21 augustus 2010

Isabelle Faust, vertelster van Bach


✩✩✩✩
Met cd’s van Bachs Sonates en partita’s voor soloviool kun je onderhand een gracht dempen. Recent materiaal werd aangedragen door Sergej Katsjatrian, de poëet uit Armenië, en Viktoria Mullova, de gestaalde Russin die de overstap naar authentieke darmsnaren durfde te maken.

Isabelle Faust houdt haar Stradivarius liever hedendaags bespannen. De Duitse violiste heeft twee partita’s en één sonate op haar lessenaar gezet, de helft van het solowerk dat Bach voor het instrument heeft geschreven.

Haar aanpak laat zich aanvankelijk lastig veroveren. De Tweede partita gaat lijzig van start en neigt in al z’n ernst naar het schoolse. Maar in de volgende delen staat een vertelster op die niet meer wijkt. Faust weet van uitroepen en terzijdes, anekdotes en humeuren.

Haar techniek kent niet het nonchalante gemak waarop Katsjatrian en Mullova prat gaan, maar dat maakt de virtuositeit van een Giga des te glorieuzer. Aan de Ciaccona geeft Faust het karakter van een novelle met op elke bladzij een onverwachte wending. Ook knap: in lastige arpeggioknoedels handhaaft ze de suggestie van een doorgaande melodie. En zelden kende de doorwrochte Derde sonate zo’n andere lichtval dan de galante Derde partita.

Bach: Sonates & Partitas, Harmonia Mundi
de Volkskrant, 29 juli 2010

Vladimir Ashkenazy: 'Rach' past beter dan Bach


✩✩
Het pleit voor Vladimir Ashkenazy dat hij, na Das wohltemperierte Klavier, zijn Bachexpeditie voortzet met de Zes partita’s. Welbeschouwd bungelen die er maar zo’n beetje bij in de Bachklavierwereld, ver achter de Goldbergvariaties en Die Kunst der Fuge.

Dat is natuurlijk een gotspe. Wie een lossere maar niet minder geniale Bach wil horen, moet bij de partita’s zijn. Allemandes, gigues en andere dansen pept hij grandioos op. En alleen al de zes preludes vormen een caleidoscoop van eeuwen klavierdeugd.

Op de titelpagina spreekt Bach van ‘galanterieën’. Even bescheiden voegt hij eraan toe dat hij ze heeft geschreven ‘voor de zielenvreugde van de liefhebber’. Tot die categorie rekenen we Vladimir Ashkenazy zeker. De IJslandse Rus heeft in z’n carrière sterke staaltjes musiceren ten beste gegeven, denk maar aan de pianoconcerten van Rachmaninov met het Concertgebouworkest en Bernard Haitink.

Maar ‘Rach’ past hem beter dan Bach. Het zijn geen vrolijke associaties die Ashkenazy’s spel hier oproept: logge toetsen, dikke vingers, weerspannige snaren. Het begin van een Sarabande kan sfeervol zijn – tot de linkerhand zich als een wethouder Hekking naar voren duwt. Een Gigue kan fijn ratelen – maar waarom krijgt de openingsnoot zo’n klap op de kop? Nog gezwegen van knoestige trillers, geprefabriceerde arpeggio’s en basnoten die nuffig trippelen omdat dat in barokmuziek nu eenmaal zo hoort.

Bach: Six Partitas, Decca
de Volkskrant, 29 juli 2010

Kristian Bezuidenhout voelt zich begrepen


Kristian Bezuidenhout bloost. Een seconde of twee trekt er een rossige gloed over zijn gezicht. De vraag was of hij, de fortepianist, zich wel eens laat inspireren door collega’s die Mozart en Beethoven spelen op de hedendaagse Steinway.

‘Laat ik eerlijk zijn: ik luister zelden. En áls het er een keer van komt, hoor ik antiseptische, saaie muziek. Tergend trage langzame delen, gepronk met een mooie toon, ik snap er niks van.’

De verzuchting klinkt in het Engels. De wieg van Kristian Bezuidenhout (30) stond in Zuid-Afrika; als knaap verhuisde hij naar Australië. Zijn terrein is dat van de piano’s zoals ze in de jaren rond 1800 werden vervaardigd door bouwers als Graf, Streicher en Pleyel.

Volgende week debuteert hij bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Opmerkelijk: de tonen van Mozarts Pianoconcert KV 482 stijgen dan op uit een grote glimmende Steinway. Bezuidenhout: ‘Het is en blijft een prachtmachine, je zult mij niet anders horen beweren. Bij zo’n orkest past nu eenmaal geen schuchtere fortepiano. Maar het wordt wel mijn enige Steinway-optreden van dit seizoen.’

Het debuut vormt de apotheose van een vierdelig Bezuidenhoutfestival tijdens de Robeco Zomerconcerten. Begin juli klonk Mendelssohns Tweede pianoconcert. Zaterdag geeft Bezuidenhout zijn allereerste Schubertrecital. En maandag leeft hij zich met een paar muziekvrienden uit in kwintetten van Mozart en Beethoven.

In 2001 was hij er opeens. Het Utrechtse Festival Oude Muziek had de muziekpers opgetrommeld voor een ingelast concert. In De Winkel van Sinkel werd de verse winnaar gepresenteerd van het Fortepiano Concours in Brugge.

‘Ik voelde me opeens helemaal begrepen’, zegt de pianist. ‘Drie kranten publiceerden positieve, knap geschreven recensies. Dat heeft mijn carrière geen kwaad gedaan.’

Tot dan toe hadden concoursjury’s hem er steevast in de eerste ronde uitgekieperd. Niet iedereen bleek ontvankelijk voor een Mozart die werd afgeleverd met improvisatorische zwier. Soms kreeg Bezuidenhout een welgemeend advies: als hij zo doorging zou hij het nooit ver schoppen.

Inmiddels heeft hij Mozart- en Beethovenmarathons achter de rug met Frans Brüggen en het Orkest van de Achttiende Eeuw. In 2006 hingen de verenigde Nederlandse schouwburgdirecties hem de lauwerkrans om. Vorig jaar lijfde het kwaliteitslabel Harmonia Mundi hem in.

‘Mr Bezwiedenhoed’ zeggen ze in zijn huidige woonplaats Londen. In Zuid-Afrika ging hij als ‘Kris Beseudenhout’ door het leven. Jarenlang hebben zijn ouders, een lerarenechtpaar, geknokt om het land te kunnen verlaten. ‘We woonden vlak buiten een provinciestad. Constant was er de dreiging van diefstal en geweld. Op een gegeven moment sliep mijn vader met een geweer onder het bed.’

Op z’n achtste kwam hij terecht in Gold Coast, een toeristenoord aan de oostkust van Australië. Zeven jaar later lichtte de Sunday Mail zijn lezers in over een getalenteerde jongen die piano en dwarsfluit speelde, en componeerde bovendien. ‘O jee. Ik heb inderdaad wat zitten uitproberen in de stijl van Mozart. Volksmuziekachtige Bartók ook, en postromantische fantasieën waar ik me nu diep voor schaam.’

Zijn ouders leverden heroïsche financiële inspanningen om hem te kunnen laten studeren in Amerika. Aan de Eastman School of Music maakte Malcolm Bilson, pionier van de fortepiano, hem wegwijs in de krochten van het instrument.

‘Het zoeken naar kleur en expressie op die oude klavieren vormt een uitdaging op zich’, zegt Bezuidenhout. ‘Anders dan bij een Steinway zit de schoonheid niet zo aan de oppervlakte.’

Vroeger was hij geobsedeerd door de correcte uitvoering van trillers, boogjes en accenten. Tegenwoordig mikt hij op het overbrengen van muzikale gebaren en emoties. ‘Mijn avond is geslaagd als iemand na afloop zegt dat hij in het vervolg alleen nog maar de fortepiano wil horen.’

Laatst speelde hij voor het eerst iets van Schumann: de liedcyclus Dichterliebe. Hij begeleidde de tenor Mark Padmore, dit najaar verschijnt hun cd. Met het betreden van de Romantiek ziet Kristian Bezuidenhout nieuwe vragen op zich afkomen. Zo wil hij ‘tot op de bodem’ uitzoeken hoe men destijds aankeek tegen timing.

‘Het ene themaatje sneller spelen dan het andere, luider worden terwijl je vertraagt – uit beschrijvingen maak ik op dat ze er ongelooflijk flexibel mee omgingen. Verrassend: alsof toen alles mocht wat tegenwoordig getuigt van een slechte smaak.’

de Volkskrant, 13 augustus 2010