19 december 2010

Haitink levert een vurenhouten Brahms

Jammer dat tv in 1884 nog niet bestond. Hadden we mooi de binnenkomst kunnen zien van Johannes Brahms in Paradiso. Waar nu het poppodium heerst, kerkte destijds de Vrije Gemeente. Brahms reisde aan om zijn Derde symfonie te dirigeren, maar het Amsterdamse orkest bleek een zootje. Hooguit voor het eten kwam hij nog eens terug, smaalde de componist.

Vier jaar later opende het Concertgebouw zijn deuren. Brahms zette er nooit een voet over de drempel. Toch raakte de Brahmstraditie juist daar geworteld, dankzij het Orkest dat mede werd opgericht om de schande van 1884 uit te wissen.

Een lijfstuk kun je de Derde symfonie niet noemen. De chef uit de jaren 1963-1988, Bernard Haitink, dirigeerde hem aan de Van Baerlestraat bijna 35 jaar geleden voor het laatst. Bij zijn opvolgers Chailly en Jansons dook het stuk slechts sporadisch op.

Nu, als eredirigent, hield Haitink de partituur dichtgeklapt op de lessenaar. Uit het hoofd leidde hij een uitvoering die vooral de trekken had van work in progress. De ene keer verbaasde je je over een gewiekste, met minimale gebaren voorbereide tempo-overgang. Het andere moment veroorzaakten ongelijke inzetten barstjes in de partituur. Wie een Brahms had verwacht van generfd eiken, kreeg er een van jong, nog werkend vurenhout.

Haitink presenteerde Brahms als een componist bij wie de creativiteit vonkt tussen de polen hartstocht en introspectie. De strijkers stortten hun hart uit met metalige boventonen, de blazers putten zich uit in milde filosofie. De secties troffen elkaar in een tedere beurtzang aan het begin van het Andante. Op zulke momenten toont Haitink zijn meesterschap. Hij zet de tijd stil en legt de noten onder een vergrootglas. Heldere contouren, spannende kleur.

Die aanpak sorteerde ook effect in het Eerste pianoconcert, met Emanuel Ax als solist. Aan de basis van dit stuk liggen de pogingen van Brahms om als begin-twintiger een eerste symfonie te schrijven. Na stevig knip- en plakwerk hield hij een pianoconcert over. Het openingsdeel, Allegro con brio, toont een portret van de kunstenaar als jonge hond. Brahms springt en draaft in het rond.

Voor je het weet wordt dat een bende. Haitink hield de trillers in de orkestinleiding gelukkig stevig in toom. Die van Emanuel Ax waren losser, maar dat hij wel degelijk voeling zocht bleek in deel twee. Haitink zette een blazerskoor in met twee fagotten als verleiders. Ax pikte hun tonen op, neuriede er een frase omheen en foezelde doortrapt met het ritme.

de Volkskrant, 17 december 2010

Herreweghe snijdt de neurose uit Mahler

Philippe Herreweghe is vertrokken bij Harmonia Mundi. Kennelijk wenste de Vlaming een ander pad in te slaan dan het Franse kwaliteitslabel waarvoor hij de afgelopen decennia zoveel prijzen heeft gewonnen. Onder de bedrijfsnaam  φ (phi) begint Philippe voor zichzelf.

Op zijn eerste cd staat geen Bach, geen Händel of Purcell. Ook geen Bruckner trouwens, de twijfelaar over wie de als psychiater opgeleide dirigent al jaren een biografie belooft. Herreweghes oog viel op de Vierde symfonie van Mahler.

Met diens fin-de-sièclegeest kan een zielkundige natuurlijk prima uit de voeten. Herreweghe liet het eerder horen met liederen uit Des Knaben Wunderhorn. Omtrent de Vierde symfonie stelt hij in het cd-boekje een interessante diagnose. ‘Mahlers muziek weerspiegelt de merkwaardige dromen die we hebben bij het inslapen, wanneer de wreedheid van het reële en de troost van het onmogelijke zich onontwarbaar met elkaar vervlechten.’

Geharde Mahlerianen zullen schrikken van de classicistische flair waarmee Herreweghe het eerste deel binnendanst. Alsof Mozart uit z’n graf is opgestaan, de tijdgeest opsnuift en enthousiast weer aan de slag gaat.

Het Orchestre des Champs-Élysées, spelend op historische instrumenten, geeft sublieme doorkijkjes. Hier hoor je een schalkse harpploink, daar klinkt een fagot op een plek waar je hem nooit had vermoed. Tegen een achtergrond van darmbesnaarde strijkers krijgen de blazers sowieso meer smoel.

