar een scheef oog op z’n tijd zou niet verbazen. Het Kamerkoor, ooit alleenheerser, moet de professionalisering van zijn concurrent nauwkeurig hebben gevolgd. En omgekeerd zullen de karig betaalde freelancers van de Cappella weleens dromen van de cao-vruchten die hun loondienstcollega’s plukken.

Toch zetten ze eendrachtig hun schouders onder de Tensodagen Amsterdam, een festival voor hedendaagse koormuziek dat door burgemeester Cohen werd geopend. In het Muziekgebouw aan ’t IJ vond op hoog niveau een korenslag plaats. Of liever: een dialoog, want tenso betekent in middeleeuws Occitaans zoveel als ‘gesprek tussen zangers’.

Tot de leden van het Europese Tensonetwerk die naar Amsterdam komen, behoren het Noorse Solistkor, Accentus uit Frankrijk en het Estse Kamerkoor. Veel wordt ook verwacht van het Lets Radiokoor, dat zich afgelopen zomer tijdens de Haarlemse Koorbiënnale manifesteerde als toonbeeld van warm kloppende perfectie.

Op de openingsavond gingen Cappella Amsterdam en het Nederlands Kamerkoor de confrontatie niet uit de weg. Een nagenoeg volle zaal kon concluderen dat de Cappella profiteert van zijn vaste band met artistiek leider Daniel Reuss. Het Kamerkoor, sinds 2005 zonder chef-dirigent, laat zijn kwaliteit bewaken door koorleider Klaas Stok, maar legt zijn lot toch vooral in handen van een stoet passerende gastdirigenten.

Op het Tensofestival was dat Risto Joost, een jonge Est die in Nederland debuteert. Hij torste een zwaar programma, cirkelend rond de hymnische vervoering van Messiaens Cinq rechants en het filigraan van Jolivets Epithalame. Op ritmische finesse had Joost weinig greep, koortutti werden zelden weggeslingerd als uit één keel.

Cappella Amsterdam bleek frisser, jeugdiger, beter in balans, en voor Daniel Reuss naar alle kanten kneedbaar. Daan Verlaan deed er z’n voordeel mee in de verglijdende samenklanken, de sisgeluiden en het duivengekoer van zijn nieuwe stuk Haleine.

Veelbelovend genoeg, al had Verlaan de pech dat Ton de Leeuw hem op de hielen kwam. Car nos vignes sont en fleur: Cappella Amsterdam liet het meesterwerk openbloeien met lichte, verliefde keel, en vulde het gaandeweg met kleurige zoem-, neus- en praatklanken.

Tenso Dagen Amsterdam. Nederlands Kamerkoor o.l.v. Risto Joost. Cappella Amsterdam o.l.v. Daniel Reuss. Muziekgebouw aan ’t IJ, 15 oktober.

de Volkskrant, 17 oktober 2009

1 oktober 2009

Bartoli ontfermt zich over het castratendom


✩✩✩✩
Het is even schrikken wanneer je de nieuwe cd van Cecilia Bartoli in handen krijgt. Een toegetakeld lijf, snee op de wang, geen borsten – kwam de diva in aanraking met het mes van een dronken chirurg? Tot je beseft dat de eerste marketingtruc alvast heeft gewerkt. Het zangeressenhoofd zit gefotoshopt op een antiek marmeren beeld.

Toch speelt het mes op deze plaat een hoofdrol.‘Evviva il coltellino!’ staat er boven de alinea’s waarin Bartoli tekst en uitleg verschaft. Lang leve het mesje! Die juichkreet zou in barokke operahuizen schering en inslag zijn geweest, telkens wanneer een aria werd gezongen door een wezen dat wij niet meer kennen: de castraat.

Bartoli, eerder de redster van verguisde componisten (Salieri) en bewonderde voorgangsters (Maria Malibran), trekt zich het castratenlot aan. Sacrificium heet haar cd, in deftig Latijn. Een copywriter leverde de gouden pointe: ‘het offer van honderdduizenden knapen in naam van de muziek’. Open het cd-boekje en je ziet een schaar. Sla de bladzij om en daar is het mes. Blader verder en je raakt verzeild in een lexicon van honderd pagina’s.

Vooral in Italië waren armeluiskinderen hun lijf niet zeker. Met blijvende knapenstem belandden ze op het conservatorium, keiharde trainingsjaren voor de boeg. Een miniem percentage schopte het tot de podia of het vorstenhof. Wie geluk had kon terecht in een koor. Pechvogels belandden op de kermis of in het bordeel.

Bartoli maakt zich er bij haar exploratie van het castratendom niet met een jantje-van-leiden van af. Toegegeven, de countertenor Andreas Scholl nam ooit een cd op met aria’s voor de castraat Senesino. Mezzosopraan Vivica Genaux boog zich over de zangkunst van Farinelli. Maar alleen Cecilia Bartoli gooit er in één klap elf plaatpremières tegenaan.

