5 maart 2010

Peter Stein mendelt zich omhoog


foto: Reuters

De Nederlandse Opera haalt regisseur Peter Stein naar Amsterdam voor Bartók en Dallapiccola. De voormalige burgerschrik heeft zich ontpopt tot de meester van de begrijpelijkheid. ‘Actualisering? De dood is in al die eeuwen toch niet wezenlijk veranderd?’

Peter Stein, regisseur van opera en theater, schijnt een verlegen jongen te zijn geweest. Een hakkelende en stotterende knaap uit een Duits-protestants milieu. Tot z’n 35ste kon hij naar eigen zeggen geen restaurant binnenstappen zonder rooie kop. Van die schutterigheid valt in het Amsterdamse Muziektheater weinig te traceren. Bijna een uur lang gutsen de woorden uit Steins mond, ze klotsen door de foyer en stijgen de luisteraar tot aan de lippen. Alsof elke seconde stilte met een jaar korter leven moet worden betaald.

De 72-jarige heeft er wel een verklaring voor. Die verwijst naar de monnik die de genetica op het spoor kwam met het kweken van erwtjes. ’Na ja, man mendelt sich hoch.’

Spraakwaterval Stein vertelt over de componisten Bartók en Dallapiccola. Van hun eenakters Hertog Blauwbaards burcht en Il prigioniero heeft hij een dubbelvoorstelling gemaakt, vanaf vanavond bij De Nederlandse Opera te zien. In het voorbijgaan zingt hij de lof van de Westergasfabriek, waar het Holland Festival in juni zijn Dostojevskiproject I Demoni toont. Natuurlijk belijdt hij zijn liefde voor de Griekse tragici. En de reputatie van mopperkont poetst de regisseur glanzend op.

‘Hebt u hier laatst Der fliegende Holländer gezien? Ik ben een anti-Wagneriaan, maar voel me verplicht om te wijzen op het sublieme slot van die opera. Een ronddolende schim wordt van zijn vloek verlost door een levende, liefhebbende vrouw. Innig verstrengeld rijzen ze op uit de zee, als apotheose van de geslachtelijke liefde. ‘Maar wat doet Martin Kušej, die Piesepampel van een regisseur? Hij laat ze neerknallen door de jagersman Erik. Godnogantoe, een moord uit jaloezie, dat lezen we elke dag in de krant! Hoe kun je dat stuk nou te lijf gaan met zo’n puberaal idee?’

De Duitse theaterkritiek plaatst hem allang in het behoudende kamp. De meester van de tekstgetrouwheid is hij genoemd, de erotomaan van de begrijpelijkheid, de burgerschrik die burger werd.

Bij de Münchner Kammerspiele schopten ze hem in 1968 nog op straat omdat hij geld had ingezameld voor de Vietcong. In Berlijn vormde Stein met de Schaubühne een legendarisch ensemble op collectivistische grondslag. Ook de toneelknecht en de toiletjuffrouw spraken zich uit over het repertoire. Tot op zekere hoogte dan, want al snel wierp Stein zichzelf op als ‘autoritaire democraat’. Hij startte in 1970 met Brechts revolutionaire fabel Die Mutter. Tegen de tijd dat hij was aangeland bij Tsjechovs Drie zusters, beschuldigden zijn linkse vrienden hem van ‘delicatessentheater’.

Peter Stein zet zijn vergulde uilenbrilletje op en inspecteert de scheepsbewegingen op de Amstel. Zuchtend: ‘Ik heb niets met de concepten en dramaturgieën van de hedendaagse regie. Wat die jongens op de bühne niet allemaal tonen - ik vind het puberale hoogmoed. En dan die zogenaamde ‘actualisering’. De dood is in al die eeuwen toch niet wezenlijk veranderd?’ Zijn ideaal is overzichtelijk: een acteur spreekt zijn zinnen en het lijkt alsof hij ze ter plekke verzint. Van spraak naar geste, van geste naar spraak. De man op het toneel wordt een mens, dat wil je toch als regisseur?

Hoewel, regisseur. ‘U zit tegenover een interpreet van teksten en muziek. Ik ben de saaiheid zelve, heb nooit een eigen idee. Bij opera probeer ik uit te voeren wat in de partituur staat, meer niet.’

Dus als Béla Bartók in 1911 elk van de zeven deuren in Hertog Blauwbaards burcht koppelt aan een klank- en lichtkleur, redeneert Peter Stein die synesthesie niet weg. Hij verdiept zich in het symbolisme, verbaast zich over het kleurenklavier van de Russische componist Skrjabin, en komt tot de conclusie dat het symbolisme prima samengaat met geraffineerde psychologie.