Maar gaandeweg went de kleurenweelde en dringt zich het gevoel op dat Mahler een hersenoperatie heeft ondergaan. De neuroses zijn uit zijn brein gesneden, het innerlijke conflict is geneutraliseerd. Ook aan coördinatie schort het soms, getuige de ongelijke inzetten in deel drie. En sopraan Rosemary Joshua schiet ook al niet te hulp. Ze klinkt allesbehalve ‘heiter und kindlich’, maar eerder bibberig en gedesoriënteerd. 

Gustav Mahler: Vierde symfonie. Rosemary Joshua (sopraan), Orchestre des Champs-Elysées o.l.v. Philippe Herreweghe. Phi.

de Volkskrant, 16 december 2010

Rossini's 'Semiramide': versieren als topsport

Foto: Annemie Augustijns
ANTWERPEN Voor Rossini's belcantofestijn Semiramide heeft de Vlaamse Opera een dikke vis aan de haak geslagen. Alberto Zedda: vermoedelijk is hij de eerste sinds Rossini die elk nootje door zijn vingers heeft laten gaan. Verschil is wel dat de componist tegen z'n 40ste koos voor het rentenierschap, terwijl de 82-jarige dirigent en musicoloog nog altijd woekert en wroet.

Als geen ander weet Zedda dat Rossini's belcanto hemelsbreed verschilt van wat hedendaagse blaasbalgen ervan maken. Schuilt succes vandaag algauw in een goudomrande snik, destijds beklom men alleen de stoelen voor zangers die de complexe machinerie beheersten van de coloratuur.

Versiering als topsport: deze kunst was zowat uitgeflakkerd toen Rossini in 1823 Semiramide schreef. Nog één keer gaf hij onder uit de zak. De meester plooide zijn guirlandes rond het sneue verhaal van Semiramide, de Babylonische koningin die haar man vergiftigt en vijftien jaar later per abuis aan het zwaard wordt geprikt door haar verloren gewaande zoon.

Belcanto alla Rossini gedijt bij de paradox. De vele loopjes, trillers en arabesken vereisen een Zwitsers uurwerk in de keel. Maar het nagestreefde effect grenst juist aan nonchalante zwier. Geen wonder dat een geslaagde Rossini hooguit eens per tien jaar opduikt.

Aan uitstekende basisstemmen ontbreekt het niet in Antwerpen en Gent. Pech is wel dat de hoogtepunten zich beperken tot een handvol duetten en trio's. Vloeiend maar ook richtingloos rollen de coloraturen uit de mond van de Griekse sopraan Myrtò Papatanasiu (Semiramide). Aan haar wrekende zoon Arsace geeft Ann Hallenberg een opmerkelijk mild geluid. Voor techniek krijgt de Zweedse een tien, maar doordat de travestierol te laag ligt voor haar stem komt ze kracht te kort. Semiramides handlanger, prins Assur, houdt het bij monde van de basbariton Josef Wagner vooral beschaafd.

Van maestro Zedda hadden we een karakteristiekere kijk verwacht. De schalkse huppel, het tintelende crescendo, de strelende melodie - ze komen te weinig aan bod. Pas tegen het slot krijgt Rossini's genie ruim baan.

De enige die in Antwerpen een 'boe' moest verduren, was Nigel Lowery. Deze Britse duizendpoot bedacht de regie, het decor en de kostuums. De regisseur ontpopt zich in Semiramides onttakelde barokpaleis als een grootgrutter in overbodigheden. De gifmoord van vijftien jaar geleden wrijft hij er drievoudig in. En wie zich geen voorstelling kan maken van 's konings wraakbeluste schim, wordt geholpen met een levend lijk dat is weggelopen uit een derderangs horrorfilm.


de Volkskrant, 15 december 2010


13 december 2010

Klaus Florian Vogt splijt de wagnerianen


De ridder van de blanke stem is hij genoemd, de eigenaar van een 'goddelijk tenoraal timbre'. Niet alleen recensenten zwolgen in de 'zeldzaam expressieve voordracht' die Klaus Florian Vogt twee seizoenen terug als Lohengrin liet horen in de ZaterdagMatinee.

Vogt (40) verdient de kost als heldentenor. Velen lopen met hem weg, maar niet elke Wagnerfan laat zich paaien. Uit anonieme commentaren bij YouTube-filmpjes valt op te maken dat zijn stem de wagnerianen splijt. 'Koorknaap' noteerde de stemmenpolitie. 'Zanger zonder onderlijf'. 'Wagner moet je pas zingen NA je stembreuk.'

Klaus Florian Vogt zucht. 'Altijd maar die vakjes', zegt hij na een Parsifal-repetitie in het Muziekcentrum van de Omroep. 'Alsof Wagnerzang gepaard moet gaan met kracht en lawaai. Zo zou het mij ontbreken aan een heldische Attacke. Ik heb nog altijd geen idee wat dat betekent.'

Vogt mag zich troosten. Mede dankzij hem valt er geen stoel meer te krijgen voor de Matinee met Parsifal, de opera waarmee dirigent Jaap van Zweden vanmiddag in het Concertgebouw zijn Wagnercyclus voortzet. Radio 4 en themakanaal Cultura doen rechtstreeks verslag.

Mooi verhaal is dat: hoe Klaus Florian Vogt hoorn speelde in de Hamburger Philharmoniker; hoe hij zich tussen de schuifdeuren waagde aan Rossini's 'Kattenduet'; hoe zijn vrouw de stem ontdekte; en hoe hij al tegen de 30 liep toen hij het roer omgooide. Zijn specialisme bleek te liggen in het lyrische, plooibare, moeiteloos aandoende en toch zeer verstaanbare geluid. Daarbij klinkt hij jeugdig, wat Wagnerhelden als Lohengrin en Tristan wel zo sympathiek maakt.

Vogt brak door in 2002, toen hij als Lohengrin zijn roldebuut maakte in Erfurt. De Lohengrinrol voerde Vogt naar New York, Parsifal zong hij onder meer in Napels. Voor Korngold en Strauss haalde De Nederlandse Opera hem naar Amsterdam. En in 2007 betrad de tenor het Wagnerwalhalla Bayreuth. Daar gaf hij de frases van meesterzanger Walther von Stolzing een opvallend lichte toets.

Vogt: 'In de 19de eeuw benaderden zangers een Wagnerrol eerder lyrisch dan dramatisch. Ze wisselden hem ook gewoon af met Mozart, wat tegenwoordig niet meer schijnt te mogen. Er is een praktijk gegroeid die vloekt met de historische feiten.'

Nog zo'n beperking, vindt de tenor, is het hedendaagse denken in registers. Kopstem, middenstem, borststem - voor hem is het één geheel. 'Ik vergelijk het weleens met een snaar die je inkort of langer maakt. Eén snaar, niet steeds een andere. Zo kweek je een stem zonder registerbreuken die je naar wens inkleurt.'

In Noord-Duitsland rijdt Klaus Florian Vogt bij mooi weer op een Harley naar de repetitie. In Hilversum en Amsterdam staat deze week zijn Duitse camper geparkeerd. In zijn levensmotto roert zich de avonturier. 'Wenn nicht jetzt, wann denn dan?' - indien niet nu, wanneer dan wel? 'Ik doe graag leuke dingen en ben inderdaad nieuwsgierig.'

Toch zullen Wagnerfans nog een paar jaar moeten wachten voor ze hem kunnen zien in de rol van Tristan, Tannhäuser of Siegfried. Dat zijn helden die wel wat spierkracht kunnen gebruiken, beseft Vogt.' Als ik zulke zware partijen te vroeg had aangepakt, zat ik nu niet meer in het vak. Voor je het weet, verslijt je je stem. Gelukkig groeit mijn stem nog steeds. Over een jaar of vijf is hij hopelijk rekbaar, kleurig en expressief genoeg.'

Het komende kwartaal staat in het teken van Parsifal, de opera waarin Wagner christelijke, boeddhistische en Schopenhaueriaanse noties heeft gestopt. Na de concertante versie in het Concertgebouw wordt Klaus Florian Vogt voor geënsceneerde reeksen verwacht in Hamburg en Barcelona.

Het verraderlijke van de rol, zegt hij, schuilt in de techniek. 'Aanvankelijk zing je een naïeve, onbedorven jongeling. In de tweede acte moet je voluit, om daarna weer terug te keren naar zacht en eenvoudig. Als je er te stevig tegenaan gaat, lukt dat niet meer. Vergelijk het met een fikse bicepstraining in de sportschool. Na afloop voel je nog lang de spanning op je spier.'
de Volkskrant, 11 december 2010

Het kozakkenkoor van Marcel Nikolajevitsj Verhoeff

Marcel Verhoeff dirigeert al achttien jaar een Russisch kozakkenkoor. 'Wat ik ze kon leren? Ik benoem zaken die goed gaan, dat zijn Russen niet zo gewend.'

