De stem van de Spaanse sopraan Montserrat Figueras, die
vandaag op 69-jarige leeftijd in Barcelona overleed, staat bij generaties
oude-muziekliefhebbers in de oren gegrift. De zangeres klonk altijd warm en een
tikje melancholisch, tot in de ziel betrokken bij de teksten die ze zong. Vanaf
de jaren zeventig behoorde ze tot de pioniers die muziek uit voorbije eeuwen op
de lessenaars zetten. In het Utrechtse Festival Oude Muziek was ze vaak te
gast.
Montserrat Figueras was getrouwd met de Catalaanse viola
da gamba-speler Jordi Savall. In 1974 richtten ze samen het ensemble Hespèrion
XX op. De groep maakte voor het label EMI Reflexe een serie spraakmakende
opnamen van onder meer Spaanse barokmuziek. In 1998 begon het echtpaar een
eigen label. Sindsdien vloeit een gestage stroom cd’s de wereld in, vaak in
luxe boekwerken verpakt.
Na haar klassieke opleiding overwoog Figueras te stoppen.
'In de zangkunst is zoveel ruimte voor onnatuurlijkheid, voor maniertjes', zei
ze in 1998 tegen het Tijdschrift Oude Muziek. Ze kwam uit de crisis toen ze in
Barcelona de Britse countertenor Alfred Deller hoorde. In haar beginjaren
werkte Figueras geregeld samen met Ton Koopman. Ze heeft ruim zestig cd's
opgenomen, met repertoire dat reikt van troubadourliederen tot muziek uit de
Sefardische diaspora.
Bij Nederlandse orkesten is het deze maand een komen en
gaan van jeugdige maestro's. Uit alle richtingen waait het aan: beloftevol dirigentenvolk van rond de dertig. Het
Concertgebouworkest gokt op Robin Ticciati (28) en Andris Nelsons (33); het
Radio Philharmonisch legt Diego Matheuz (27) op het rooster; en in Rotterdam
proeven ze de nieren van Kirill Karabits en Pablo Heras-Casado (allebei 34).
De carrousel wordt aangedreven door het
wereldwijde verlangen van orkesten om zo vroeg mogelijk een band te smeden met
Haitinks of Rattles in de dop. Dan loert algauw het gevaar van de hype. Zo
bleek Robin Ticciati in Amsterdam nog niet rijp voor de topklasse. En het
Rotterdams Philharmonisch Orkest had zich vermoedelijk meer voorgesteld van
Pablo Heras-Casado, de Spanjaard die in 2007 kwam bovendrijven op het
dirigentenconcours van Luzern.
Sindsdien wil iedereen aan hem snuffelen. Dit seizoen
racet de krullenbol van première naar debuut naar invalbeurt. Laatst dook hij
op bij het Mariinski Theater in Sint-Petersburg en bij de Berliner Philharmoniker.
Het Concertgebouworkest blijft niet achter en heeft hem alvast gestrikt het
voor komende seizoen.
Eerste observatie in de Rotterdamse Doelen: Pablo
Heras-Casado zwaait zonder stokje, een overblijfsel uit zijn tijd als
koordirigent. Tweede vaststelling: de muziek vloeit door zijn lijf. In de
ruggengraat zit een lenige curve, de knieën zijn soepel geveerd.
Maar hoe expressief de gebaren ook ogen, dwang gaat er
niet van uit. Over Mendelssohns Derde symfonie, de 'Schotse', hing een
grauwsluier. Ritmiek kreeg weinig profiel, de kleurendoos bleef half dicht.
Weliswaar profiteerde het orkest van Heras-Casado's talent voor de elegant
verdampende noot, maar naar het begin daarvan was het soms gissen.
Weinig beter verging het de Chants d'Auvergne,
een stuk dat door Joseph Canteloube in 19de-eeuwse pasteltinten is gedoopt. De
zangsoliste, Maria Luigia Borsi, vlijde haar sopraanstem fraai aan tegen het
orkest. Jammer alleen dat ze het als herderinnetje en spinster zo klein en
onschuldig hield, dat raffinement rij 15 niet wist te halen.
Op de derde pleisterplaats die Heras-Casado aandeed,
Debussy’s Ibéria, liet hij merken wel degelijk kijk te hebben op
klankregie en orkestbalans. Al was ook hier het dominante gevoel: draai de
duimschroeven aan, dan vindt zo'n orkest je maar minder aardig.
Heras-Casado heeft nog nergens een vaste aanstelling als
chef-dirigent. Het Residentie Orkest, dat hem voor Nederland heeft ontdekt, zag
in hem de opvolger van Neeme Järvi. De Spanjaard zei nee. Toch lijkt dat het
beste wat hem nu kan overkomen: een gretig orkest in de luwte, waar hij uren
kan maken, vallen en opstaan, knutselen en bouwen.
