![]() |
| Foto: Marco Borggreve |
Bij De Nederlandse Opera leidt Lawrence Renes Het sluwe vosje van Leos Janácek. De dirigent wil zich in Nederland weer wat vaker laten zien.
AMSTERDAM Een paar maanden geleden stapte Lawrence Renes binnen bij Broekmans & Van Poppel, de cd- en bladmuziekzaak naast het Concertgebouw in Amsterdam. 'Hé', zei de eigenaar, 'dirigeer jij nog?' Ja, antwoordde Renes, hij dirigeerde nog.'Ik kon er wel om lachen. Ik had de avond ervoor in de Barbican Hall in Londen de Achtste symfonie van Sjostakovitsj gedaan. Maar ik begrijp waar de vraag vandaan kwam.'
Lawrence Renes (40) was de waaghals die in 1995 bij het Concertgebouworkest inviel voor de grieperige Riccardo Chailly. Een droomdebuut, heette de tv-documentaire waarin hij figureerde. Als 's lands jongste chef-dirigent stapte hij in 1998 op de bok bij Het Gelders Orkest. Renes werd de mediagenieke gast in tv-spelletjes, hij dook op bij Paul de Leeuw. Maar vijf jaar geleden zette hij zijn activiteiten in Nederland op een laag pitje.
'Het werd tijd voor afstand, ik had hier al zóveel gedaan. Wie z'n kind elke dag ziet, merkt amper hoe het groeit.' Met die spreuk in het achterhoofd week de dirigent uit naar Stockholm en Londen, Sydney en Los Angeles. Nederland schampte hij hooguit met een enkele gastdirectie en, in 2007, met John Adams' opera Dr Atomic. De dvd van die productie deed z'n internationale renommee allerminst kwaad.
De buitenlandse jaren, zegt Renes, hebben hem rustiger gemaakt. 'En natuurlijk hoop ik dat de luisteraar verdieping constateert.'
Dezer dagen repeteert hij met het Nederlands Philharmonisch Orkest in Amsterdam. 'Hou het stevig!', krijgen de musici van de dirigent te horen. Stap voor stap, met soepele arabesken zwaaiend, leidt Renes hen door Janáceks opera Het sluwe vosje, in de kleurrijke productie uit 2006 die morgen in Het Muziektheater in reprise gaat. Potloden komen eraan te pas: hier mezzoforte, daar piano. 'En verdeel die zevenachtste maat alstublieft in twee plus twee plus drie.'
In de dirigentenkamer zegt hij even later: 'Niets komt bij Janácek vanzelf. Wat hij noteert, grenst soms aan het onmogelijke. Zijn tijdgenoten zeiden: een briljante componist, maar instrumenteren kan hij niet. Ik noem Janácek in de beste zin van het woord naïef. Zijn muziek is zo ontzettend fris.'
Het verleden als turnjongetje valt hem nog aan te zien: slank, lenig, beweeglijk. Tot aan de puberteit was Lawrence Renes een gymnastische belofte. Het sportersparadijs Papendal lonkte, maar het thuisfront besliste anders. 'We zouden van Alkmaar naar Arnhem moeten verhuizen, dat zat er financieel niet in. Daarbij zag mijn moeder een sportcarrière niet zitten. Opeens kreeg ik volop vrije tijd. Een vriendje speelde viool, dat ben ik toen ook maar gaan doen.'
Naar een klassiek concert was hij nog nooit geweest. Hoe een orkest klonk wist hij niet. Toch zat daar Renes, op z'n veertiende, tussen de tweede violen van het Nationaal Jeugd Orkest, en liet hij zich overweldigen door Tsjaikovski's Vierde symfonie.
Orkestdirectie studeerde hij bij Ed Spanjaard, later vond hij een mentor en vriend in Edo de Waart. Als prille twintiger greep Renes elke kans aan, al moest hij ervoor naar Zagreb. 'Daar wilde tijdens de Balkanoorlog niemand heen. Ik wel, ik stond te springen.'