En als Luigi Dallapiccola in 1944 besluit om Il prigioniero te situeren tijdens de Spaanse Inquisitie, richt Peter Stein de blik eerst maar eens op Filips II en zijn trawant Alva. ‘In mijn jeugd leefde nog de mythe van het obscure, duistere Spanje. Zwarte gewaden, een halskraag als een molensteen. Liever dan het nazisme of stalinisme koos Dallapiccola juist dát totalitaire systeem. Daar kun je toch niet omheen?’

Pierre Boulez gaf de tip om deze eenakters te combineren. Allebei koersen ze af op de dood, zegt Stein, die de double-bill twee jaar geleden voor het eerst presenteerde in de Scala van Milaan.

‘In Hertog Blauwbaards burcht verbindt Judith zich aan een oudere man. Tegen elke waarschuwing in wil ze hem in al z’n vezels leren kennen. Ze ontdekt dat zijn vorige verhoudingen hebben geleid tot een ramp. Tot vergeten namelijk – en wie een vrouw vergeet brengt haar in mentale zin ook om. Uiteindelijk treft Judith hetzelfde lot.’

De naamloze stakker van Il prigioniero wordt onderworpen aan een nog veel sadistischer kwelling: de beul spiegelt hem de vrijheid voor, terwijl de brandstapel al smeult. Peter Stein: ‘Dat libretto is waarschijnlijk het gruwelijkste en meest uitzichtloze dat ooit is geschreven. Hoop, het enige wat een mens in nood nog heeft, blijkt te verkeren in de grootste kwelling.’

Eerder las hij het al bij de Grieken: we zijn geboren om te sterven, een uitweg bestaat niet. ‘Zo is nu eenmaal de existentie. Een kat maalt er niet om, maar ons probleem is dat wij dat heel precies beseffen.’ Theater moet die uitzichtloosheid laten zien. Maar de theatermaker die zijn vak beheerst, weet ook hoe hij de stemming laat kantelen. Zodat de kijker een besluit neemt: en tóch wil ik dit waanzinnige, paradoxale leven leven. De regisseur: ‘Angst en vrees slaan om in de bereidheid om het bestaan te accepteren zoals het is. Dat is de catharsis waarvan de tragici spraken. En zo wordt de toeschouwer een held.’

In de jaren negentig verkaste hij naar Italië. Stein huwde een actrice, kocht zich een ‘huisje in het groen’ en bouwde dat uit tot een landgoed met repetitielokaal. San Pancrazio: vorige zomer boog hij zich er met dertig acteurs over Dostojevski’s Demonen. Twaalf uur duurde de voorstelling. Het viel te overzien voor de man die eerder megaprojecten op touw had gezet rond Schillers Wallenstein-trilogie (tien uur) en Goethes onverkorte Faust (21 uur).

Wie langskomt in Umbrië kan proeven van zelfgemaakte olijfolie en abrikozenjam. ‘Jammer genoeg ben ik er zelden’, zegt Peter Stein. ‘Om die boerderij te kunnen onderhouden moet ik voortdurend op pad.’ De operawereld biedt hem graag emplooi. Na een valse start in 1976 – Stein maakte zich in Parijs uit de voeten tijdens de generale van Wagners Rheingold – oefende hij in de luwte van Cardiff op Verdi en Debussy. Later lokte Pierre Audi hem naar Amsterdam voor Schönbergs Moses und Aron (1995) en Henze’s Bassariden (2005). In Lyon wisten ze hem te strikken voor een Tsjaikovskicyclus.

Tegenwoordig staan er in Steins agenda ‘fürchterlich viel’ opera’s. In New York een Boris Godoenov. De neus van Sjostakovitsj in Zürich. En wie weet Verdi’s Macbeth in Salzburg – al moet hij daarover nog een hartig woordje spreken met de beoogde dirigent. ‘Riccardo Muti moet niet tien dagen voor de première komen mekkeren over de regie. Heel onprofessioneel. Of je doet mee, of je trekt je tijdig terug. Ik snap niet dat Pierre Audi zich in New York door hem zo heeft laten afbeulen.’

De operahuizen betalen hem goed, misschien wel teveel. ‘Ik zeg altijd: wees aardig en behandel me niet verkeerd, want dan stap ik meteen op. Ik werk alleen als ik me prettig voel, en belangrijker nog: als mijn zangers en acteurs zich prettig voelen. Ik word ervoor betaald om hun talenten te ontplooien.’

Zijn vader fabriceerde voertuigonderdelen en leverde tijdens de oorlog gewoon door. Tegelijkertijd was hij lid van de Konfessionskirche, die aanleunde tegen het verzet. Hij kwam eraf met twee jaar dwangarbeid. In 1953 verhuisde het gezin naar Frankfurt. Als pa Stein zijn rebellerende puber aan het huiswerk probeerde te zetten, kreeg hij de volle laag: waar bemoei je je mee, ík ben die oorlog niet begonnen, ík heb geen zes miljoen Joden vermoord!

