30 juli 2010

Rihms Dionysos: met spuug aan elkaar geplakt


foto Ruth Walz

In recordtijd werd in Salzburg Dionysos in elkaar gezet, de Nietzsche-opera van Wolfgang Rihm. Bij het artistieke team sloeg soms de vertwijfeling toe. ‘Waar blijft de muziek?! Kun je hem dan niet bellen?!’

Op 6 december 2009 neemt Wolfgang Rihm een driest besluit: hij kiepert alles in de prullenbak wat hij de laatste vijftien jaar aan tekst en muziek heeft verzameld voor een opera over Nietzsche. Te veel materiaal, de creativiteit wordt doodgedrukt. De componist pakt een vel papier, zucht diep, kijkt in het niets – en hoort na een tijdje in zijn hoofd zacht vrouwengelach.

Rihm noteert: ‘Hahaha… (Leichtes Frauengelach)’. De bijbehorende noten moet hij nog vinden, maar het begin van Dionysos is gemaakt.

Krap acht maanden later zit Wolfgang Rihm (58) in Salzburg tegenover een zaal vol muziekpers zichtbaar trots te wezen. Het is dinsdagochtend 27 juli en de klus is geklaard. Sterker nog: die avond opent Dionysos het hoogwaardige opera-aanbod van de Festspiele.

Bravo voor de Duitse componist, die ruim twee uur muziektheater in nog geen halfjaar heeft voltooid. Weinig collega’s doen het hem na. Maar in het Haus für Mozart reserveert het publiek zijn luidste gejubel voor Mojca Erdmann, Johannes Martin Kränzle en Matthias Klink. Zeven weken geleden hadden ze nog geen snipper gezien, nu staan ze nietzscheaanse frases te zingen alsof ze hun hele leven niet anders hebben gedaan.

Ook voor de rest van het artistieke team was het begin juni Stunde Null. Regisseur Pierre Audi, dirigent Ingo Metzmacher en ook Jonathan Meese, het 40-jarige enfant terrible van de beeldende kunst, die is gestrikt voor de vormgeving: ze moeten wachten, wachten en wachten.

‘Toen de repetities waren begonnen’, zegt Wolfgang Rihm lachend, ‘zag ik een en al vaart en roes.’ Jonathan Meese – lang haar, Christusbaard – kan het bevestigen: ‘Voor nadenken was geen tijd. Deze opera is met spuug aan elkaar geplakt.’

Grote kans dat die improvisatorische aanpak Friedrich Nietzsche (1844-1900) zou hebben geplezierd. Hij was immers de filosoof die in de kunsten een onderscheid maakte tussen het Dionysische en het Apollinische, tussen de bruisende creatieve roes en de ordenende mechanismen van het verstand. Zijn sympathie lag bij Dionysos, de god van lichtheid en extase.

Op 3 januari 1889 zat Nietzsche in Turijn nog te schaven aan de gedichten die hij onder de titel Dionysos-Dithyramben wilde laten verschijnen. Later die dag ontrolde zich op een Turijns plein een triest tafereel: de filosoof ziet hoe een paard wordt afgeranseld, hij omhelst het dier en zinkt weg in waanzin.

‘De woorden in het libretto stammen van Nietzsche, maar de tekst is van mij’, zegt Wolfgang Rihm. Al schrijvend en componerend heeft hij uit de Dithyramben geplukt wat hij kon gebruiken. De setting van de poëzie is romantisch, met meren, eilanden en bergen, waar de dichter speurt naar waarheid en verlossing.

In de tekstmozaïeken schuilen fraaie aforismen. ‘Wie van de afgrond houdt, moet vleugels hebben.’ Sommige regels ontroeren, in het licht van de naderende gekte. ‘Dag van mijn leven! Het loopt tegen de avond!’ Ontboezemingen zijn er ook. De dichter voelt zich een dadel, bruin en sappig, die smacht naar de ‘ijskoude sneeuwwitte aanlokkelijke bijttanden’ van een meisjesmond.

Leichtes Frauengelach – op 25 mei 2010 ontvangt Ingo Metzmacher een sms’je van Wolfgang Rihm. Vijftien jaar eerder, boven een bord pasta, heeft de componist plechtig beloofd dat die Nietzsche-opera er ooit zal komen. Nu meldt het tekstbericht: ‘Fertig. W’.