In 1993 kijkt Marcel Verhoeff z'n ogen uit op het kozakkenfestival van Krasnodar, diep in Zuidoost- Rusland. Bij wijze van groet zingen de bezoekers elkaar toe. Vaak weten ze na drie noten al uit welke kozakkenregio iemand stamt.

Verhoeff is erheen gereisd om tot officier te worden geslagen. Bij die plechtigheid krijgt hij een 19de-eeuwse sabel cadeau. Om een echte kozak te worden hoeft hij nu nog maar één ding te doen: zonder aanraken het limonadeglas wodka achteroverslaan dat balanceert op de platte sabelkant.

'En dat om half twaalf 's ochtends', zegt Verhoeff (54). 'Daarna moest ik toch even gaan liggen. Stonden ze een paar uur later alweer voor de deur. Eten moest ik! En 's avonds verder met dineren, dansen en feesten. Het was een barre week.'

Sindsdien stelt hij zich voor als de dirigent van het Don KosakenChor Russland, vernoemd naar de Donrivier die uitmondt in de Zwarte Zee. Vanaf vanavond toert het gezelschap voor z'n achttiende kersttournee door Nederland. Van Almere tot Heerlen en Rotterdam klinken Russisch-orthodoxe kerstmuziek, sovjetsongs en uiteraard het eeuwenoude kozakkenlied.

Bassen met kelderachtige diepten. Tenoren met een weemoedige toets. In de koffers zit de kozakkendracht met berenmuts. Folkloristisch? Jazeker. Maar, waarschuwt Verhoeff, plaats zijn mannen niet in de amateuristische hoek.

'Al mijn zangers hebben een professionele opleiding. Onze solobariton Jevgeni Polikanin staat overal ter wereld in operahuizen. En onder de instrumentalisten die meereizen zit menig conservatoriumdocent.'
De dirigent bestelt in een Breda's café warme chocolademelk. Mist en sneeuw hebben de reis vanuit zijn Zeeuwse woonplaats Wolphaartsdijk vertraagd. Kinderspel natuurlijk, zo'n Hollandse winter. 'Ik kom net uit Moskou: min 26.'

Na zijn studie zang, koor- en orkestdirectie leidde Verhoeff het Oeral Kozakkenkoor in Den Haag. In 1987 maakte hij zijn eerste studiereis naar de Sovjet-Unie. Op Europa's oostflank rolde hij van de ene gastdirectie in de andere. Moskou, Leningrad, Sofia, hij kon overal terecht.

En toen riepen de Don-kozakken. 'Wat ik ze kon leren? Om te beginnen benoem ik zaken die goed gaan, dat zijn Russen niet zo gewend. Verder stel ik me meer op als coach dan als dirigent. De zangers hebben bagage genoeg, het is mijn taak die tot het uiterste te benutten.' Als het koor tegenwoordig op de radio is, herkennen liefhebbers de klank van Marcel Nikolajevitsj. Heldere frasering, donkere kleur. En vooral veel energie.



Kozak betekent 'avonturier' of 'vrije man'. De kozakken streken neer van Siberië tot Kazachstan en vestigden gemeenschappen langs rivieren als de Don, Koeban en Amoer. Virtuoze ruiters en meedogenloze krijgers waren het. In 1813 hielpen ze nog om het Franse leger Nederland uit te ranselen.

'Dat gewelddadige imago klopt allang niet meer', zegt Verhoeff. 'Mijn zangers zijn stuk voor stuk kozak, maar ook keurige burgers. Bovendien Russisch-orthodox, dus diepgelovig. Niet voor niets beginnen we elk concert met een religieus werk.'

Na de Russische revolutie, in 1917, raakten de kozakken uit de gratie. Onder de sovjets werden ze gemarteld en vermoord. Sommigen collaboreerden met de nazi's, anderen kozen voor Vadertje Rusland. Sinds 1991, toen het Sovjetrijk sprong, rapen de kozakken de scherven van hun cultuur bij elkaar.

Het kozakkenlied is verbonden met het leven dat eeuwenlang is geleid: strijd, liefde, het boerenbestaan. Laat een kozak zingen en de remmen gaan los, weet Verhoeff. 'Zelfs bij een repetitie op maandagochtend. Die emotie toom ik niet in, ik wil hem juist ontketenen.'

