| |
| dirigent Claudio Cavina |
Dat is schrikken. Staat Monteverdi's prachtopera
Il ritorno d'Ulisse in patria tijdens de Robeco Zomerconcerten in het Concertgebouw, biedt de Grote Zaal de aanblik van een Noordzeestrand op een frisse zomerdag. Reuring genoeg, maar bij lange na niet vol.
De statuur van de musici speelt in de lauwe belangstelling mogelijk een rol. Barokkenners lopen weg met het ensemble La Venexiana, maar buiten het oudemuziekcircuit sorteren de Italianen hooguit een wazige blik. En doorgewinterde operafans misten onder de solisten natuurlijk een Grote Naam.
De groep van dirigent Claudio Cavina zong z'n reputatie bij elkaar met het Italiaanse madrigaal. Die wonderwereld uit de 16de en 17de eeuw werd in de jaren 1990 wakker gekust door Rinaldo Alessandrini en Concerto Italiano. Hun warmbloedige kijk op muziek en poëzie vond her en der navolgers.
Met opnamen van Monteverdi's madrigaalboeken heeft La Venexiana inmiddels een prijzenkast gevuld. Of dat met de drie overgeleverde opera's ook lukt, is de vraag. De verstrengeling van pakweg vijf zangers in een madrigaal stelt nu eenmaal andere eisen dan de bloedstollende voordracht van een aria in je eentje.
En daar komt het wel op aan, in Monteverdi's vertelling van Odysseus (Ulisse), de held die na twintig jaar zwerven door Neptunus wordt neergekwakt op het thuisstrand van Ithaka, waarna hij de belagers van zijn vrouw Penelope het paleis uit gooit.
'Slaap ik nog of ben ik wakker?', zingt de held wanneer hij op de vloedlijn zijn ogen opent. Die vraag hebben de Italiaanse musici zichzelf vermoedelijk ook gesteld. Zondagochtend om vier uur waren ze op het vliegtuig naar Nederland gestapt, om na een misverstand met hun hotel de godganse dag in het Concertgebouw te moeten bivakkeren.
Slaapgebrek zou de doffe tint van hun prestaties kunnen verklaren. In de Grote Zaal, voor bescheiden barokstemmen toch al een bezoeking, vielen in de bijrollen registerbreuk en valsheid te noteren. Aan Ulisse gaf de Italiaanse tenor Mirko Guadagnini de laagte van een held, maar de hoogte van een twijfelaar. Bij Oksana Lazareva, een Siberische alt, bleef Penelope vooral onmachtig broeden.
Alleen de stem van Roberta Mameli wist te stralen; de sopraan kwam zich als Minerva met het ondermaanse bemoeien. Tenor Luca Dordolo speelde de stotterende veelvraat Iro keurig uit. Neptunus, de zeegod, deed via Salvo Vitale bulderend wat hij moest doen. En dirigent Claudio Cavina bewees zijn kwaliteit vooral in de ritornelli. Die instrumentale tussenspelen kneedde hij als warme was.
Monteverdi: Il ritorno d’Ulisse in patria. La Venexiana o.l.v. Claudio Cavina. Amsterdam, Concertgebouw, 3 juli
de Volkskrant, 5 juli 2011