Metzmacher is de katalysator van Dionysos. In een vroeg stadium neemt hij een paar sleutelfiguren in vertrouwen. Zoals Jürgen Flimm, de regisseur die in 2007 het intendantschap van de Salzburger Festspiele oppakt. En ook Pierre Audi, de man die Metzmacher in 2005 naar Amsterdam haalt voor een kortstondig gebleken chef-dirigentschap bij De Nederlandse Opera.

Metzmacher manifesteert zich bovendien als de voorstopper van het project. Hij houdt alle ballen weg van Rihm – zelfs als de eerste repetitie nadert en sommige leden van het artistieke team ten prooi vallen aan Verzweifelungsausbrüche. Tijdens het Salzburgse persgesprek geeft Jürgen Flimm een geslepen imitatie van Pierre Audi. Met hoge, nerveuze stem: ‘Waar blijft de muziek?! Kun je hem dan niet bellen?!’

Jonathan Meese bedenkt intussen het decor voor een opera die er nog niet is. De vrolijke provocateur uit Berlijn – ‘Toen ik begon, wist ik niet eens wat een libretto was!’ – gaat aan de slag met de enige steekwoorden die Rihm geeft: berg, meer, bordeel en plein. Meese leeft zich uit in heldere beeldtaal: piramides, bolvormen, kubussen en cartooneske vignetten. Ze geven enige transparantie aan een verder labyrintisch stuk.

Rihm heeft zijn Opernphantasie geplooid rond een biografisch en mythologisch geraamte. In het bordeel zou Nietzsche een druiper hebben opgelopen. En op het Zwitserse Vierwoudstedenmeer maakte hij een roeitochtje met Cosima Wagner, gehuwd met Richard, de componist die hij toen nog vurig vereerde. Wat de jonge filosoof er niet van weerhield om Cosima te bestoken met billet-doux die hij richtte aan ‘Ariadne’ en ondertekende met ‘Dionysos’.

Kennis van de klassieken strekt tot aanbeveling. Het Salzburgse premièrepubliek geeft geen krimp wanneer Mojca Erdmann, stratosferisch hoog zingend, loopt te jongleren met een lange draad. En niemand kijkt hulpeloos naar z’n buurman wanneer Nietzsche overgaat in Marsyas, de harige fluitblazer die volgens de mythe door Apollo aan de boom werd genageld en gevild.

Men beseft kennelijk ook dat je daarin een prefiguratie kunt zien van Christus aan het kruis. En dat is relevant, aangezien Nietzsche een brief aan de toneelschrijver Strindberg heeft gesigneerd met ‘Dionysos – de gekruisigde’. Waarna het slotbeeld van een pietà, gevormd door Ariadne en de gevilde huid van Nietzsche-Dionysos-Marsyas-Christus, niet uit de lucht komt vallen.

In zijn muziek toont Rihm een voorkeur voor de orkestrale eruptie. Romantische gestes (Wagner, Strauss) zijn de componist niet vreemd. Varèse heeft een stem in de slagwerksalvo’s, terwijl Bach zijn koraaltechniek uitleent als de godloochenaar Nietzsche het in al z’n ellende uitkrijt: ‘Gott helfe mir! Amen!’

‘Half af, geen meesterwerk’ luidt na de première het oordeel van de Salzburger Nachrichten. De Frankfurter Allgemeine heeft zich echter zitten vergapen aan ‘het wonder van het toneelbeeld en de toverijen in de muziek’. ‘Trionfo a Salisburgo’ noteert La Stampa kortweg.

Voor Pierre Audi is Dionysos een ‘Nietzsche-passie’, een zoektocht naar waarheid en menselijkheid die uitmondt in gekte. Met een psychologische blik valt het stuk niet te doorgronden, waarschuwt de regisseur. Rihm levert een wilde tuin, met hier een cactus en daar een edelweiss. ‘Zo’n tuin moet je laten tieren en de verrassingen die hij biedt accepteren.’

Volgend jaar juni stelt hij Dionysos voor tijdens het Holland Festival. Tot de eerste voorstellingenreeks buiten Salzburg kan er tien maanden Apollinisch worden nagedacht. Wat de vraag opwerpt of dat nog gevolgen heeft voor het roesachtig aangebrachte spuug.

de Volkskrant, 30 juli 2010

11 juli 2010

Jaroussky's stem vervliegt in de Grote Zaal


✩✩✩
Een paar jaar geleden liep hij nog onbespied rond, tegenwoordig wordt er gevochten om zijn stem. Philippe Jaroussky is de jongste revelatie uit de wereld van de countertenors, mannen die hun stembanden laten trillen in het register van een vrouwenalt. Met de heropleving van de barokopera bestaat er voor hun vak opeens heel wat emplooi.