In de toverwereld van de castraat vormen ademstokkend versierwerk en zoete melodieën de polen. Uitgelezen repertoire derhalve voor La Bartoli, de liefhebster van uitbundige expressie. Op haar stem dingen kenners het nodige af: compacte klank, geitachtige trillers, koortsig vibrato. Maar juist in dat niet-alledaagse laat zich een overeenkomst vermoeden met het verdwenen geluid van de castraat. Zo beschouwd komt Bartoli thuis.

De mezzo duikelde obscure componisten op als Francesco Araia en Leonardo Vinci, goed voor plichtmatige exercities. Maar als een fluwelen vlindertje fladdert ze door een aria van Leonardo Leo. Achter de smart van Carl Heinrich Graun plaatst ze een ruizig vraagteken. En wat te denken van Nicola Porpora, stiekem de hoofdpersoon van deze cd?

Porpora kneedde grote castraten als Farinelli, Caffarelli, Salimbeni, Appiani en Porporino. Tussendoor schreef hij wagonladingen vocaal werk, waaronder een stuk of vijftig opera’s. En potverdrie, hij had het in de vingers.‘Nobil onda’, edele golf, heet een pronkaria uit Porpora’s opera Adelaide. Over bronwater dat uit de rotsen spuit en een ziel die groeit bij tegenslag. Het blijkt een orgie van sproeiende strijkers, gutsend koper en Bartoli-trillers die als raketvuurwerk opklimmen.

Dat wordt een gekkenhuis, op 10 november in het Concertgebouw, wanneer Bartoli haar cd komt nazingen. Het moet raar lopen wil ze haar fans niet hypnotiseren met een van de toegiften op een bijgeleverde bonus-cd, zoals ’Ombra mai fu’, door Händel toegesneden op de stembanden van Caffarelli. Die verdiende met zijn zangkunst trouwens een fortuin. Trots noteerde de castraat boven de poort van zijn Napolitaanse palazzo: ‘Amphion bouwde Thebe, ik dit huis’. Commentaar van een grappenmaker: ‘Hij met, jij zonder.’

Sacrificium. Cecilia Bartoli (mezzosopraan). Il Giardino Armonico o.l.v. Giovanni Antonini. Decca.

de Volkskrant, 1 oktober 2009

Opera Zuid ontdekt de heks in Dido


✩✩✩✩
ZWOLLE Dido sterft niet. Tenminste, bij Opera Zuid staat ze na anderhalf uur nog fier overeind, midden op het toneel, ook al is het met gekruiste handen en de ogen toe. Haar twee kinderen lijken zich evenmin bewust van magere Hein. Onbekommerd zetten ze hun spelletje voort: bellenblazen uit een potje.

Hans Nieuwenhuis, de regisseur, onderwerpt Purcells opera Dido and Aeneas aan een rigoureuze omkering. Het stuk dat doorgaans begint met hernieuwd leven en afkoerst op een hartverscheurende dood, blijkt het nog te kunnen velen ook.

De dood steekt juist aan het begin van de avond z’n kop op. Er roffelt een omfloerste trom. Met militaire schuifelpas wordt een doodskist binnengedragen. Een voorganger roept op tot gebed. Het koor zingt treurmuziek, afkomstig uit de burial services van Purcell. Een sopraan tovert de klaagzang ‘O, let me weep’ tevoorschijn, uit Purcells opera The Fairy Queen. Trieste knipoog: in de chromatisch dalende baspartij kondigt Dido’s fameuze lamento zich alvast aan.

En pas dan is Dido and Aeneas toe aan zijn huppelende ouverture. Met de verzonnen uitvaart voor de koning van Carthago, Dido’s man, zet regisseur Nieuwenhuis de opera op scherp. Opeens draait alles om de martelende effecten van onverwerkte rouw. Het gif nestelt zich fataal tussen Dido en haar nieuwe lief, Aeneas. In Dido’s psyche huist een heks die zo’n flirt eenvoudigweg niet toestaat.

Coup de théâtre: na de eerste akte stroopt de vorstin haar mantelpakje af en verandert in de toverkol die Aeneas’ aftocht bedisselt. Catherine Daniel doorstaat die transformatie met glans. De jeugdige Canadese heeft het statige voorkomen van Michelle Obama en acteert Dido’s nood fraai uit. De mezzo is bovendien fris bij stem.

In een eenvoudig decor – wit hellend vlak, uitgekiend licht – wordt ze omringd door jonge zangers die zich via Opera Studio Nederland voorbereiden op het lastige operavak. Aeneas, bij Purcell een suffige held, krijgt van de Finse bariton Jussi Lehtipuu de juiste dosis harkerigheid. De Vlaamse Dorine Mortelmans benadrukt vooral het lelieblanke van Dido’s zus Belinda.

Het Limburgse koor van Collegium ad Mosam draait voor het 'hohoho' van de heksensabbat z’n hand niet om. Maar Purcells verraderlijke uitvaartmuziek mist raffinement. De zeemansdans en ander vertier pakt in de orkestbak van Tjalling Wijnstra uit als een feest van bibberstok en zigeunerlol.

de Volkskrant, 1 oktober 2009