Ironisch genoeg heeft het koor van het Rode Leger decennialang kozakkenmuziek gezongen. Anderzijds zet Verhoeffs koor nu voor het eerst populaire Sovjetliederen op het repertoire. 'Niet te politiek getint natuurlijk, maar wel schlagers waarvan de hedendaagse Rus zegt: fijn dat het weer mag!'

Meer dan eens traden ze op in het Moskouse Witte Huis, de zetel van de Russische regering. Op een stadionconcert in Turkije kwamen tienduizenden liefhebbers af. In Tel Aviv zongen toehoorders spontaan mee.

En op doortocht in Duitsland werd het koor door de beheerder van een benzinestation herkend. Deze bewonderaar pakte een steekwagen en schoof gratis kratten bier de bus in. 'Geloof het of niet', zegt Verhoeff, 'maar op tournee taalt niet één van mijn zangers naar alcohol. Ook daarin zijn het profs.'
de Volkskramt, 10 december 2010

6 december 2010

Chailly vindt z'n weg naar Bach

foto: Sacha Gusov
Het kan bijna niet anders of Riccardo Chailly heeft een masterclass meegepikt bij Nikolaus Harnoncourt. En anders is hij wel bij Ton Koopman op de koffie geweest. Want hoor toch eens hoe de Italiaan het Weihnachts-Oratorium binnenvalt: alsof hij de barokspecialisten op hun eigen terrein wil verslaan.

Tempo, articulatie, vaart en energie: Chailly's overstap van Amsterdam naar Leipzig heeft zijn barokbesef goed gedaan. Zijn eerste en enige Matthäus-Passion bij het Concertgebouworkest, in 1999, was een experiment met pathetische trekjes. Bachverering botste met Mengelbergaanbidding. Later, in en om de Thomaskerk, vond hij kennelijk authentiekere wegen.

Twee jaar geleden meldde de maestro dat het Weihnachts-Oratorium was uitgegroeid tot een obsessie. Inderdaad schuilt er in een kruisiging meer opera dan in een kerstkind - begrijpelijk dat de Italiaan dit voorjaar eerst maar eens begon met een Leipzigse Matthäus-cd.

Inmiddels kent het 'Jauchzet! Frohlocket!' voor hem evenmin geheimen. De solisten lijken gekozen op helderheid en eloquentie. Sopraan Carolyn Sampson maakt de oversteek vanuit de Britse oude muziek. Een trouvaille zijn de Leipzigse broers-Lattke, Martin en Wolfram, die zijn opgekweekt in het lokale Thomanerchor. In de een schuilt een welsprekende Evangelist, prachtige tenoraria's plooit de ander.

Alleen voor de koorzang mag Chailly nog weleens een sessie beleggen bij Jos van Veldhoven. Hoe je een koraal van binnenuit laat gloeien, kan de chef van de Bachvereniging precies vertellen. Verder maakt niemand de Gewandhauskapellmeister nog iets wijs.

de Volkskrant, 2 december 2010

Measha Brueggergosman heeft huiswerk

Foto: Richard Lehun
Ze verloor in twee jaar 75 kilo, onderging in juni 2009 een openhartoperatie, maar zong in februari bij de Winterspelen in Vancouver de Olympische hymne. Measha Brueggergosman: er zijn sopranen met een kalmer carrièrepad.

De gepimpte achternaam voert Measha Gosman (33) sinds haar huwelijk met de Zwitser Brügger. In 2004, bij het Internationaal Vocalistenconcours in Den Bosch, pakte ze de jury in. Wie de winnares van toen op het netvlies had, viel dinsdag in de Kleine Zaal van z'n stoel. De struise meid met exploderende krullen is nu een gestroomlijnde dame in paarlemoeren glitterjurk.

De vergelijking met Jessye Norman is bij deze Afro-Canadese snel gemaakt. Brueggergosman liet zich binnenhengelen door hetzelfde label, Deutsche Grammophon. Chic zijn ook de concertlocaties die ze bezoekt: laatst met Jaap van Zweden in Chicago, nu op weg naar Carnegie Hall. Maar een serieus gebrek kon de sopraan in Amsterdam niet verbergen. Als liedzangeres zit ze verlegen om de juiste prioriteit.

Het zijn zondagskinderen die zowel Franz Schubert peilen als Alban Berg doorgronden, die Maurice Ravel aankunnen en ook nog puf hebben voor Richard Strauss. Vooralsnog liet geen van deze componisten zich door Brueggergosman dwingen. Haar stem was één ding: die zat zichzelf in de weg met steeds hetzelfde rimpelvibrato. Dat maakte de klinkers nerveus en irriteerde algauw het oor.

