Bij Nederlandse orkesten is het deze maand een komen en gaan van jeugdige maestro's. Uit alle richtingen waait het aan: beloftevol dirigentenvolk van rond de dertig. Het Concertgebouworkest gokt op Robin Ticciati (28) en Andris Nelsons (33); het Radio Philharmonisch legt Diego Matheuz (27) op het rooster; en in Rotterdam proeven ze de nieren van Kirill Karabits en Pablo Heras-Casado (allebei 34).
De carrousel wordt aangedreven door het
wereldwijde verlangen van orkesten om zo vroeg mogelijk een band te smeden met
Haitinks of Rattles in de dop. Dan loert algauw het gevaar van de hype. Zo
bleek Robin Ticciati in Amsterdam nog niet rijp voor de topklasse. En het
Rotterdams Philharmonisch Orkest had zich vermoedelijk meer voorgesteld van
Pablo Heras-Casado, de Spanjaard die in 2007 kwam bovendrijven op het
dirigentenconcours van Luzern.
Sindsdien wil iedereen aan hem snuffelen. Dit seizoen
racet de krullenbol van première naar debuut naar invalbeurt. Laatst dook hij
op bij het Mariinski Theater in Sint-Petersburg en bij de Berliner Philharmoniker.
Het Concertgebouworkest blijft niet achter en heeft hem alvast gestrikt het
voor komende seizoen.
Eerste observatie in de Rotterdamse Doelen: Pablo
Heras-Casado zwaait zonder stokje, een overblijfsel uit zijn tijd als
koordirigent. Tweede vaststelling: de muziek vloeit door zijn lijf. In de
ruggengraat zit een lenige curve, de knieën zijn soepel geveerd.
Maar hoe expressief de gebaren ook ogen, dwang gaat er
niet van uit. Over Mendelssohns Derde symfonie, de 'Schotse', hing een
grauwsluier. Ritmiek kreeg weinig profiel, de kleurendoos bleef half dicht.
Weliswaar profiteerde het orkest van Heras-Casado's talent voor de elegant
verdampende noot, maar naar het begin daarvan was het soms gissen.
Weinig beter verging het de Chants d'Auvergne,
een stuk dat door Joseph Canteloube in 19de-eeuwse pasteltinten is gedoopt. De
zangsoliste, Maria Luigia Borsi, vlijde haar sopraanstem fraai aan tegen het
orkest. Jammer alleen dat ze het als herderinnetje en spinster zo klein en
onschuldig hield, dat raffinement rij 15 niet wist te halen.
Op de derde pleisterplaats die Heras-Casado aandeed,
Debussy’s Ibéria, liet hij merken wel degelijk kijk te hebben op
klankregie en orkestbalans. Al was ook hier het dominante gevoel: draai de
duimschroeven aan, dan vindt zo'n orkest je maar minder aardig.
Heras-Casado heeft nog nergens een vaste aanstelling als
chef-dirigent. Het Residentie Orkest, dat hem voor Nederland heeft ontdekt, zag
in hem de opvolger van Neeme Järvi. De Spanjaard zei nee. Toch lijkt dat het
beste wat hem nu kan overkomen: een gretig orkest in de luwte, waar hij uren
kan maken, vallen en opstaan, knutselen en bouwen.
Mendelssohn, Debussy, Canteloube. Rotterdams
Philharmonisch Orkest o.l.v. Pablo Heras-Casado, m.m.v. Maria Luigia Borsi
(sopraan). Rotterdam, de Doelen, 18/11.
de Volkskrant, 21 november 2011

0 reacties:
Een reactie plaatsen