Maar tot een pessimist heeft Peter Stein zich niet ontwikkeld. ‘Ik heb in 1945 het puin en de lijken op straat zien liggen. Sindsdien heerst er vrede in Europa, al 65 jaar, afgezien van die komische Restsachen in Joegoslavië. Dat is uniek in de tweeduizendjarige historie van het Avondland.’

Terugkijkend op zijn werk ziet hij vooral ‘schroot en mist’. Trots is hij hooguit op zijn vertaling van Aischylos’ Oresteia. Daarin is hij niet slecht, misschien zelfs de beste. En dan gaat het niet over de theatrale kant, maar over het begrip van het onderwerp en de kwaliteit van de vertaling. ‘Overal wordt mijn versie opgevoerd. Het levert me algauw tienduizend euro per jaar op.’ Nu zit hij te vijlen aan Oidipous te Kolonos van Sophokles. Heerlijk werk, nooit last van hartritmestoornissen of ander ongerief. ‘Het geeft me het gevoel dat ik afdaal in de fundamenten van onze beschaving. Het ontstaan van taal, van gedachten, van alles wat Europese cultuur vertegenwoordigt.’

Zijn vrouw is twintig jaar jonger en ja, het leeftijdsverschil speelt op. ‘Logisch, ik denk meer aan de dood. Ik heb het gevoel dat ik m’n leven heb geleefd en m’n zaken gedaan. Vernieuwen kan niet meer, verdiepen is het enige wat rest.’

de Volkskrant, 5 maart 2010

Suzuki danst door Bach


✩✩✩✩
Dat Jezus de weg, de waarheid en het leven is, heeft geen componist zo tastbaar weten te maken als Johann Sebastian Bach. Luister maar eens naar het motet Komm, Jesu, komm: wiegend, dansend, ja bijna walsend spreekt de gelovige zijn vertrouwen uit in de Heer. De vervoering werkt des te sterker na de vermoeide maten waarin wordt geklaagd over de saure Weg waarover zijn aardse bestaan zich voortsleept.

In Japan weten ze met die extremen wel raad. Tenminste, Bachs filiaalhouder in het Verre Oosten, Masaaki Suzuki, heeft met de retorische wendingen van het motet geen enkele moeite. Maar ook de affecten van Bachhits als Singet dem Herrn ein neues Lied en Jesu, meine Freude rollen de koorzangers van zijn Bach Collegium Japan moeiteloos over de lippen.

Een spectaculair rollende ‘r’, flink wat agressie op ‘verDAMMliches’ – barokfans die Suzuki in het verleden hebben verweten dat hij smeedt aan een smaak- en geurloze tofu-Bach, zullen het met vreugde vernemen.

Johann Sebastian Bach: motetten. Bach Collegium Japan o.l.v. Masaaki Suzuki. BIS.

de Volkskrant, 23 februari 2010

Ernst Krenek peilt het leven


foto: Klaus Barisch

✩✩✩✩
Het leven is een met warme kinderadem gevulde luchtbel, dichtte William Drummond in de 17de eeuw. Je zweeft een tijdje fijn, maar het vlies knapt onherroepelijk. Drie eeuwen later keek Franz Kafka er net een slag anders tegenaan. Voor de Tsjech was het leven een weg waarover strakke koorden staan gespannen. Lekker laag, zodat je steeds struikelt.

We kunnen de twee visies naast elkaar leggen dankzij Ernst Krenek (1900-1991), de Weense componist die in zijn eigen land entartet werd verklaard en in 1938 voorgoed de wijk nam naar Amerika. Hij kende ze uit eigen ervaring, de zweepslagen van het leven die hij sissend neer laat komen in de Sechs Motetten nach Worten von Franz Kafka. Krenek schreef de stukken eind jaren vijftig in opdracht van het RIAS Kammerchor. Dat ensemble bestaat nog steeds en heeft aan een van z’n lievelingscomponisten (opnieuw) een cd gewijd.

Daarop staat ook de Kantate von der Vergänglichkeit des Irdischen, voor sopraan, koor en piano. Het is alsof Krenek de zaken in 1932 voorvoelt: hij kiest 17de-eeuwse gedichten waarin het bloed en de wanhoop vloeien van de Dertigjarige Oorlog. Hij vindt er een expressieve stijl bij die zowel steunt op twaalftoonstechniek als Centraal-Europese zwier.

Het RIAS Kammerchor bewijst zich als een ideaal Krenekkoor: zeer verstaanbaar, en als het moet vederlicht. Dirigent Hans-Christoph Rademann diept die karakteristieken verder uit in Monteverdi’s Lamento della ninfa. Ernst Krenek maakte er een pre-authentieke bewerking van voor sopraan, mannenstemmen en piano. Om door de grond te zakken zo mooi.

Ernst Krenek: motetten. RIAS Kammerchor o.l.v. Hans-Christoph Rademann. Harmonia Mundi.

de Volkskrant, 25 februari 2010