Verder tilde Justus Zeyen haar niet op. De pianist verving de Brit Roger Vignoles en deed dat degelijk-Duits. Wát Schubert en Berg ook aan zilverig maanlicht en lokkend duister hadden gestopt in An der Mond en Nacht, toverij bleef achterwege.

Ravels Phidylé liep voorspoedig - tot aan de versnelling. En in Tres sonetos van Joaquín Turina stuwden humor en passie elkaar op. '¡Ah!' en '¡Ay!', kreet Brueggergosman op tien manieren - alle tien troffen doel.

Het huiswerk voor de sopraan luidt: kies het juiste repertoire. En neem daarin je talent als stand-up comedian mee. Losjes babbelde Brueggergosman de zaal richting toegift: Sure on this shining night, een prachtlied van Samuel Barber. De knop ging om, een Stem stond op. Focus, timing, kleur, ontroering - bij het sluiten van de markt kregen we het allemaal.


de Volkskrant, 3 december 2010

1 december 2010

Grawemeyer Award voor Louis Andriessen

Voor zijn opera La Commedia krijgt Louis Andriessen de prestigieuze Grawemeyer Award 2011. Ook Amerika waardeert de lefgozer uit Holland. 

foto: Francesca Patella

Honderdduizend dollar, ruim 75 duizend euro. Dat bedrag mag componist Louis Andriessen (71) tegemoetzien vanuit Louisville, Kentucky. De som is hem toegekend door de Grawemeyer Foundation. Sinds 1985 onderscheidt die stichting elk jaar een compositie uit de klassiek-hedendaagse hoek. Tot Andriessens illustere voorgangers behoren collega’s als Kaija Saariaho, John Adams en Pierre Boulez.

Andriessen ontvangt de prijs voor zijn ‘film-opera’ La Commedia, die in 2008 tijdens het Holland Festival in première ging. Een probleempje met de prijsuitreiking is er wel, meldt Andriessen. ‘Ik heb ze meteen gezegd dat ik op 14 april niet kan. Die dag krijgt mijn stuk Anaïs Nin z’n Londense première. Een ingewikkeld geval, daar móet ik bij zijn. We zoeken nu een andere datum.'

Grote kans dat de prijs Andriessen in de Verenigde Staten op een ruimer publiek komt te staan. Hij geldt als een licht provocatieve eigenheimer. ‘Zelfs op z’n zeventigste blijft hij een lefgozer’, schreef The New Yorker dit voorjaar, toen Carnegie Hall zich voorbereidde op een grootschalig Andriessenfestival. Het programma bevatte onder meer een concertante uitvoering van La Commedia.


 

Gedeelten uit Andriessens tocht door de Onderwereld, op tekst van Dante, Vondel en het Oude Testament, waren trouwens al eerder te horen aan de Amerikaanse westkust. ‘Onontkoombaar goddelijk’ concludeerde de Los Angeles Times. The New York Times had vooral oor voor de ‘dreunende, vaak slingerende opeenvolging van akkoorden die verschillende uithoeken van de onderwereld verbeelden.’

Andriessen en Amerika onderhouden al jaren een warme relatie. Wat de componist betreft begon die met de jazz van Stan Kenton en het motowngeluid van The Supremes. Later zoog het legendarische In C van Terry Riley hem de minimal music in.

Aan die repetitieve klanken - Amerika’s eerste eigen bijdrage aan de ‘serieuze’ Europese muziek - gaf Andriessen in de jaren zeventig een eigen draai met Stravinskyritmiek, rockinstrumenten en hier en daar een jazzakkoord. ‘Ik denk dat Amerikanen horen dat ik oprecht van hun muziektraditie houd’, verklaart de componist.’ Behalve erkenning leverde het hem als compositiedocent aan het Haagse conservatorium een constante stroom van Amerikaanse studenten op.

Over de besteding van het geld heeft hij hooguit een voorlopig idee. ‘Toevallig had ik voor morgen al een gesprekje staan met de musici van het Asko|Schönberg. Ik vermoed dat die bij een enkel project wel wat hulp kunnen gebruiken. Nu onze politici Amerika als gidsland hebben ontdekt, dreigt de dood in de pot. Hartstikke dom: als grote broer het doet, zal het wel goed zijn. Eeuwen cultuur stellen ze zomaar in de waagschaal.’