De 32-jarige Jaroussky kent illustere voorgangers als Alfred Deller, Michael Chance en Andreas Scholl. In de Robecoserie van het Concertgebouw in Amsterdam liet hij horen dat er nog altijd ontwikkeling zit in zijn metier. Bij de Fransman resoneren de hoge noten helder en in ritmische overgangen is hij iedereen de baas.

Toch bleef er veel te raden over in de Grote Zaal. Dat lag vooral aan de akoestiek. Die zit een honderdkoppig symfonieorkest als gegoten en ook een niet te bedeesde sopraan kan er prima mee overweg. Maar een countertenor, de beoefenaar van een stemvak dat zelden uitmunt in kracht en kleur, doolt in zoveel kubieke meters al snel verweesd rond. Jaroussky’s verstaanbaarheid leed eronder. Vlugge riedels vervaagden in de mist. Het lijkt de prijs van het succes: noten die ooit door castraten met fenomenale longen de stadspaleizen en theaters in werden geblazen, dienen zich nu te voegen naar de mores van de hedendaagse concertzaal.

Daar kwam bij dat Jaroussky’s repertoire – aria’s van de Venetianen Vivaldi en Caldara – lang bleef hangen in barok formulewerk. Pas tegen het einde van de avond dook er een juweel op. Se mai senti spirarti sul volto, een prachtstuk dat vertelt over een zachte adem die strijkt langs een geliefd gelaat. Vivaldi nam de aria op in zijn opera Catone in Utica. Met tokkelende altviolen en gedempte strijkers spreidt hij een mosbodem uit waarop de solist zich smachtend wentelt. Traag, zacht en teder: hier kon Philippe Jaroussky zich laten horen van zijn profijtelijkste kant.

Zijn begeleiders, de barokveteranen van Concerto Köln, hadden ook te kampen met de nukken van de Grote Zaal. Al te vlotte tempi ontnamen een celloconcert van Vivaldi z’n scherpte, hoewel de solist, Werner Matzke, soeverein door het langzame middendeel zeilde. Het intelligentst handelde de bespeelster van de blokfluit en de traverso. In een suite uit Händels Water Music plaatste zij haar solo’s delicaat maar duidelijk, met een open oor voor de weerkaatsingen die ze zelf teweegbracht.

de Volkskrant, 7 juli 2010

Lees hier de recensie van een concert dat Jaroussky gaf in februari 2012

Het koorklavier van Sigvards Klava


✩✩✩✩✩
Sigvards Klava, de Letse koordirigent, laadt de verdenking op zich dat hij tijdens de opname van Rachmaninovs magnifieke Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos helemaal niet heeft staan zwaaien voor zijn Lets Radiokoor. Welnee, hij moet in de kathedraal van Riga hebben plaatsgenomen achter een tot nu toe onbekend instrument. Iets tussen kerkorgel en synthesizer in, we noemen het een ‘koorklavier’.

Prachtig geluid komt eruit. Gemaakt van een transparante stof die naar alle kanten uitrekbaar is. Het kleurvermogen is eindeloos. Zelfs de kleinste toefjes sopraan of bas laten zich doseren.

Balsem voor de ziel dus, precies wat Rachmaninov nodig had toen hij in de zomer van 1910 op zijn landgoed Ivanovka aan de Liturgie zat te werken. De pianist-componist blies uit van een Amerikaanse tournee. Die rondreis had hem vermoeid en geïrriteerd, ook al legde hij veel eer in met zijn nieuwe, Derde pianoconcert.

Zijn toonzetting van de Russisch-orthodoxe mistekst viel bij kerkbobo’s minder in de smaak. Hun oordeel werd misschien verhard door het feit dat alle noten Rachmaninovs stempel droegen. Hij had niet één oude kerkmelodie gebruikt, al zweeft die suggestie voortdurend boven het stuk.

In zijn zoektocht naar paradijselijk geluid vindt koordirigent Klava een genereuze bondgenoot: de kerkakoestiek. Voor de plastiek en timing van de koorklank maakt hij er kien gebruik van. Bijzondere stembanden hebben die Letten: er zit licht en lucht in, soms ook honing, maar nooit zo klef dat hij aan de tanden plakt.

Sergej Rachmaninov: Liturgie van de Heilige Johannes Chrysostomos. Lets Radiokoor o.l.v. Sigvards Klava. Ondine.

de Volkskrant, 1 juli 2010