Mendelssohn, Debussy, Canteloube. Rotterdams
Philharmonisch Orkest o.l.v. Pablo Heras-Casado, m.m.v. Maria Luigia Borsi
(sopraan). Rotterdam, de Doelen, 18/11.
De grote Harry Kupfer liet zich vangen door het kleine
Opera Zuid. Hij regisseert Janáceks Katja Kabanova. 'Problemen van
vrouwen zijn altijd mijn thema geweest.'
In het Maastrichtse Theater aan het Vrijthof leggen
decorbouwers de laatste hand aan het toneelbeeld van Katja Kabanova.
Met dit drama van de Tsjechische componist Leos Janácek opent Opera Zuid
vanavond een seizoen vol 'heroïsche, hormonale en hartstochtelijke vrouwen' –
zo meldt althans het persbericht.
Het nabootsen van zwarte blubber hoort daar kennelijk
bij. Op gezag van Harry Kupfer, de regisseur, wentelt Katja's leven in Kalinov
aan de Wolga zich in helse modder. Het spul kruipt zelfs op tegen de poten van
het rustieke meubilair. 'Harry wie?', vroegen juniormedewerkers van Opera Zuid,
toen ze Kupfers naam voor het eerst hoorden. Wat valt te vergelijken met de
assistent-materiaalman van MVV die informeert naar de achtergrond van ene
Rinus, eh, Michels.
De kleine Kupfer is in de operawereld een grote. Hij werd
gestaald in de DDR en genoot al ruim voor de Wende faam in het westen.
Nu, op zijn 76ste, laat hij zich eindelijk vangen door de operadreumes uit
Maastricht. 'Het is dat Miranda van Kralingen aan het roer staat',
zegt de regisseur, 'anders had ik hier niet gezeten.' De twee kennen elkaar uit
een vorig leven, toen de artistiek leidster van Opera Zuid aan de kost kwam als
sopraan. Chef-regisseur Kupfer haalde haar voor zijn producties geregeld
naar Berlijn.
Intussen kijkt hij terug op meer dan tweehonderd
ensceneringen, reikend van de barokke Händel tot de eigentijdse Henze. Zeven
keer kwam Harry Kupfer naar De Nederlandse Opera in Amsterdam, voor het eerst
in 1977, toen hij de gruwelijke familiemoorden in Richard Strauss' Elektra niet onlogisch situeerde in een slachthuis. Het bikkelharde toneelbeeld ging samen met een fijnzinnig
uitgesponnen psychologie. Die kunst heeft Kupfer afgekeken bij zijn geestelijk
vader, de regielegende Walter Felsenstein. Hij deelt bovendien diens afkeer van
eenzijdige Vokalidioten. 'Felsenstein speurde consequent naar het
zeldzame dubbeltalent van de zingende acteur.'
Al eerder liet Harry Kupfer zijn licht schijnen over Katja Kabanova, het verschroeiende muziekdrama uit 1921. In die
herhaling schuilt voor de regisseur niets bijzonders. 'Alleen al op Wagners Tannhäuser heb ik vijf keer een andere visie gegeven. Ik doe alsof ik
zo'n stuk voor het eerst lees. En pas als er nieuwe ideeën opborrelen, neem ik
de opdracht aan.'
Toen, in Keulen, speelde het getourmenteerde leven van
Katja zich af op een eenzame draaischijf. Nu, in Maastricht, verbeeldt zuigende
prut het uitzichtloze bestaan van een jonge vrouw die lijdt onder de
psycho-terreur van haar schoonmoeder. Harry Kupfer, docerend: 'Onder die druk wordt ze verliefd
op een ander. Katja geeft toe aan haar passie, ook al beseft ze dat ze een
doodzonde begaat. Om met God in het reine te komen bekent ze haar overspel.
Daarna stort ze zich in de Wolga.'
Katja kan niet leven in de leugen. Hoe een heel volk dat
niettemin jaren volhoudt, heeft Harry Kupfer aan den lijve ondervonden. Als
DDR-burger moest hij inventief te werk gaan om zijn voorstellingen te behoeden
voor censuur. Toch had hij die ervaring niet willen missen. 'Ik heb nooit meer
zo'n band gevoeld met de zaal. In de DDR zat een hellhörig,
scherpzinnig publiek dat prima tussen de regels door kon luisteren.'
Van het onaanzienlijke Stralsund klom hij via
Karl-Marx-Stadt (nu Chemnitz) en Weimar op naar de Komische Oper in
Oost-Berlijn. Zijn doorbraak naar het westen voltrok zich via de Beierse
Wagnerstad Bayreuth. Tijdens de Festspiele van 1978 overrompelde Kupfer met een Fliegende Holländer die hij plaatste in psychoanalytisch perspectief.
Volgens sommigen heeft zijn beweeglijke, fysieke, soms
rauwe muziektheater inmiddels de uiterste houdbaarheidsdatum overschreden. 'Ik
word al jaren beschuldigd van Aktionismus, vooral door mensen die voor
de muziek komen en niet gestoord willen worden door een regie. Maar ik leer
bij. Vroeger wilde ik koste wat het kost verveling voorkomen, tegenwoordig durf
ik te vertrouwen op rust.'
Hij regisseert 'zo lang het nog kan' en heeft 'goede
vrienden' die hem bij kwaliteitsverlies 'tijdig waarschuwen'. En als de laatste
theaterdeur eenmaal achter hem is dichtgeklapt, wil de Aziëfreak en
boeddhismefan zijn leven verdelen over Thailand en Berlijn.
Hij zal in de boeken komen als 'operapsycholoog' en
'vrouwenregisseur'. Vooral dat laatste beschouwt Harry Kupfer als een
compliment. 'Problemen van vrouwen zijn altijd mijn thema geweest. In een
mannenmaatschappij wordt een vrouw al snel slachtoffer of, als ze terugvecht,
een beest. Vrouwen zijn beter tot lijden in staat en kennen een groter
emotioneel bereik dan mannen. Dat maakt ze bij uitstek geschikt voor drama.'
Leos Janácek: Katja Kabanova.
Regie: Harry Kupfer. Solisten, Limburgs Symfonie Orkest
en Het Zuidelijk Theaterkoor o.l.v. Stefan Veselka. Maastricht, Theater aan het
Vrijthof, 18/11 (première), Tournee t/m 10/12, operazuid.nl
Harry Nicoll als Platée (foto: Hermann & Clärchen Baus)
Jean-Philippe Rameau heeft lang op zijn revival moeten
wachten. Vanaf de jaren 1980 moest de barokcomponist toezien hoe de operawereld
eerst aan de zwier ging met Händel ging en toen met Monteverdi. Maar hem bleven
ze hardnekkig beschouwen als het nuffige neefje van de Franse tak, ook in
Nederland, waar zelden een Rameau in vol ornaat viel te bewonderen.
Toen De Nationale Reisopera in 2002 Platée presenteerde,
was dat een betrekkelijke noviteit. Nu, negen jaar later, raken we met Rameau alweer
verwend. Na Castor et Pollux in 2008 greep De Nederlandse Opera dit
voorjaar eveneens naar Platée, het spektakelstuk rond een lelijk nimfje
dat zich op laat vrijen door een geile god.
In Groningen, bij de reprise door de Reisopera, duikt Platée
op als een Shirley Temple-achtige poetsfee. Krulletjes, jurkje, sokjes: tenor Harry
Nicoll had de lachers meteen op z'n hand. Hij liet zich opnieuw in zijn
travestierol hijsen door Mirjam Koen en Gerrit Timmers.
Dit Rotterdamse regisseursduo hevelt de antieke mythe over
naar een Amerikaanse sprookjeswereld, met als ijkpunten Disney, Texas en Elvis.
Dat erfgoed kent Claron McFadden uit de eerste hand. Gekleed als cowgirl leeft
de sopraan zich magnifiek uit in de rol van La Folie (de waanzin), ondertussen coloraturen
spuwend met de zwenking van een roestige achtbaan.
Te lachen valt er bij de Reisopera wel meer. Over het koor
van deinende waterlelies bijvoorbeeld, of de dans der scootmobielen. Maar bij de
zoveelste linedance op een barokke rigaudon slaat de verzadiging toe. Het
is een eeuwig dilemma bij Rameau: waar laat je de balletten? Schrappen helpt, maar
heeft als nadeel dat er geniale muziek verdwijnt.
Hoe je dans slimmer met het verhaal vervlecht, lieten Nigel
Lowery en Amir Hosseinpour dit voorjaar zien in Amsterdam. Ook op ander vlak troeven
ze de Nederlanders af. Door de opera te verplaatsen naar het mierzoete rijk van
de fairy tale, halen Koen en Timmers het gif uit Jupiters
schoftenstreek.
Helaas beschikt de Groningse Stadsschouwburg over een akoestiek
van schuurpapier. Harry Nicolls wapperstem kon daar slechter mee overweg dan de
evenwichtiger kelen van Philippe Kahn (Jupiter), Vincent Lesage (Mercure) en Machteld
Baumans (Junon). Komisch kwakend moerasgeluid was in veilige handen bij dirigent
Jan Willem de Vriend en het Combattimento Consort Amsterdam.
Jean-Philippe Rameau: Platée. Regie: Mirjam Koen en Gerrit
Timmers. Solisten, Koor van De Nationale Reisopera, Combattimento Consort
Amsterdam o.l.v. Jan Willem de Vriend. Groningen, Stadsschouwburg, 15/11.
Tournee t/m 15/12, reisopera.nl. Radio 4: 26/11, 19.00 uur.
Op haar derde cd met tragische operaheldinnen is Véronique Gens
aangeland bij de Franse Romantiek. De componisten heten er Berlioz,
Meyerbeer en Massenet, maar door haar netten verder uit te werpen vangt
de sopraan ook Verdi en Gluck.
De grootste verrassing schuilt in de begeleiders. Christophe
Rousset en zijn ensemble Les Talens Lyriques blijven in hun
barokexercities doorgaans aan de lieve kant. Hier krijgt de orkestrale steekvlam daarentegen alle kans - en
zo hoort het in repertoire dat het getourmenteerde gemoed breed uitmeet.
Andromaque, Iphigénie, Médée en Didon hebben over de inzet van
Véronique Gens geen klagen. Wel loopt de sopraan soms aan tegen de
grenzen van haar stem. En of ze een ware tragédienne is? Vooralsnog
oogsten haar welopgevoede verzuchtingen meer bewondering dan ontroering.
Wat zal hij hebben gevloekt, de Spaanse gitarist Luis de
Briceño, die rond 1620 neerstreek in Parijs. Op zijn roffelende rasguado
stijl zat namelijk niemand te wachten. In de hoofse kringen rond Lodewijk de Dertiende leende men zijn oor liever aan de delicaat geplukte luit.
Vier eeuwen later zetten Vincent Dumestre en zijn ensemble Le
Poème Harmonique de zaken recht. De Fransen doen een genereuze greep uit
het leerboek dat Briceño in 1626 publiceerde ('zeer gemakkelijke
methode om de gitaar op z'n Spaans te leren bespelen').
Met het knip-, plak- en improvisatiewerk dat bij dit soort
barokmuziek hoort, vult Dumestre een cd die bijna te mooi klinkt om waar
te zijn. De snaren ratelen, het slagwerk swingt. In de stemmen van
sopraan Claire Lefilliâtre en mezzo Isabelle Druet zit de rode okertint
van Spaanse aarde.
Le Poème Harmonique o.l.v. Vincent Dumestre. Alpha.
'Vergiftet sind meine Lieder', schreef Heinrich Heine, en in
zijn toonzetting van dit gedicht smeet Franz Liszt in 1844 een paar
giftige, dissonante akkoorden op het klavier. We zouden het bijna vergeten: in de man die zich liet bejubelen
als pianotovenaar, school ook een liedcomponist die zich moeiteloos
handhaaft tussen erkende genieën als Franz Schubert en Hugo Wolf.
Gelukkig houdt de Duitse sopraan Diana Damrau ons in Liszts
tweehonderdste geboortejaar bij de les. Samen met haar eminente
begeleider Helmut Deutsch zet de zangeres een parcours uit langs
negentien van de ruim tachtig liederen. Herfstwind of doodsaanzegging: bij Damrau en Deutsch zijn Liszts
expressieve vondsten aan het goede adres.
Damraus stem is niet de
breedste, maar vooral in het middenregister weet ze verrassend te
kleuren. Jammer dat in het cd-boekje de slotregels van Heines gedicht Die drei Zigeuner ontbreken.
Diana Damrau (sopraan), Helmut Deutsch (piano). Virgin Classics.
Laten we eens gek doen, dachten ze bij het Koninklijk
Concertgebouworkest. Nu onze chef, Mariss Jansons, zichzelf een halve
sabbatical gunt, proberen wij een paar prille maestro's uit. Twintigers,
dertigers hooguit: als er chemie optreedt hebben we daar nog zeker
vijftig jaar plezier van.
Later dit seizoen melden zich een jeugdige Slowaak (Juraj
Valcuha, 1976) en een jonge Duitser (David Afkham, 1983). Donderdag werd
het debutantenbal geopend door een krullenbol die je op straat zou
inschatten als gymnasiast. Met rank jongenslijf en wapperend overhemd
sjeesde hij de trap af van de Grote Zaal. Zijn naam: Robin Ticciati. Als
we de Berliner Philharmoniker-chef Simon Rattle mogen geloven, kolkt
deze 28-jarige van het talent.
Ticciati (Brits paspoort, Italiaanse opa) oefende zichzelf als
operadirigent diep in de Zweedse provincie. De Milanese Scala en de
Salzburger Festspiele wisten hem niettemin te vinden en binnenkort maakt
hij zijn eerste reis naar de Metropolitan Opera van New York. Vanaf
2014 staat hij aan het roer van het chique operafestival in
Glyndebourne, waar Bernard Haitink tot zijn voorgangers behoort.
In de symfonische sector loopt Ticciati minder hard van stapel.
Hij is chef van het sympathieke Scottish Chamber Orchestra en vaste gast
in het pittoreske Bamberg. Debuteren bij het Concertgebouworkest, die
mondiale kanjer, heeft dan ook iets van een statement. Robin Ticciati
staat paraat voor het echte werk.
De ouverture tot Schumanns opera Genoveva klonk alsof hij de
sleutels van een Porsche had gekregen, maar nog niet wist waar elk
knopje zat. Het ding reed grotendeels zichzelf. Vervolgens kenmerkte
Mozarts Zeventiende pianoconcert zich vooral door een nette scheiding in
het haar. Jonathan Biss, de 31-jarige solist, walste zangerig maar
bedaagd heen over de verworvenheden van een paar decennia historische
uitvoeringspraktijk.
Pas in de Eerste serenade van Johannes Brahms liet Robin
Ticciati horen dat Simon Rattle misschien gelijk heeft. Sterker nog: uit
dit stuk met z'n zonnige symfonische allure haalde het Britse
piepkuiken zomaar een eigen klank. Jeugdig, fris en strak in het vel,
als een antieke tors waarop je de spieren onderhuids ziet lopen.
Een andere Ticciati-touch schuilt in het fijnzinnige terugnemen.
Zacht en nog zachter, zonder in te leveren aan balans en kleur. Rijpe
maestro's doen daarvoor een moord.
Mozart, Schumann en Brahms. Koninklijk Concertgebouworkest
o.l.v. Robin Ticciati, m.m.v. Jonathan Biss (piano), Concertgebouw Amsterdam, 10/11. Radio 4:
20/11, 14.15 uur.
Terwijl het Nederlands Kamerkoor vreest voor z'n
toekomst, treedt Risto Joost aan als de nieuwe chef. Niks lastiger dan het
dirigeren van een koor, vindt de jonge Est. 'Een viool is een viool, maar elke
strot is anders.'
In de Vespers van Rachmaninov luistert het nauw. Risto Joost
(31), de dirigent uit Estland die met dit fameuze stuk zijn taak als
chef van het Nederlands Kamerkoor aanvat, legt de muziek om de paar
maten stil. Zijn aanwijzingen lopen uiteen van 'zonder passie, met witte
handschoentjes', tot 'hier mag het erotischer' en 'zing als een
doorgeslagen Russische poëet'. Joyeus laat het Nederlands Kamerkoor (NKK) de moleculen trillen.
Opnieuw tikt Risto Joost af. 'En denk aan de uitspraak. Het is aa-j-en,
niet aa-zj-en.'
In oktober 2009 profiteerde het Kamerkoor voor het eerst van
zijn kritische oor. Joost herinnert zich een fraai, maar lastig
programma. 'Jolivet, Messiaen en Sjostakovitsj. Ik kwam nietsvermoedend
mijn werk doen. Korte tijd later vroegen ze me voor het chefschap.' Zodoende zetelt hij nu op een kantoor in de Beurs van Berlage in
Amsterdam, waar muziekboeken, partituren en ordners de kasten vullen.
Edisonbeeldjes getuigen van de glanzende koorhistorie.
Intussen is het de vraag of het NKK zijn 75ste verjaardag in
oktober 2012 overleeft. Rigoureus bezuinigen drijft de zangers uit vaste
dienst. Vervolgens kunnen ze zich voor een substantieel lager tarief
laten inhuren als freelancer. Dan nog is het de vraag of het helpt. In
een rampscenario valt voor 's lands oudste professionele koor het doek. Niet voor niets denkt Risto Joost tegenwoordig vaak aan het lot
van de Japanse samoerai. 'Eeuwenlang waren het meesters in de
vechtkunst, maar tegen het machinegeweer konden ze niet op.' [Inmiddels is bekend dat het NKK in gesprek is over verhuizing naar Eindhoven per 1 januari 2013. Met steun van deze stad hoopt het koor de tijd te krijgen
voor het omschakelen naar een financieringsmodel waarin meer ruimte is
voor sponsors en donateurs.]
Na Tõnu Kaljuste is hij de tweede chef die het Kamerkoor betrekt
uit het zangparadijs Estland. Risto Joost vroeg na de uitnodiging een
paar maanden bedenktijd. Niet vanwege het onzekere perspectief: uit een
eerder subsidie-incident was het NKK immers met de schrik vrijgekomen.
Wel vanwege zijn eigen ambitie. De dirigent had net besloten zich toe te
leggen op orkesten. 'Dat leek mij een logische keuze. Ik houd van koorzang, de stem
herbergt kleuren waarover geen instrument beschikt. Maar de
professionele koorwereld is klein, daarin zag ik mezelf niet mijn
pensioen halen.
Het vooruitzicht op 'slimme, gecultiveerde zangers die
geïnspireerd willen worden' gaf de doorslag, aldus Joost. 'In Estland
zijn stemmen mooi rond en galmend, maar het stijlgevoel is er minder
ontwikkeld dan hier.' Toch kon het NKK de laatste jaren niet meer voetstoots rekenen
op vier- of vijfsterrenrecensies. Na het vertrek van de Brit Stephen
Layton ging het koor in 2005 verder zonder chef. Gaandeweg begonnen Daniel
Reuss en de freelancers van Cappella Amsterdam het koor naar de kroon te
steken.
Risto Joost: 'Het gemis van een chef heeft de kwaliteit zeker
beïnvloed. Maar zelfs als het Kamerkoor niet langer op eenzame hoogte
staat, moet een land zijn erfgoed niet verkwanselen. Net als het
Concertgebouworkest is het NKK een sterk merk. Dat laat je bij een
zuchtje tegenwind toch niet over aan z'n lot?'
Als dirigent leerde hij de kneepjes bij Jorma Panula, de Finse
muziekpedagoog en leverancier van maestro's als Sakari Oramo en Susanna
Mälkki. Joosts nevencarrière als countertenor staat tegenwoordig op een
laag pitje. In januari 2012 valt zijn solostem bij uitzondering te horen
in Vlaanderen, waar het barokgezelschap B'rock hem heeft gestrikt voor
Purcells opera The Indian Queen.
In Tallinn, als chef van de Estse Nationale Opera, dirigeert
Risto Joost zelf zowel operaklassiekers als nieuw werk. Hij vindt: een
orkest door een partituur leiden, is makkelijker dan het dirigeren van
een koor. 'Grof gezegd: een viool is een viool, maar elke strot is
anders. Dat geldt zeker voor een formatie als het Kamerkoor, met stemmen
die door uiteenlopende moedertalen zijn gevormd.'
Hij wil een vaste kern behouden voor een breed repertoire.
'Specialiseren zou het makkelijkst zijn, maar van een elitegezelschap
mag je op elk front kwaliteit verwachten. Aan het werken met freelancers
zie ik trouwens één voordeel: ze moeten zich steeds opnieuw bewijzen.'
Morgen heft hij in de Grote of Jacobijnerkerk van Leeuwarden
zijn armen voor het eerste concert in een tournee met Rachmaninovs
Vespers. De componist schreef het stuk in 1915 in twee weken tijd,
gedeprimeerd door het tijdsgewricht waarin hij leefde. Risto Joost hoort
in de Vespers de diepe emotie van de Russisch-orthodoxe kerk. 'Het is
krachtige muziek, die spreekt van hoop.'
Risto Joost treedt aan als de zevende chef van het 74-jarige
Nederlands Kamerkoor (NKK). De historie begint op 1 oktober 1937,
wanneer oprichter Felix de Nobel met veertien zangers in een
Vara-radioprogramma 'schlagermuziek van gisteren en morgen' ten beste
geeft. Later in het seizoen volgen strijd- en volksliederen, maar ook
cantates van Bach. Van de huidige 1,8 miljoen euro rijkssubside verwacht
het NKK per 1 januari 2013 3 tot 6 ton over te houden.
Judith van Wanroij als Ilia in Mozarts Idomeneo (foto: Marco Borggreve)
Ze wilde achtergrondzangeres worden, werkte een
blauwe maandag in het notariaat, maar koos voor de opera. Judith van
Wanroij heeft succes als sopraan. 'Ik heb geen ambitie, ik vind het
allang mooi dat ik zing.'
Een zwaaihandje naar John Nelson, de dirigent. Even huggen met
een koorzanger. Een verloren seconde opvullen met een danspasje. Het is
repetitie bij De Nederlandse Opera en aan Judith van Wanroij (37) lijkt
de groepsdynamiek welbesteed.
In de foyer van Het Muziektheater in Amsterdam geeft de sopraan
toe: ze houdt van het operabedrijf. Altijd reuring, lekker kletsen. Maar
aanstaande woensdag, een half uur voor de première van Mozarts
Idomeneo, hoeft niemand haar lastig te vallen voor een praatje of een
knuffel. 'Dan loop ik alleen maar te ijsberen om mijn plankenkoorts te
overwinnen.'
Op haar 22ste werkte ze nog op kantoor. Voor Judith van Wanroij,
afgestudeerd juriste, lonkte een toekomst in het notariaat. Tot ze in
een flits bedacht: help, ik moet hier weg! Ze wilde zingen. 'Maar ja, ik
kón nog niet zingen. Tenminste, niet met een klassieke techniek.'
Vijftien jaar later wordt ze voor hoofdrollen gevraagd door
gerenommeerde operahuizen van Madrid en Barcelona tot Toulouse en
Parijs. De Franse pers signaleerde al vroeg haar 'vocale lenigheid en
warme timbre'. Net als haar 'onberispelijke muzikaliteit' in de rol van
Despina, het dienstmeidje dat in Mozarts Così fan tutte trouwens komisch
opdraaft als notaris.
Sluipenderwijs begon Van Wanroij ook op te vallen in eigen land.
Steeds als ze voor een bijrolletje naar De Nederlandse Opera kwam,
stootten kenners elkaar aan. Monteverdi, Purcell of Rameau: er zweefde
een helder, fluwelig geluid de zaal in, perfect van dictie en ritmisch
interessant gekruid. 'Misschien hoor je daarin mijn achtergrond in de
pop en jazz', zegt de sopraan. 'Ik houd van in het tempo hangen en laat
timen. Helaas straffen dirigenten dat nogal eens af.'
Als scholiere in het Gelderse Groenlo zat ze met een
cassetterecorder voor de radio. Haar helden heetten Barbra Streisand,
Janis Ian en Neil Diamond. Van Wanroij zong in schoolbandjes en droomde
van een bestaan als achtergrondzangeres.
Gek genoeg kwam de gedachte aan het conservatorium niet in haar
op. 'Achteraf is dat maar goed ook. De zwaarte van de opleiding had ik
op die leeftijd nooit aangekund.' Vijf jaar later ging het alsnog kriebelen. Ook al neigde ze naar
de lichte muziek en jazz, een klassieke basis leek haar nooit weg. De
tweedekanssopraan werd op het Amsterdamse conservatorium kritisch
verwelkomd: 'mooie stem, dubieuze muzikaliteit'. Jaren later wandelde ze
gediplomeerd met onderscheiding weg.
Ze hoort niet tot het slag solisten dat graag met zichzelf
pronkt. 'Ik zal nooit roepen: straks première, allemaal komen!' En aan
een parallelle carrière in het lied, de wens van elke zanger, wil ze
voorlopig niet denken. 'Judith van Wanroij in de Kleine Zaal - ik krijg
het nu al Spaans benauwd.'
Toch staat ze straks, als de ouverture tot Idomeneo voorbij is,
minutenlang in haar eentje te zingen. Mozart duikt in het gemoed van
Ilia, de Trojaanse prinses die een verwarrende cocktail moet verwerken
van haat en liefde, jaloezie en wraak. Van Wanroij: 'Ze is door de Grieken ontvoerd, heeft een
schipbreuk overleefd en vindt zichzelf terug op Kreta. Daar wordt ze
smoorverliefd op de zoon van haar vaders moordenaar, die tot overmaat
van ramp een ander heeft.'
'Padre, germani, addio!' heet de aria waarin de verscheurde
prinses haar vader en broers aanroept. Van het Duitse regisseursechtpaar
Ursel en Karl-Ernst Herrmann moet Van Wanroij zich voorstellen dat Ilia
op dat moment een jaar of 18 is en al tien jaar weg uit Troje. 'Toch lijkt het alsof ze nog dagelijks een dialoog voert met
haar vader', constateert de sopraan. 'Ik snap dat meisje wel. Mijn vader
overleed toen ik 6 was en zoiets draag je met je mee. Ik denk op
sommige momenten ook: kom me nou alsjeblieft eens helpen.'
Dit voorjaar kreeg ze haar eerste dragende rol bij De
Nederlandse Opera, als Donna Elvira in Mozarts Don Giovanni. Na Idomeneo
zakt Van Wanroij weer af naar het zuiden, waar gelouterde dirigenten
wachten als William Christie en Christophe Rousset. Een gang naar Duitse operahuizen, wordt weleens gefluisterd, zou
haar carrière extra vuurkracht geven. 'Het is er nog niet van gekomen.
En ik heb ook geen enkele ambitie, ik vind het allang mooi dat ik zing.
Naar Parijs gaan is toch geen straf?'
Voor alle duidelijkheid: Judith van Wanroij werkt keihard. Maar
haar grootste streven ligt in het overwinnen van onzekerheid en angst.
'Als ik zing en acteer, spring ik in mijn hoofd van fout naar fout. Er
gaat zelden een seconde voorbij zonder negatieve gedachte. Ooit hoop ik
de neutrale staat van doorgeefluik te bereiken.'
de Volkskrant, 4 november 2011
Hieronder zingt Judith van Wanroij een aria van Michel de la Barre, begeleid door Cappriccio Stravagante en Skip Sempé
Tot voor kort viel hij door elke zeef: Mieczyslaw Weinberg, de
Pools-Russische componist van Joodse afkomst die bij zijn overlijden in
1996 zelfs bij kenners onbekend was. Inmiddels lijkt de kentering op til. In Nederland
neemt Vredenburg Utrecht de onfortuinlijke kunstenaar als eerste
serieus. Na een verkennend Weinberg Weekend in april vindt de
herwaardering tot en met zondag plaats in het Weinberg Festival.
In het hart van de programmering zit het Belgische Danel
Kwartet, dat negen van Weinbergs zeventien strijkkwartetten speelt.
Woensdag was de Nederlandse première van het Vierde. Na het Vijftiende
strijkkwartet wisten we het zeker: Mieczyslaw Weinberg verdient een
renaissance.
Zijn onzichtbaarheid valt toe te schrijven aan het noodlot, dat
aanvankelijk ideologisch was van aard. Vanaf 1939 was de Jood Weinberg
nergens welkom. Op z'n 20ste ontvluchtte hij eerst Warschau en later
Minsk. Dmitri Sjostakovitsj haalde hem van Tasjkent naar Moskou, waar
Weinberg een leven wachtte in de marge. Wat alweer winst was, nadat
diezelfde Sjostakovitsj hem in 1953 had gered uit Stalins kerkers.
Muziekhistorisch viste Weinberg ook al achter het net. Hij was
nog geen gevestigde naam die na 1945 kon worden opgepoetst. In de
Sovjet-Unie werd hij als Poolse Jood gediscrimineerd. En de westerse
naoorlogse muziekrebellen vonden hem te ouderwets. Nog een wonder dat
Weinberg, wiens familie in de kampen werd vernietigd, 25 symfonieën en
stapels ander werk heeft gecomponeerd. Pas vorig jaar ging zijn
'Auschwitzopera' The passenger in première, inclusief een scène waarin
SS-officieren genieten van Bachs Chaconne voor viool, uitgevoerd door
een gevangene.
De kar van Weinbergs kamermuziek wordt sinds 1994 getrokken door
het Danel Kwartet. Na hun vertolking van het Vierde strijkkwartet
(1945) begrijp je dat ze moeten zijn gevallen voor de overbloezende
verbeelding. Elk van de vier delen bevat genoeg materiaal voor een
zelfstandig stuk, met hier en daar een wak. Soms benadert Weinberg de ruigheid van Bartók en het wrange
schuren van Sjostakovitsj. Evengoed werpt hij Beethoven door een
20ste-eeuws prisma, of klinkt een fiddle-motief in de altviool.
Onverwisselbaar Weinberggeluid zit in het zachte klagen. De
associatie is onvermijdelijk: je hoort de murmelende stemmen van dolende
geesten, met tonen die zich plooien naar Joods verdriet. Bewasemd
stijgen ze op uit het Danel Kwartet, dat z'n reddingswerk dit weekend
samen met andere musici voortzet. Grote kans dat we na een Cellosonate,
het Vioolconcert en de Zestiende symfonie constateren dat de 20ste eeuw
er een componist bij heeft.
Weinberg Festival. Strijkkwartetten door het Danel Kwartet, 2/11. T/m 6/11, vredenburg.nl.
Op je bureau belanden altijd weer cd's waarvan je het soortelijk
gewicht al bij voorbaat denkt te kennen. Soms wordt zo'n vooroordeel
bevestigd, maar fijner zijn de momenten waarop je je vooringenomenheid
als een boemerang in het gezicht krijgt teruggeslingerd.
Van Jan Van der Crabben hadden we slechts zijdelings gehoord. Al
die jaren wisten we dus niet dat in de Vlaamse bariton een
fijngevoelige zanger schuilt. Met Inge Spinette, zijn tactvolle
pianiste, maakte Van der Crabben een keuze uit de ruim tachtig liederen
van Debussy.
De Vlaming is een geboren verteller, die de melodieën op poëzie
van Bourget, Verlaine en Villon delicaat, maar niet geaffecteerd weet te
plooien. Mooie hoogte, warm in het laag, kristalheldere dictie met
charmante keel-r. Genoeg ingrediënten voor een tijdelijke verslaving.
Debussy: liederen. Jan Van der Crabben (bariton), Inge Spinette (piano) Fuga libera
René Jacobs behoort tot het artiestenvolkje dat jury's van
cd-prijzen weet te verleiden tot narrige discussies. Wéér een
voltreffer, wordt er dan verzucht. Kan die man niet eens plaatsmaken
voor jong talent?
Dat zit er voorlopig niet in, luidt de conclusie na Agrippina,
een opera waarin de jonge Georg Friedrich Händel geniaal spettert met
noten. Zo klinkt het tenminste bij René Jacobs, de Vlaamse dirigent die
na vele prijswinnende Mozarts eindelijk weer eens een Händel aflevert.
Jacobs' troef in 2009, op het toneel van de Staatsoper Berlin,
heette Alexandrina Pendatsjanska. Ook op cd zet de Bulgaarse sopraan een
overrompelende Agrippina neer, gewiekst begeleid door de Akademie für
Alte Musik Berlin. Zelden vertoond: je spoelt een aria door om je te
kunnen laven aan de feeksachtige, stroopsmerende zingzang van het
volgende recitatief.
Händel: Agrippina. Solisten, Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. René Jacobs