30 januari 2011

Parsifal in Brussel: hoe een emmer cultuurfilosofie wordt leeggekieperd

Foto: Bernd Uhlig
BRUSSEL Als Hartmut Haenchen om zes uur in de namiddag begint aan de ouverture van Wagners Parsifal, verschijnt boven de dirigent een reusachtige foto van Friedrich Nietzsche. Zeker tien minuten hangt de filosoof te peinzen, terwijl het Brusselse Muntorkest krakend op gang komt met de leidmotieven waarin Wagner vertelt van speer, graal en verlossing.

Als vijf uur later het zaallicht aanspringt, heeft Nietzsche zich geen seconde meer vertoond. Tenzij de regisseur, Romeo Castellucci, hem heeft willen reanimeren als Klingsor, de magiër die graalridders probeert te lokken naar zijn tovertuin. Het is er een lusthof voor de liefhebbers van kunstzinnige bondage. Traag wentelen de opgetakelde bloemenmeisjes rond, met blonde pruik en afgeknelde borsten.

Over het beeld heb je bij Castellucci meestal geen klagen. De Italiaanse theatermaker heeft het Europese festivalwezen verblijd met fikkende concertvleugels en anorectische actrices. In Brussel vat hij de drie aktes van Parsifal samen in een hyperrealistisch bos, een witte schoenendoos en een stadse mensenmassa.

Maar naar de details blijft het soms gissen. Neem de slang die aan een knullig trapezerek kronkelt naast Nietzsches oor. De slang, verklapt Castellucci in het programmaboek, staat symbool voor de verleidelijke windingen van Wagners muziek. Waar zijn dramaturge met veel poeha aan toevoegt dat we ook slangenthema's als reïncarnatie, vruchtbaarheid, wijsheid, bekoring en corruptie niet uit het oog moeten verliezen.

In Brussel wordt een emmer cultuurfilosofie uitgekieperd over een opera die toch al niet verlegen zit om christelijke, boeddhistische en Schopenhaueriaanse connotaties.

Arme Hartmut Haenchen. Hij kent het stuk als zijn broekzak, hielp Parsifal in de DDR aan z'n scenische première en vierde Wagnertriomfen in Amsterdam. Nu moet hij het zien te rooien met een Italiaans team dat zich aan zijn eerste opera vertilt.

Zangers zijn zetstukken in Castellucci's verkenningen, die zich lijken toe te spitsen op twee observaties: in de massa voelt de mens zich eenzaam en het wereldraadsel cirkelt rond het geslacht van de vrouw. De actrice die het wijdbeens kwam illustreren, ving extra applaus.
Wie de ogen sloot, hoorde een Muntorkest waarin de malaise bij vlagen toesloeg in ongelijke en haperende blazers. Toen Castellucci zich in de lange verleidingsscène tussen Kundry en Parsifal even gedeisd hield, greep Hartmut Haenchen z'n kans. Rond de langste kus uit de operahistorie pakte hij uit met zinderende halftinten.

Toch haalde deze Parsifal het niet bij de glanzende concertante die Jaap van Zweden recent neerzette in Amsterdam. Onbevangen klonk Andrew Richards als Parsifal wel, maar de Amerikaan worstelde met het Duits en met de hoogte. Zijn gids, de graalridder Gurnemanz (Jan-Hendrik Rootering), raakte gaandeweg vermoeid. En Kundry, de dolende verleidster, werd door de Zweedse mezzosopraan Anna Larsson vakkundig van hysterische trekjes ontdaan.

de Volkskrant, 29 januari 2011

28 januari 2011

Glijden, stampen en kwetteren met Patricia Kopatchinskaja

Patricia Kopatchinskaja is de Moldavische violiste die bij voorkeur op blote voeten het podium betreedt. Eén karaktertrek valt moeilijk over het hoofd te zien: haar wil tot verzengen is immens. Die hartstocht kan ze kwijt op een cd die je kunt beschouwen als een eerbetoon aan de muziek van haar geboortestreek. En aan haar ouders wellicht, een cimbalomspeler en een violiste, die allebei present zijn in de opnamestudio.

Kopatchinskaja heeft haar gedrevenheid zo te horen van haar vader. Leuk verhaal: toen die boerenzoon op een akker van een maïskolf zat te snoepen, waaide er een krant voorbij. De jongen las een oproep van de muziekschool in Chisinau, die op zoek was naar nieuw talent. Hij stond op en spoedde zich naar zijn nieuwe leven.

In het cd-boekje biecht Kopatchinskaja op dat György Kurtág liever vlottere tempo's had gehoord in zijn Acht duo's voor viool en cimbalom. Wij denken: niets meer aan veranderen. Tot de categorie 'verschroeiend' behoort verder de manier waarop Kopatchinskaja met pianiste Mihaela Ursuleasa de Derde vioolsonate van George Enescu aanpakt. Het duo zet een standaard voor alle musici die de ondertitel van het stuk serieus willen nemen ('dans le caractère populaire roumain').

Voor precieuze liefhebbers is haar omgang met de Tzigane van Ravel wellicht een tikkeltje te wild. Anderzijds zal men moeten toegeven dat het verruilen van de piano voor de cimbalom nieuwe, kleurrijke horizonten opent in dit ronduit fabuleuze stuk.

En verder is het met Patricia Kopatchinskaja gewoon lekker roffelen, glijden, stampen, kwetteren en swingen in de ciocârlia, de hora, de calusari en hoe het daar in de Moldavisch-Roemeense grensstreek ook allemaal mag heten.

Rapsodia: Enescu, Ligeti, Kurtág e.a. Patricia Kopatchinskaja (viool). Naïve. 

de Volkskrant, 27 januari 2011

24 januari 2011

Opwinden en dumpen: Ravel en Poulenc bij de Reisopera


 La voix humaine: Wassenaars aplomb. Foto: Marco Borggreve
Getob, extase en gedoe: zonder het thema van de vrouw en haar minnaars zou het er in de opera een stuk saaier aan toegaan. Maurice Ravel pakte de handschoen op in 1911 en presenteerde met L'heure espagnole een erotische klucht. Francis Poulenc bekeek het vijftig jaar later van een ernstiger kant. Zijn monoloog La voix humaine klotst rond in het tranendal van de minnares die wordt gedumpt per telefoon.

Beide componisten waren van de herenliefde, wat hun observaties wellicht een objectieve glans verleent. Toch was het de Nationale Reisopera bij het koppelen van hun opera's daarom niet te doen. Met een lengte van elk nog geen uur laten de eenakters zich gewoon prima bundelen tot een volwaardige avond uit.

Voor de solorol van Elle ('zij') in La voix humaine schudt de Reisopera een diva uit de mouw: Maria Ewing. Als Carmen en Salome kent ze de krochten van de operahuizen in Londen, New York en Milaan. Ze is inmiddels 60 en heeft aan pure klank weinig ingeboet. Voor het lef waarmee ze in La voix humaine haar roldebuut maakt, past een diepe buiging.

Maar Jean Cocteaus tekst levert ze af met Wassenaars aplomb. De dictie mist raffinement, de uithalen zijn soms pathetisch ('chériiiiii...'). Zo maakt Ewing het lastig om mee te voelen met de vrouw die door een lafbek aan de dijk wordt gezet. Sterker nog: je geeft hem groot gelijk, de zwijgende tegenspeler die regisseur Laurence Dale in dit monodrama introduceert. Wegwezen hier!

L'heure espagnole: geen opwinding. Foto: Marco Borggreve

Tegenover de mechaniek van het dumpen stelt L'heure espagnole de mechaniek van de lust. Opwinden vormt het trefwoord in Ravels vrolijke eenakter. Als de klokkenmaker Torquemada voor een inspectieronde langs de uurwerken van Toledo vertrekt, krijgt zijn vrouw Concepción de kans om haar minnaars te ontvangen. In een decor van staande klokken, tandwielen en paspoppen spelen zich stoute taferelen af. In Enschede ontbreekt slechts één ding: opwinding.

Op de stemmen van Concepción (mezzosopraan Marie-Ange Todorovitch) en haar potente ezeldrijver Ramiro (bariton Craig Verm) valt weinig af te dingen. Regisseur Dale speelt de komische verwikkelingen volgens het boekje uit. Maar alleen uit de orkestbak stijgt verleiding op. Buiten het zicht van de zaal vinden het Orkest van het Oosten en dirigent Patrick Davin elkaar in een helse klus: het samensmeden van Spaanse warmte en Franse precisie.

de Volkskrant, 24 januari 2011

23 januari 2011

La voix humaine: 'Allô.... Allô!... C'est toi?... Chéri...'

Zo klonk het in 1959, bij de Parijse première van La voix humaine, de eerste opera uit de historie waarin een minnares wordt gedumpt per telefoon. 'Allô... Allô!... C'est toi?... Chéri... Chéri!...'

Aan het publiek in de Salle Favart trekt een wanhopige monoloog voorbij. Drie kwartier lang ziet men een vrouw soebatten, flemen, klagen en janken. 'Tragédie lyrique' zette de componist, Francis Poulenc, boven zijn partituur. Daarmee verwees hij naar een eeuwenoud genre. Maar de operaliefhebber die meteen zoetvloeiende aria's hoorde à la Rameau of Berlioz, kwam bedrogen uit.

Het is vaak horten en stoten in La voix humaine. Reden: het libretto, een theatertekst die Jean Cocteau al in 1930 had geschreven. Het loopt over van de beletseltekens (...). Daarin verwerkte Cocteau de stille replieken van de minnaar die meende dat hij zijn liefje met de hoorn in de hand wel even kon afpoeieren.


Bovendien had Cocteau schik in de gammele staat van het Franse telefoonsysteem. Het toch al nerveuze gesprek strandt om de haverklap op storingen, brutale centralistes en verkeerd verbonden onnozelaars ('nee, dit is niet het nummer van dokter Schmit!').

Krakkemikkigheid
Die schijnbare krakkemikkigheid heeft er wellicht voor gezorgd dat La voix humaine niet meteen z'n weg naar Nederland vond. Anne Haenen pionierde ermee in de jaren zeventig. Renata Scotto bracht het naar de ZaterdagMatinee. Tegenwoordig ruimen symfonieorkesten voor de eenakter nog weleens een halve avond in, met tafeltje, stoeltje, telefoon en zangeres.

Het spitsuur begon vorig jaar mei met Cora Burggraaf, die sterk voor de dag kwam tijdens de Operadagen Rotterdam. Komend voorjaar pakt Halina Reijn haar gelauwerde theaterversie op bij Toneelgroep Amsterdam. Eind maart brengt De Nieuwe Opera Academie het stuk op de planken in Den Haag. En vanavond begint La voix humaine in Enschede aan een voorstellingenreeks bij de Nationale Reisopera, die de eenakter combineert met L'heure espagnole van Maurice Ravel.

Een zangeres die het monodrama oppakt, weet dat ze er met haar stem alleen niet komt. Geacteerd moet er worden, en stevig ook. Het verklaart misschien waarom de rol van Elle ('zij') vooral behoort tot het domein van de rijpere diva.

De Reisopera wist Maria Ewing te verschalken. Deze Amerikaanse met Nederlandse wortels kent een grote staat van dienst. Met haar Enschedese roldebuut heeft Ewing - de moeder van filmactrice Rebecca Hall - zelfs tot haar 60ste gewacht.

Denise Duval
Poulenc kreeg destijds de naam van Maria Callas ingefluisterd. Toch prefereerde hij de strot van Denise Duval, een sopraan die was komen bovendrijven in de Folies Bergères. In de verfilmde versie van de oer-Voix zwerft ze nog rond op YouTube. Met haar aangelijnde vibrato, lichte stem en precieze dictie manoeuvreert Duval meesterlijk door het grensgebied waar zo veel zusters struikelen: dat van spreken, zingen en acteren tegelijk.


'Wat zeg je?... Je klinkt zo ver weg!...' Bij een enscenering van La voix humaine lijkt een telefoon onontkoombaar. Het ding dient niet alleen als spreekgerei, Cocteau introduceerde ook nevenfuncties als knuffel, fetisj en wurgkoord ('...ik heb jouw stem om mijn hals...').

Toch liet Halina Reijn zich door Ivo van Hove met een snoerloos geval op pad sturen. En kruipend over het podium van de Rotterdamse Doelen zag sopraan Nelly Miricioiu er in 2009 maar helemaal van af.

Terwijl Francis Poulenc er geen misverstand over laat bestaan. 'Trrrrrrrrrrr' roffelt bij hem de hoge xylofoon. Telefoon! Een andere grap die hij in petto heeft, is de schorre orkestblaf wanneer het hondje van de minnaar ter sprake komt.

Voor het overige stelt de componist er een eer in om zijn partituur te drenken in 'de grootst mogelijke orkestrale sensualiteit'. Zijn voornaamste uitdaging schuilt in de beletseltekens die als inktvraat door het libretto gaan.

Soms meet Poulenc de replieken van de tegenspeler uit met een paar tellen rust. Vaker schuift hij het orkest binnen, dat als een seismograaf de gemoedsbewegingen van Elle registreert. En dat zijn er nogal wat. Op één pagina kan de naald uitslaan van 'radeloos' naar 'ontspannen', van 'verleidelijk' naar 'zacht en vermoeid'.

Poulenc sprak over zijn telefoondrama als het 'schitterende, droevige kind' dat hij samen met Denise Duval op de wereld had gezet. Op haar beurt voorspelde de premièresopraan een grootse toekomst. 'De mens zal altijd liefhebben, lijden, huilen en zelfmoord plegen. Verdriet is overal.'

de Volkskant, 22 januari 2011

21 januari 2011

Amsterdamse jongens: Jaap van Zweden over Karel Appel

Een kwarteeuw geleden kocht Jaap van Zweden zijn eerste Appel. Op afbetaling, anders lukte het niet. Trots was hij, de jonge concertmeester van het Concertgebouworkest. Niet alleen vanwege die Appel, maar ook omdat hij de hand had weten te leggen op een doek uit 1960, zijn geboortejaar.

Inmiddels bezit Van Zweden er drie. De eerste Appel siert de living van zijn huis in het Gooi. De twee andere hangen tegenwoordig aan de muur in Dallas. Daar, in Texas, ging hij in 2008 als chef-dirigent aan de slag. Tot hij volgend jaar bij het Muziekcentrum van de Omroep vertrekt, combineert Van Zweden die post met het chefschap van het Radio Filharmonisch Orkest.

Rondom de Appels is inmiddels een bescheiden verzameling Cobrakunst gegroeid. In zijn Hollandse woonkamer wijst de dirigent op een schilderij van Anton Rooskens: vogelfiguren in primaire kleuren, niet te fel. Hij prijst de milde tinten. 'Die heb je ook vaak nodig in muziek, denk aan Debussy.' Hij wandelt door naar een tekening van Lucebert. 'Zie je? Ook weer van die zachte kleuren.'

De beeldende kunst stroomde definitief zijn leven binnen toen hij zijn vrouw leerde kennen, Aaltje van Buuren. Van oorsprong is ze tekenlerares, vorig jaar rondde ze aan de VU een studie kunsteducatie af voor kinderen met een verstandelijke beperking. Als zij meekomt weten orkesten al hoe laat het is. Aaltje draait het hele programma af, die duikt museum in en kerk uit. Denkt Jaap van Zweden eindelijk even te kunnen rusten, sleurt ze hem weer mee. 'En het gekke is: ik raak elke keer weer razend enthousiast.'

Een deel van Appels aantrekkingskracht, vermoedt hij, schuilt in hun gemeenschappelijke achtergrond. Amsterdamse jongens. 'Appels vader was kapper in Oost, mijn moeder had een zaakje in West. Ik heb hem nooit echt gesproken, wel twee keer de hand geschud. Hij sprak van dat lekkere, normale Nederlands.'

Al lopen hun kunstenaarsnaturen uiteen. Appel kon à l'improviste verf op het doek smijten, als een dirigent zwaaiend met twee armen tegelijk. Van Zweden, de workaholic, stopt met gemak twee jaar noeste arbeid in de voorbereiding van een Wagnerpartituur. 'Bij mij komen ontspanning en ontlading voort uit discipline. Je moet je zó goed voorbereiden, dat je het in de concertzaal los kunt laten.'

Op z'n zestiende vertrok hij met zijn viool naar de Juilliard School of Music in New York. Van Zweden was nog geen twintig toen hij door het Concertgebouworkest werd ingelijfd als eerste violist. Zijn start als dirigent maakte hij in 1996 bij het Orkest van het Oosten. Vlammend, uitbundig, magistraal - de recente Wagnermatinees met het Radio Filharmonisch Orkest zijn het buitenland niet ontgaan. Het moet raar lopen, fluisteren kenners, wil Van Zwedens carrière via Dallas niet voeren naar een Amerikaans of Europees toporkest.

Wat hij aan Appel vooral bewondert, is de durf: tegen alles en iedereen in je eigen gang gaan. In technisch opzicht treft hem de volheid van het materiaal. 'Appel gebruikte veel verf, kon toveren met kleur. Al heeft hij natuurlijk ook wel eens donker geschilderd. Het was niet alleen maar leukigheid.'

Bij Appel hoort hij al snel muziek van Stravinsky. Dat was ook zo'n vernieuwer, hoewel uit een andere tijd. Jammer dat Appel nooit is gevraagd om Le sacre du printemps te voorzien van decor en kostuums. 'Dat had ik hem wel zien doen. Ik heb destijds zitten genieten van zijn fantastische toneelbeeld voor Mozarts Zauberflöte bij De Nederlandse Opera.'

Het lijkt wel alsof er steeds meer Appels op de markt verschijnen. Daar zit veel fout spul tussen, als je het hem vraagt. Zelf koopt hij via Lex Daniëls van Galerie Reflex in Amsterdam. 'Dat is een vriend die ik kan vertrouwen.'

Aan zijn Appelcollectie zou Jaap van Zweden graag nog wat beeldhouwwerk toevoegen. Tot nader order blijft zijn pronkstuk in dat genre de Romeinse torso die werd opgegraven in de woestijn bij Kandahar. Datering: tweede eeuw na Christus.

'Vijftien jaar geleden liepen we over een kunstbeurs en daar stond hij. Aaltje schoot meteen vol. Vooral toen ik zei: dan kopen we hem toch. Er zijn nu eenmaal dingen in het leven, die moet je doen.'

Hoe vaker hij naar Appel kijkt, hoe groter zijn ontroering. Het kan zomaar aanvliegen, als hij in musea oog in oog komt te staan met de grote doeken. 'Ik denk dat het heeft te maken met herinnering. Je merkt dat je ouder wordt, een verleden krijgt. Maar daar raak ik niet verdrietig van. Ik vind ouder en rijper worden juist fijn.'

de Volkskrant, 21 januari 2011

18 januari 2011

Alina Ibragimova deelt knock-out uit met Bach


Wat er in klassiek Hilversum ook allemaal rommelt en broeit, van rancune kun je ze bij de ZaterdagMatinee niet betichten. Wat ging vooraf: vijf jaar geleden fulmineerden de componisten Otto Ketting en Klaas de Vries per brief in de Volkskrant over de 'triomf van de middelmaat'. Hun doelwit heette Kees Vlaardingerbroek, de artistiek leider die zojuist bij de omroepserie naar voren was geschoven.

Maar zie: zaterdag prijkte van Otto Ketting de Eerste symfonie op het program. Hij voltooide het stuk in 1959, toen hij als 23-jarige trompettist nog de kost verdiende in het Haagse Residentie Orkest. Twee jaar later stapte Ketting ermee naar Karl Amadeus Hartmann. De Münchense componist had het snel gezien: wat kon hij zijn jonge bewonderaar nog leren?

Ketting had Hartmann onder meer gekozen vanwege diens studietijd bij Anton Webern, die weer close was geweest met Alban Berg. In deze Weense biotoop wortelt ook Kettings Eerste symfonie, een fraai stuk dat zich laat beluisteren als het in weemoed gemarineerde werk van een progressieve twintiger.

Van Hartmann zelf klonk het Concerto funebre. In dit concert voor viool en strijkorkest treurt de fervente anti-nazi in 1939 om de ellende die nog moet komen. Later haalt Hartmann zijn trieste gelijk in de pianosonate 27. April 1945, de dag waarop het leegstromende Dachau voorbijschuifelt aan zijn raam.

Een klagende viool, een strijkorkest dat stut en troost en gloeit - zie dan maar onberoerd te blijven. Al helemaal als Alina Ibragimova zich ermee bemoeit. Deze Russische is pas 25, heeft geen shoah gekend, maar bespeelt haar snaren met een sprakeloos makende empathie.

Met een Bachtoegift deelde ze de knock-out uit. Slikken en snuiten vormden de enige remedie tegen het Andante uit de Tweede solosonate, een stille meditatie op gestreelde basnoten.

In Bartóks Concert voor orkest heerste evenmin de 'triomf van de middelmaat'. Het Radio Filharmonisch Orkest hield zich fier staande in een stuk dat de orkestrale veelkleurigheid en virtuositeit thematiseert. Alleen dirigent Carlo Rizzi stelde teleur. De Italiaanse operacrack zwaaide correct, maar bleek geen magiër.

de Volkskrant, 17 januari 2010

14 januari 2011

Zonden van de oude dag: Haitinks Beethoven

Dertig jaar geleden gold de Beethovencyclus als het domein van duffe orkesten die niks wisten te verzinnen. Tegenwoordig lijkt zo'n integrale weer helemaal in. En dan vooral onder dirigenten die hun gouden jaren niet met klaverjassen willen verkwanselen.

Neem Frans Brüggen (76). Met zijn Orkest van de Achttiende Eeuw jaagt hij er de komende herfst in Rotterdam in één week alle negen Beethovensymfonieën doorheen. Bernard Haitink (81) pakt het bedaarder aan. Hij voert de iconen van het orkestverspreid over twee seizoenen uit in Parijs en Amsterdam.

Haitink vond zijn trawanten in het Chamber Orchestra of Europe, het los-vaste gezelschap dat in 1981 voortkwam uit het Jeugdorkest van de Europese Unie. Na de aftrap, met de symfonieën Vijf en Acht, golfden geklater en geroffel door de Grote Zaal. Zaterdag, wanneer de nummers Twee en Drie worden uitgediept, zal het niet anders gaan. Haitink, de voormalige chef van het Concertgebouworkest behoort immers tot het slag musici dat juichkreten losmaakt, nog voordat er ook maar één noot heeft geklonken.

Het zal hem sterken in zijn missie. Ooit beweerde de dirigent dat hij 'niet zo geïnvolveerd' was in Beethoven. De opnamen van twee eerdere cycli wilde hij vanwege de 'imposante, zware klank' en 'langzame tempi' zelfs het liefst vergeten.

Nu blijkt hij de symfonieën aan te pakken met de bravoure van de oude dag. Haitink wekt de indruk dat hij niets heeft te verliezen. Het slotdeel van de Achtste stoof er onder zijn handen met kwetterende snaren vandoor. En na een toch al pittig claxonmoment in de finale van de Vijfde zette hij een versnelling in van draaiorgelachtige allure.

Aan de strijkers viel de marsorder voor de Beethovenavond goed te horen: ga geen risico uit de weg. Liever een rauwe kreet dan een maagdelijk gilletje. Het Chamber Orchestra of Europe moest al zijn reserves aanspreken. De hoorns legden bijna het loodje.

Wie potige accenten aanbrengt en het fortissimo niet schuwt, deelt met hedendaags hout, snaren en koper al gauw een doodsklap uit. Met Beethoven is Haitink dan ook toe aan een volgende stap. Geef hem een tovertuin vol transparante kleur, zonder dat hij concessies hoeft te doen in dramatiek. Met andere woorden: kan hij het authentieke clubje van Frans Brüggen niet eens lenen?

de Volkskrant, 14 januari 2011

Lawrence Renes meldt zich opnieuw

Foto: Marco Borggreve

Bij De Nederlandse Opera leidt Lawrence Renes Het sluwe vosje van Leos Janácek. De dirigent wil zich in Nederland weer wat vaker laten zien.

AMSTERDAM Een paar maanden geleden stapte Lawrence Renes binnen bij Broekmans & Van Poppel, de cd- en bladmuziekzaak naast het Concertgebouw in Amsterdam. 'Hé', zei de eigenaar, 'dirigeer jij nog?' Ja, antwoordde Renes, hij dirigeerde nog.

'Ik kon er wel om lachen. Ik had de avond ervoor in de Barbican Hall in Londen de Achtste symfonie van Sjostakovitsj gedaan. Maar ik begrijp waar de vraag vandaan kwam.'

Lawrence Renes (40) was de waaghals die in 1995 bij het Concertgebouworkest inviel voor de grieperige Riccardo Chailly. Een droomdebuut, heette de tv-documentaire waarin hij figureerde. Als 's lands jongste chef-dirigent stapte hij in 1998 op de bok bij Het Gelders Orkest. Renes werd de mediagenieke gast in tv-spelletjes, hij dook op bij Paul de Leeuw. Maar vijf jaar geleden zette hij zijn activiteiten in Nederland op een laag pitje.

'Het werd tijd voor afstand, ik had hier al zóveel gedaan. Wie z'n kind elke dag ziet, merkt amper hoe het groeit.' Met die spreuk in het achterhoofd week de dirigent uit naar Stockholm en Londen, Sydney en Los Angeles. Nederland schampte hij hooguit met een enkele gastdirectie en, in 2007, met John Adams' opera Dr Atomic. De dvd van die productie deed z'n internationale renommee allerminst kwaad.

De buitenlandse jaren, zegt Renes, hebben hem rustiger gemaakt. 'En natuurlijk hoop ik dat de luisteraar verdieping constateert.'

Dezer dagen repeteert hij met het Nederlands Philharmonisch Orkest in Amsterdam. 'Hou het stevig!', krijgen de musici van de dirigent te horen. Stap voor stap, met soepele arabesken zwaaiend, leidt Renes hen door Janáceks opera Het sluwe vosje, in de kleurrijke productie uit 2006 die morgen in Het Muziektheater in reprise gaat. Potloden komen eraan te pas: hier mezzoforte, daar piano. 'En verdeel die zevenachtste maat alstublieft in twee plus twee plus drie.'

In de dirigentenkamer zegt hij even later: 'Niets komt bij Janácek vanzelf. Wat hij noteert, grenst soms aan het onmogelijke. Zijn tijdgenoten zeiden: een briljante componist, maar instrumenteren kan hij niet. Ik noem Janácek in de beste zin van het woord naïef. Zijn muziek is zo ontzettend fris.'

Het verleden als turnjongetje valt hem nog aan te zien: slank, lenig, beweeglijk. Tot aan de puberteit was Lawrence Renes een gymnastische belofte. Het sportersparadijs Papendal lonkte, maar het thuisfront besliste anders. 'We zouden van Alkmaar naar Arnhem moeten verhuizen, dat zat er financieel niet in. Daarbij zag mijn moeder een sportcarrière niet zitten. Opeens kreeg ik volop vrije tijd. Een vriendje speelde viool, dat ben ik toen ook maar gaan doen.'

Naar een klassiek concert was hij nog nooit geweest. Hoe een orkest klonk wist hij niet. Toch zat daar Renes, op z'n veertiende, tussen de tweede violen van het Nationaal Jeugd Orkest, en liet hij zich overweldigen door Tsjaikovski's Vierde symfonie.

Orkestdirectie studeerde hij bij Ed Spanjaard, later vond hij een mentor en vriend in Edo de Waart. Als prille twintiger greep Renes elke kans aan, al moest hij ervoor naar Zagreb. 'Daar wilde tijdens de Balkanoorlog niemand heen. Ik wel, ik stond te springen.'

Tijdens een banket at hij er zijn eerste kreeft. Traag genoeg om te kunnen zien hoe het werkte 'met al die tangetjes en dingetjes'. Een van zijn tafelgenoten heette Tudzjman, hij was de Kroatische president. 'Toen ik hem vroeg naar het waarom van de oorlog, werd zijn entourage onrustig. Vervolgens hadden we wél een zinvol gesprek.'

In 2002 zei Renes Het Gelders Orkest gedag omdat er 'met een hele dikke kaasschaaf' werd bezuinigd. Hij ging in Bremen aan de slag als Generalmusikdirektor, met een symfonieorkest en een operahuis onder zich. De Tageszeitung ontwaarde meteen nieuwe perspectieven in sensibiliteit, engagement en verfijning.

Maar een jaar later sprongen er in de samenwerking al barstjes. De extra musici die Renes bij zijn aantreden kreeg toegezegd, waren nog altijd niet verschenen. Over zijn beschikbaarheid heerste verwarring. En de planning van de opera werkte traag. 'Terwijl ik tegen Seattle toch ja of nee moest kunnen zeggen tegen een Elektra voor vier seizoenen later.'

Hij vertrok in 2006 en werkt sindsdien als freelancer. Twaalf uur na de slotvoorstelling van Het sluwe vosje wordt hij voor de eerste repetities van een wereldpremière verwacht in Lissabon ('de noten druppelen binnen'). In Stockholm dirigeert hij Das Rheingold, als opmaat voor een complete Ring des Nibelungen in het Wagnerjaar 2013. En hij kijkt uit naar zijn debuut bij de Staatskapelle Dresden, een toporkest in het Mahler- en Brucknervak.

Maar een nieuw chefschap ambieert hij intussen wel. Waar, dat maakt niet zoveel uit. Als er maar groeimogelijkheden zijn: budget voor een fatsoenlijke orkestbezetting, tournees, cd-opnamen. En dan gezamenlijk toewerken naar een hogere divisie. Renes, een zelfbewuste, montere spreker: 'Ik besef dat het een ambitieus pakket is. In Nederland, met alle bezuinigingen, zit het er vermoedelijk niet in. In Azië heerst alweer een andere dynamiek.'

In Seoul wachten gillende meiden hem op bij de artiesteningang ('iedereen wil je aanraken'). In Guangzhou, de miljoenenstad naast Hong Kong, zag Renes hoe in korte tijd een operagebouw uit de grond was gestampt. 'Een orkest en zangers hadden ze nog niet, maar ze moesten toch ergens beginnen.'

Hij dirigeerde de Treurmars uit Beethovens Zevende symfonie bij het tumultueus verlopen CDA-congres, waar bedreigde omroepmusici voor de poort protesteerden. Aan de teneur van het cultuurdebat ergert Renes zich groen en geel. 'Alsof de belastingbetaler honderden miljoenen plempt in een bodemloze put en elke kunstenaar een dikke sigaar rookt.'

In werkelijkheid, zegt hij, zit Nederland voor een dubbeltje op de eerste rang. 'Mijn vrouw voert de tweede violen aan in het orkest van de Bayerische Rundfunk. Ze viel een keer in als concertmeester bij het Radio Filharmonisch Orkest, kreeg de afrekening en schrok zich een ongeluk. Ze dacht oprecht dat er een één miste voor het bedrag.'

Een paar jaar geleden zei Renes 'nee' tegen een Boris Godoenov bij de Weense Staatsopera. Het huisorkest daar heet Wiener Philharmoniker. 'Moest ik, nog geen veertig, met zó'n stuk debuteren bij zó'n instituut? Ik had ermee kunnen opscheppen, maar ik wil in mijn eigen tempo blijven groeien. En dan nog: ik kan in Wenen toch niet méér muziek maken dan hier in Amsterdam?'

de Volkskrant, 14 januari 2011