Tijdens een banket at hij er zijn eerste kreeft. Traag genoeg om te kunnen zien hoe het werkte 'met al die tangetjes en dingetjes'. Een van zijn tafelgenoten heette Tudzjman, hij was de Kroatische president. 'Toen ik hem vroeg naar het waarom van de oorlog, werd zijn entourage onrustig. Vervolgens hadden we wél een zinvol gesprek.'
In 2002 zei Renes Het Gelders Orkest gedag omdat er 'met een hele dikke kaasschaaf' werd bezuinigd. Hij ging in Bremen aan de slag als Generalmusikdirektor, met een symfonieorkest en een operahuis onder zich. De Tageszeitung ontwaarde meteen nieuwe perspectieven in sensibiliteit, engagement en verfijning.
Maar een jaar later sprongen er in de samenwerking al barstjes. De extra musici die Renes bij zijn aantreden kreeg toegezegd, waren nog altijd niet verschenen. Over zijn beschikbaarheid heerste verwarring. En de planning van de opera werkte traag. 'Terwijl ik tegen Seattle toch ja of nee moest kunnen zeggen tegen een Elektra voor vier seizoenen later.'
Hij vertrok in 2006 en werkt sindsdien als freelancer. Twaalf uur na de slotvoorstelling van Het sluwe vosje wordt hij voor de eerste repetities van een wereldpremière verwacht in Lissabon ('de noten druppelen binnen'). In Stockholm dirigeert hij Das Rheingold, als opmaat voor een complete Ring des Nibelungen in het Wagnerjaar 2013. En hij kijkt uit naar zijn debuut bij de Staatskapelle Dresden, een toporkest in het Mahler- en Brucknervak.
Maar een nieuw chefschap ambieert hij intussen wel. Waar, dat maakt niet zoveel uit. Als er maar groeimogelijkheden zijn: budget voor een fatsoenlijke orkestbezetting, tournees, cd-opnamen. En dan gezamenlijk toewerken naar een hogere divisie. Renes, een zelfbewuste, montere spreker: 'Ik besef dat het een ambitieus pakket is. In Nederland, met alle bezuinigingen, zit het er vermoedelijk niet in. In Azië heerst alweer een andere dynamiek.'
In Seoul wachten gillende meiden hem op bij de artiesteningang ('iedereen wil je aanraken'). In Guangzhou, de miljoenenstad naast Hong Kong, zag Renes hoe in korte tijd een operagebouw uit de grond was gestampt. 'Een orkest en zangers hadden ze nog niet, maar ze moesten toch ergens beginnen.'
Hij dirigeerde de Treurmars uit Beethovens Zevende symfonie bij het tumultueus verlopen CDA-congres, waar bedreigde omroepmusici voor de poort protesteerden. Aan de teneur van het cultuurdebat ergert Renes zich groen en geel. 'Alsof de belastingbetaler honderden miljoenen plempt in een bodemloze put en elke kunstenaar een dikke sigaar rookt.'
In werkelijkheid, zegt hij, zit Nederland voor een dubbeltje op de eerste rang. 'Mijn vrouw voert de tweede violen aan in het orkest van de Bayerische Rundfunk. Ze viel een keer in als concertmeester bij het Radio Filharmonisch Orkest, kreeg de afrekening en schrok zich een ongeluk. Ze dacht oprecht dat er een één miste voor het bedrag.'
Een paar jaar geleden zei Renes 'nee' tegen een Boris Godoenov bij de Weense Staatsopera. Het huisorkest daar heet Wiener Philharmoniker. 'Moest ik, nog geen veertig, met zó'n stuk debuteren bij zó'n instituut? Ik had ermee kunnen opscheppen, maar ik wil in mijn eigen tempo blijven groeien. En dan nog: ik kan in Wenen toch niet méér muziek maken dan hier in Amsterdam?'
de Volkskrant, 14 januari 2011

Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen