23 november 2011

Montserrat Figueras (1942-2011), in de oren gegrift



De stem van de Spaanse sopraan Montserrat Figueras, die vandaag op 69-jarige leeftijd in Barcelona overleed, staat bij generaties oude-muziekliefhebbers in de oren gegrift. De zangeres klonk altijd warm en een tikje melancholisch, tot in de ziel betrokken bij de teksten die ze zong. Vanaf de jaren zeventig behoorde ze tot de pioniers die muziek uit voorbije eeuwen op de lessenaars zetten. In het Utrechtse Festival Oude Muziek was ze vaak te gast.

Montserrat Figueras was getrouwd met de Catalaanse viola da gamba-speler Jordi Savall. In 1974 richtten ze samen het ensemble Hespèrion XX op. De groep maakte voor het label EMI Reflexe een serie spraakmakende opnamen van onder meer Spaanse barokmuziek. In 1998 begon het echtpaar een eigen label. Sindsdien vloeit een gestage stroom cd’s de wereld in, vaak in luxe boekwerken verpakt.

Na haar klassieke opleiding overwoog Figueras te stoppen. 'In de zangkunst is zoveel ruimte voor onnatuurlijkheid, voor maniertjes', zei ze in 1998 tegen het Tijdschrift Oude Muziek. Ze kwam uit de crisis toen ze in Barcelona de Britse countertenor Alfred Deller hoorde. In haar beginjaren werkte Figueras geregeld samen met Ton Koopman. Ze heeft ruim zestig cd's opgenomen, met repertoire dat reikt van troubadourliederen tot muziek uit de Sefardische diaspora.

21 november 2011

Heras-Casado mag de duimschroeven aandraaien



Bij Nederlandse orkesten is het deze maand een komen en gaan van jeugdige maestro's. Uit alle richtingen waait het aan: beloftevol dirigentenvolk van rond de dertig. Het Concertgebouworkest gokt op Robin Ticciati (28) en Andris Nelsons (33); het Radio Philharmonisch legt Diego Matheuz (27) op het rooster; en in Rotterdam proeven ze de nieren van Kirill Karabits en Pablo Heras-Casado (allebei 34).

De carrousel wordt aangedreven door het wereldwijde verlangen van orkesten om zo vroeg mogelijk een band te smeden met Haitinks of Rattles in de dop. Dan loert algauw het gevaar van de hype. Zo bleek Robin Ticciati in Amsterdam nog niet rijp voor de topklasse. En het Rotterdams Philharmonisch Orkest had zich vermoedelijk meer voorgesteld van Pablo Heras-Casado, de Spanjaard die in 2007 kwam bovendrijven op het dirigentenconcours van Luzern.

Sindsdien wil iedereen aan hem snuffelen. Dit seizoen racet de krullenbol van première naar debuut naar invalbeurt. Laatst dook hij op bij het Mariinski Theater in Sint-Petersburg en bij de Berliner Philharmoniker. Het Concertgebouworkest blijft niet achter en heeft hem alvast gestrikt het voor komende seizoen.

Eerste observatie in de Rotterdamse Doelen: Pablo Heras-Casado zwaait zonder stokje, een overblijfsel uit zijn tijd als koordirigent. Tweede vaststelling: de muziek vloeit door zijn lijf. In de ruggengraat zit een lenige curve, de knieën zijn soepel geveerd.

Maar hoe expressief de gebaren ook ogen, dwang gaat er niet van uit. Over Mendelssohns Derde symfonie, de 'Schotse', hing een grauwsluier. Ritmiek kreeg weinig profiel, de kleurendoos bleef half dicht. Weliswaar profiteerde het orkest van Heras-Casado's talent voor de elegant verdampende noot, maar naar het begin daarvan was het soms gissen.

Weinig beter verging het de Chants d'Auvergne, een stuk dat door Joseph Canteloube in 19de-eeuwse pasteltinten is gedoopt. De zangsoliste, Maria Luigia Borsi, vlijde haar sopraanstem fraai aan tegen het orkest. Jammer alleen dat ze het als herderinnetje en spinster zo klein en onschuldig hield, dat raffinement rij 15 niet wist te halen.

Op de derde pleisterplaats die Heras-Casado aandeed, Debussy’s Ibéria, liet hij merken wel degelijk kijk te hebben op klankregie en orkestbalans. Al was ook hier het dominante gevoel: draai de duimschroeven aan, dan vindt zo'n orkest je maar minder aardig.

Heras-Casado heeft nog nergens een vaste aanstelling als chef-dirigent. Het Residentie Orkest, dat hem voor Nederland heeft ontdekt, zag in hem de opvolger van Neeme Järvi. De Spanjaard zei nee. Toch lijkt dat het beste wat hem nu kan overkomen: een gretig orkest in de luwte, waar hij uren kan maken, vallen en opstaan, knutselen en bouwen.

Mendelssohn, Debussy, Canteloube. Rotterdams Philharmonisch Orkest o.l.v. Pablo Heras-Casado, m.m.v. Maria Luigia Borsi (sopraan). Rotterdam, de Doelen, 18/11.



de Volkskrant, 21 november 2011

18 november 2011

Harry Kupfer zet Katja Kabanova in de zuigende prut

Johanni van Oostrum als Katja 
De grote Harry Kupfer liet zich vangen door het kleine Opera Zuid. Hij regisseert Janáceks Katja Kabanova. 'Problemen van vrouwen zijn altijd mijn thema geweest.'

In het Maastrichtse Theater aan het Vrijthof leggen decorbouwers de laatste hand aan het toneelbeeld van Katja Kabanova. Met dit drama van de Tsjechische componist Leos Janácek opent Opera Zuid vanavond een seizoen vol 'heroïsche, hormonale en hartstochtelijke vrouwen' – zo meldt althans het persbericht.

Het nabootsen van zwarte blubber hoort daar kennelijk bij. Op gezag van Harry Kupfer, de regisseur, wentelt Katja's leven in Kalinov aan de Wolga zich in helse modder. Het spul kruipt zelfs op tegen de poten van het rustieke meubilair. 'Harry wie?', vroegen juniormedewerkers van Opera Zuid, toen ze Kupfers naam voor het eerst hoorden. Wat valt te vergelijken met de assistent-materiaalman van MVV die informeert naar de achtergrond van ene Rinus, eh, Michels.

De kleine Kupfer is in de operawereld een grote. Hij werd gestaald in de DDR en genoot al ruim voor de Wende faam in het westen. Nu, op zijn 76ste, laat hij zich eindelijk vangen door de operadreumes uit Maastricht. 'Het is dat Miranda van Kralingen aan het roer staat', zegt de regisseur, 'anders had ik hier niet gezeten.' De twee kennen elkaar uit een vorig leven, toen de artistiek leidster van Opera Zuid aan de kost kwam als sopraan. Chef-regisseur Kupfer haalde haar voor zijn producties geregeld naar Berlijn.

Intussen kijkt hij terug op meer dan tweehonderd ensceneringen, reikend van de barokke Händel tot de eigentijdse Henze. Zeven keer kwam Harry Kupfer naar De Nederlandse Opera in Amsterdam, voor het eerst in 1977, toen hij de gruwelijke familiemoorden in Richard Strauss' Elektra niet onlogisch situeerde in een slachthuis. Het bikkelharde toneelbeeld ging samen met een fijnzinnig uitgesponnen psychologie. Die kunst heeft Kupfer afgekeken bij zijn geestelijk vader, de regielegende Walter Felsenstein. Hij deelt bovendien diens afkeer van eenzijdige Vokalidioten. 'Felsenstein speurde consequent naar het zeldzame dubbeltalent van de zingende acteur.'

Al eerder liet Harry Kupfer zijn licht schijnen over Katja Kabanova, het verschroeiende muziekdrama uit 1921. In die herhaling schuilt voor de regisseur niets bijzonders. 'Alleen al op Wagners Tannhäuser heb ik vijf keer een andere visie gegeven. Ik doe alsof ik zo'n stuk voor het eerst lees. En pas als er nieuwe ideeën opborrelen, neem ik de opdracht aan.' 

Toen, in Keulen, speelde het getourmenteerde leven van Katja zich af op een eenzame draaischijf. Nu, in Maastricht, verbeeldt zuigende prut het uitzichtloze bestaan van een jonge vrouw die lijdt onder de psycho-terreur van haar schoonmoeder. Harry Kupfer, docerend: 'Onder die druk wordt ze verliefd op een ander. Katja geeft toe aan haar passie, ook al beseft ze dat ze een doodzonde begaat. Om met God in het reine te komen bekent ze haar overspel. Daarna stort ze zich in de Wolga.'

Katja kan niet leven in de leugen. Hoe een heel volk dat niettemin jaren volhoudt, heeft Harry Kupfer aan den lijve ondervonden. Als DDR-burger moest hij inventief te werk gaan om zijn voorstellingen te behoeden voor censuur. Toch had hij die ervaring niet willen missen. 'Ik heb nooit meer zo'n band gevoeld met de zaal. In de DDR zat een hellhörig, scherpzinnig publiek dat prima tussen de regels door kon luisteren.'

Van het onaanzienlijke Stralsund klom hij via Karl-Marx-Stadt (nu Chemnitz) en Weimar op naar de Komische Oper in Oost-Berlijn. Zijn doorbraak naar het westen voltrok zich via de Beierse Wagnerstad Bayreuth. Tijdens de Festspiele van 1978 overrompelde Kupfer met een Fliegende Holländer die hij plaatste in psychoanalytisch perspectief.

Volgens sommigen heeft zijn beweeglijke, fysieke, soms rauwe muziektheater inmiddels de uiterste houdbaarheidsdatum overschreden. 'Ik word al jaren beschuldigd van Aktionismus, vooral door mensen die voor de muziek komen en niet gestoord willen worden door een regie. Maar ik leer bij. Vroeger wilde ik koste wat het kost verveling voorkomen, tegenwoordig durf ik te vertrouwen op rust.'

Hij regisseert 'zo lang het nog kan' en heeft 'goede vrienden' die hem bij kwaliteitsverlies 'tijdig waarschuwen'. En als de laatste theaterdeur eenmaal achter hem is dichtgeklapt, wil de Aziëfreak en boeddhismefan zijn leven verdelen over Thailand en Berlijn.

Hij zal in de boeken komen als 'operapsycholoog' en 'vrouwenregisseur'. Vooral dat laatste beschouwt Harry Kupfer als een compliment. 'Problemen van vrouwen zijn altijd mijn thema geweest. In een mannenmaatschappij wordt een vrouw al snel slachtoffer of, als ze terugvecht, een beest. Vrouwen zijn beter tot lijden in staat en kennen een groter emotioneel bereik dan mannen. Dat maakt ze bij uitstek geschikt voor drama.'

Leos Janácek: Katja Kabanova.
Regie: Harry Kupfer. Solisten, Limburgs Symfonie Orkest en Het Zuidelijk Theaterkoor o.l.v. Stefan Veselka. Maastricht, Theater aan het Vrijthof, 18/11 (première), Tournee t/m 10/12, operazuid.nl

de Volkskrant,  18 november 2011

Platée bij de Reisopera: Disney, Texas en Elvis



Harry Nicoll als Platée (foto:  Hermann & Clärchen Baus)

Jean-Philippe Rameau heeft lang op zijn revival moeten wachten. Vanaf de jaren 1980 moest de barokcomponist toezien hoe de operawereld eerst aan de zwier ging met Händel ging en toen met Monteverdi. Maar hem bleven ze hardnekkig beschouwen als het nuffige neefje van de Franse tak, ook in Nederland, waar zelden een Rameau in vol ornaat viel te bewonderen. 

Toen De Nationale Reisopera in 2002 Platée presenteerde, was dat een betrekkelijke noviteit. Nu, negen jaar later, raken we met Rameau alweer verwend. Na Castor et Pollux in 2008 greep De Nederlandse Opera dit voorjaar eveneens naar Platée, het spektakelstuk rond een lelijk nimfje dat zich op laat vrijen door een geile god.

In Groningen, bij de reprise door de Reisopera, duikt Platée op als een Shirley Temple-achtige poetsfee. Krulletjes, jurkje, sokjes: tenor Harry Nicoll had de lachers meteen op z'n hand. Hij liet zich opnieuw in zijn travestierol hijsen door Mirjam Koen en Gerrit Timmers.

Dit Rotterdamse regisseursduo hevelt de antieke mythe over naar een Amerikaanse sprookjeswereld, met als ijkpunten Disney, Texas en Elvis. Dat erfgoed kent Claron McFadden uit de eerste hand. Gekleed als cowgirl leeft de sopraan zich magnifiek uit in de rol van La Folie (de waanzin), ondertussen coloraturen spuwend met de zwenking van een roestige achtbaan.

Te lachen valt er bij de Reisopera wel meer. Over het koor van deinende waterlelies bijvoorbeeld, of de dans der scootmobielen. Maar bij de zoveelste linedance op een barokke rigaudon slaat de verzadiging toe. Het is een eeuwig dilemma bij Rameau: waar laat je de balletten? Schrappen helpt, maar heeft als nadeel dat er geniale muziek verdwijnt.

Hoe je dans slimmer met het verhaal vervlecht, lieten Nigel Lowery en Amir Hosseinpour dit voorjaar zien in Amsterdam. Ook op ander vlak troeven ze de Nederlanders af. Door de opera te verplaatsen naar het mierzoete rijk van de fairy tale, halen Koen en Timmers het gif uit Jupiters schoftenstreek.

Helaas beschikt de Groningse Stadsschouwburg over een akoestiek van schuurpapier. Harry Nicolls wapperstem kon daar slechter mee overweg dan de evenwichtiger kelen van Philippe Kahn (Jupiter), Vincent Lesage (Mercure) en Machteld Baumans (Junon). Komisch kwakend moerasgeluid was in veilige handen bij dirigent Jan Willem de Vriend en het Combattimento Consort Amsterdam.

Jean-Philippe Rameau: Platée. Regie: Mirjam Koen en Gerrit Timmers. Solisten, Koor van De Nationale Reisopera, Combattimento Consort Amsterdam o.l.v. Jan Willem de Vriend. Groningen, Stadsschouwburg, 15/11. Tournee t/m 15/12, reisopera.nl. Radio 4: 26/11, 19.00 uur.
 
de Volkskrant, 18 november 2011

16 november 2011

Véronique Gens en de Romantische heldinnen

Op haar derde cd met tragische operaheldinnen is Véronique Gens aangeland bij de Franse Romantiek. De componisten heten er Berlioz, Meyerbeer en Massenet, maar door haar netten verder uit te werpen vangt de sopraan ook Verdi en Gluck. 

De grootste verrassing schuilt in de begeleiders. Christophe Rousset en zijn ensemble Les Talens Lyriques blijven in hun barokexercities doorgaans aan de lieve kant. Hier krijgt de orkestrale steekvlam daarentegen alle kans - en zo hoort het in repertoire dat het getourmenteerde gemoed breed uitmeet.



Andromaque, Iphigénie, Médée en Didon hebben over de inzet van Véronique Gens geen klagen. Wel loopt de sopraan soms aan tegen de grenzen van haar stem. En of ze een ware tragédienne is? Vooralsnog oogsten haar welopgevoede verzuchtingen meer bewondering dan ontroering.


Tragédiennes vol. 3. Véronique Gens (sopraan), Les Talens Lyriques o.l.v. Christophe Rousset. Virgin Classics. 

de Volkskrant, 16 november 2011





Roffelend eerherstel voor Luis de Briceño


Wat zal hij hebben gevloekt, de Spaanse gitarist Luis de Briceño, die rond 1620 neerstreek in Parijs. Op zijn roffelende rasguado stijl zat namelijk niemand te wachten. In de hoofse kringen rond Lodewijk de Dertiende leende men zijn oor liever aan de delicaat geplukte luit.

Vier eeuwen later zetten Vincent Dumestre en zijn ensemble Le Poème Harmonique de zaken recht. De Fransen doen een genereuze greep uit het leerboek dat Briceño in 1626 publiceerde ('zeer gemakkelijke methode om de gitaar op z'n Spaans te leren bespelen'). 

 

Met het knip-, plak- en improvisatiewerk dat bij dit soort barokmuziek hoort, vult Dumestre een cd die bijna te mooi klinkt om waar te zijn. De snaren ratelen, het slagwerk swingt. In de stemmen van sopraan Claire Lefilliâtre en mezzo Isabelle Druet zit de rode okertint van Spaanse aarde.

Le Poème Harmonique o.l.v. Vincent Dumestre. Alpha.

de Volkskrant, 16 november 2011


Damrau & Deutsch, voor al uw Liszt

'Vergiftet sind meine Lieder', schreef Heinrich Heine, en in zijn toonzetting van dit gedicht smeet Franz Liszt in 1844 een paar giftige, dissonante akkoorden op het klavier. We zouden het bijna vergeten: in de man die zich liet bejubelen als pianotovenaar, school ook een liedcomponist die zich moeiteloos handhaaft tussen erkende genieën als Franz Schubert en Hugo Wolf.

Gelukkig houdt de Duitse sopraan Diana Damrau ons in Liszts tweehonderdste geboortejaar bij de les. Samen met haar eminente begeleider Helmut Deutsch zet de zangeres een parcours uit langs negentien van de ruim tachtig liederen. Herfstwind of doodsaanzegging: bij Damrau en Deutsch zijn Liszts expressieve vondsten aan het goede adres.

Damraus stem is niet de breedste, maar vooral in het middenregister weet ze verrassend te kleuren. Jammer dat in het cd-boekje de slotregels van Heines gedicht Die drei Zigeuner ontbreken.

Diana Damrau (sopraan), Helmut Deutsch (piano). Virgin Classics. 

de Volkskrant, 16 november 2011







13 november 2011

Robin Ticciati, of het KCO-debuut van een piepkuiken



Laten we eens gek doen, dachten ze bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Nu onze chef, Mariss Jansons, zichzelf een halve sabbatical gunt, proberen wij een paar prille maestro's uit. Twintigers, dertigers hooguit: als er chemie optreedt hebben we daar nog zeker vijftig jaar plezier van.

Later dit seizoen melden zich een jeugdige Slowaak (Juraj Valcuha, 1976) en een jonge Duitser (David Afkham, 1983). Donderdag werd het debutantenbal geopend door een krullenbol die je op straat zou inschatten als gymnasiast. Met rank jongenslijf en wapperend overhemd sjeesde hij de trap af van de Grote Zaal. Zijn naam: Robin Ticciati. Als we de Berliner Philharmoniker-chef Simon Rattle mogen geloven, kolkt deze 28-jarige van het talent.

Ticciati (Brits paspoort, Italiaanse opa) oefende zichzelf als operadirigent diep in de Zweedse provincie. De Milanese Scala en de Salzburger Festspiele wisten hem niettemin te vinden en binnenkort maakt hij zijn eerste reis naar de Metropolitan Opera van New York. Vanaf 2014 staat hij aan het roer van het chique operafestival in Glyndebourne, waar Bernard Haitink tot zijn voorgangers behoort.

In de symfonische sector loopt Ticciati minder hard van stapel. Hij is chef van het sympathieke Scottish Chamber Orchestra en vaste gast in het pittoreske Bamberg. Debuteren bij het Concertgebouworkest, die mondiale kanjer, heeft dan ook iets van een statement. Robin Ticciati staat paraat voor het echte werk.

De ouverture tot Schumanns opera Genoveva klonk alsof hij de sleutels van een Porsche had gekregen, maar nog niet wist waar elk knopje zat. Het ding reed grotendeels zichzelf. Vervolgens kenmerkte Mozarts Zeventiende pianoconcert zich vooral door een nette scheiding in het haar. Jonathan Biss, de 31-jarige solist, walste zangerig maar bedaagd heen over de verworvenheden van een paar decennia historische uitvoeringspraktijk.

Pas in de Eerste serenade van Johannes Brahms liet Robin Ticciati horen dat Simon Rattle misschien gelijk heeft. Sterker nog: uit dit stuk met z'n zonnige symfonische allure haalde het Britse piepkuiken zomaar een eigen klank. Jeugdig, fris en strak in het vel, als een antieke tors waarop je de spieren onderhuids ziet lopen.

Een andere Ticciati-touch schuilt in het fijnzinnige terugnemen. Zacht en nog zachter, zonder in te leveren aan balans en kleur. Rijpe maestro's doen daarvoor een moord.

Mozart, Schumann en Brahms. Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Robin Ticciati, m.m.v. Jonathan Biss (piano), Concertgebouw Amsterdam, 10/11. Radio 4: 20/11, 14.15 uur.

de Volkskrant, 12 november 2011

9 november 2011

Risto Joost, chef met toekomst?





Terwijl het Nederlands Kamerkoor vreest voor z'n toekomst, treedt Risto Joost aan als de nieuwe chef. Niks lastiger dan het dirigeren van een koor, vindt de jonge Est. 'Een viool is een viool, maar elke strot is anders.'

In de Vespers van Rachmaninov luistert het nauw. Risto Joost (31), de dirigent uit Estland die met dit fameuze stuk zijn taak als chef van het Nederlands Kamerkoor aanvat, legt de muziek om de paar maten stil. Zijn aanwijzingen lopen uiteen van 'zonder passie, met witte handschoentjes', tot 'hier mag het erotischer' en 'zing als een doorgeslagen Russische poëet'. Joyeus laat het Nederlands Kamerkoor (NKK) de moleculen trillen. Opnieuw tikt Risto Joost af. 'En denk aan de uitspraak. Het is aa-j-en, niet aa-zj-en.'

In oktober 2009 profiteerde het Kamerkoor voor het eerst van zijn kritische oor. Joost herinnert zich een fraai, maar lastig programma. 'Jolivet, Messiaen en Sjostakovitsj. Ik kwam nietsvermoedend mijn werk doen. Korte tijd later vroegen ze me voor het chefschap.' Zodoende zetelt hij nu op een kantoor in de Beurs van Berlage in Amsterdam, waar muziekboeken, partituren en ordners de kasten vullen. Edisonbeeldjes getuigen van de glanzende koorhistorie.

Intussen is het de vraag of het NKK zijn 75ste verjaardag in oktober 2012 overleeft. Rigoureus bezuinigen drijft de zangers uit vaste dienst. Vervolgens kunnen ze zich voor een substantieel lager tarief laten inhuren als freelancer. Dan nog is het de vraag of het helpt. In een rampscenario valt voor 's lands oudste professionele koor het doek. Niet voor niets denkt Risto Joost tegenwoordig vaak aan het lot van de Japanse samoerai. 'Eeuwenlang waren het meesters in de vechtkunst, maar tegen het machinegeweer konden ze niet op.' [Inmiddels is bekend dat het NKK in gesprek is over verhuizing naar Eindhoven per 1 januari 2013. Met steun van deze stad hoopt het koor de tijd te krijgen voor het omschakelen naar een financieringsmodel waarin meer ruimte is voor sponsors en donateurs.]

Na Tõnu Kaljuste is hij de tweede chef die het Kamerkoor betrekt uit het zangparadijs Estland. Risto Joost vroeg na de uitnodiging een paar maanden bedenktijd. Niet vanwege het onzekere perspectief: uit een eerder subsidie-incident was het NKK immers met de schrik vrijgekomen. Wel vanwege zijn eigen ambitie. De dirigent had net besloten zich toe te leggen op orkesten. 'Dat leek mij een logische keuze. Ik houd van koorzang, de stem herbergt kleuren waarover geen instrument beschikt. Maar de professionele koorwereld is klein, daarin zag ik mezelf niet mijn pensioen halen.

Het vooruitzicht op 'slimme, gecultiveerde zangers die geïnspireerd willen worden' gaf de doorslag, aldus Joost. 'In Estland zijn stemmen mooi rond en galmend, maar het stijlgevoel is er minder ontwikkeld dan hier.' Toch kon het NKK de laatste jaren niet meer voetstoots rekenen op vier- of vijfsterrenrecensies. Na het vertrek van de Brit Stephen Layton ging het koor in 2005 verder zonder chef. Gaandeweg begonnen Daniel Reuss en de freelancers van Cappella Amsterdam het koor naar de kroon te steken.

Risto Joost: 'Het gemis van een chef heeft de kwaliteit zeker beïnvloed. Maar zelfs als het Kamerkoor niet langer op eenzame hoogte staat, moet een land zijn erfgoed niet verkwanselen. Net als het Concertgebouworkest is het NKK een sterk merk. Dat laat je bij een zuchtje tegenwind toch niet over aan z'n lot?'

Als dirigent leerde hij de kneepjes bij Jorma Panula, de Finse muziekpedagoog en leverancier van maestro's als Sakari Oramo en Susanna Mälkki. Joosts nevencarrière als countertenor staat tegenwoordig op een laag pitje. In januari 2012 valt zijn solostem bij uitzondering te horen in Vlaanderen, waar het barokgezelschap B'rock hem heeft gestrikt voor Purcells opera The Indian Queen.

In Tallinn, als chef van de Estse Nationale Opera, dirigeert Risto Joost zelf zowel operaklassiekers als nieuw werk. Hij vindt: een orkest door een partituur leiden, is makkelijker dan het dirigeren van een koor. 'Grof gezegd: een viool is een viool, maar elke strot is anders. Dat geldt zeker voor een formatie als het Kamerkoor, met stemmen die door uiteenlopende moedertalen zijn gevormd.'

Hij wil een vaste kern behouden voor een breed repertoire. 'Specialiseren zou het makkelijkst zijn, maar van een elitegezelschap mag je op elk front kwaliteit verwachten. Aan het werken met freelancers zie ik trouwens één voordeel: ze moeten zich steeds opnieuw bewijzen.'

Morgen heft hij in de Grote of Jacobijnerkerk van Leeuwarden zijn armen voor het eerste concert in een tournee met Rachmaninovs Vespers. De componist schreef het stuk in 1915 in twee weken tijd, gedeprimeerd door het tijdsgewricht waarin hij leefde. Risto Joost hoort in de Vespers de diepe emotie van de Russisch-orthodoxe kerk. 'Het is krachtige muziek, die spreekt van hoop.'

Risto Joost treedt aan als de zevende chef van het 74-jarige Nederlands Kamerkoor (NKK). De historie begint op 1 oktober 1937, wanneer oprichter Felix de Nobel met veertien zangers in een Vara-radioprogramma 'schlagermuziek van gisteren en morgen' ten beste geeft. Later in het seizoen volgen strijd- en volksliederen, maar ook cantates van Bach. Van de huidige 1,8 miljoen euro rijkssubside verwacht het NKK per 1 januari 2013 3 tot 6 ton over te houden. 


de Volkskrant, 8 november 2011

7 november 2011

Judith van Wanroij, de sopraan met late timing


Judith van Wanroij als Ilia in Mozarts Idomeneo (foto: Marco Borggreve)

 

Ze wilde achtergrondzangeres worden, werkte een blauwe maandag in het notariaat, maar koos voor de opera. Judith van Wanroij heeft succes als sopraan. 'Ik heb geen ambitie, ik vind het allang mooi dat ik zing.'

Een zwaaihandje naar John Nelson, de dirigent. Even huggen met een koorzanger. Een verloren seconde opvullen met een danspasje. Het is repetitie bij De Nederlandse Opera en aan Judith van Wanroij (37) lijkt de groepsdynamiek welbesteed.

In de foyer van Het Muziektheater in Amsterdam geeft de sopraan toe: ze houdt van het operabedrijf. Altijd reuring, lekker kletsen. Maar aanstaande woensdag, een half uur voor de première van Mozarts Idomeneo, hoeft niemand haar lastig te vallen voor een praatje of een knuffel. 'Dan loop ik alleen maar te ijsberen om mijn plankenkoorts te overwinnen.'

Op haar 22ste werkte ze nog op kantoor. Voor Judith van Wanroij, afgestudeerd juriste, lonkte een toekomst in het notariaat. Tot ze in een flits bedacht: help, ik moet hier weg! Ze wilde zingen. 'Maar ja, ik kón nog niet zingen. Tenminste, niet met een klassieke techniek.'

Vijftien jaar later wordt ze voor hoofdrollen gevraagd door gerenommeerde operahuizen van Madrid en Barcelona tot Toulouse en Parijs. De Franse pers signaleerde al vroeg haar 'vocale lenigheid en warme timbre'. Net als haar 'onberispelijke muzikaliteit' in de rol van Despina, het dienstmeidje dat in Mozarts Così fan tutte trouwens komisch opdraaft als notaris.

Sluipenderwijs begon Van Wanroij ook op te vallen in eigen land. Steeds als ze voor een bijrolletje naar De Nederlandse Opera kwam, stootten kenners elkaar aan. Monteverdi, Purcell of Rameau: er zweefde een helder, fluwelig geluid de zaal in, perfect van dictie en ritmisch interessant gekruid. 'Misschien hoor je daarin mijn achtergrond in de pop en jazz', zegt de sopraan. 'Ik houd van in het tempo hangen en laat timen. Helaas straffen dirigenten dat nogal eens af.'

Als scholiere in het Gelderse Groenlo zat ze met een cassetterecorder voor de radio. Haar helden heetten Barbra Streisand, Janis Ian en Neil Diamond. Van Wanroij zong in schoolbandjes en droomde van een bestaan als achtergrondzangeres.

Gek genoeg kwam de gedachte aan het conservatorium niet in haar op. 'Achteraf is dat maar goed ook. De zwaarte van de opleiding had ik op die leeftijd nooit aangekund.' Vijf jaar later ging het alsnog kriebelen. Ook al neigde ze naar de lichte muziek en jazz, een klassieke basis leek haar nooit weg. De tweedekanssopraan werd op het Amsterdamse conservatorium kritisch verwelkomd: 'mooie stem, dubieuze muzikaliteit'. Jaren later wandelde ze gediplomeerd met onderscheiding weg.

Ze hoort niet tot het slag solisten dat graag met zichzelf pronkt. 'Ik zal nooit roepen: straks première, allemaal komen!' En aan een parallelle carrière in het lied, de wens van elke zanger, wil ze voorlopig niet denken. 'Judith van Wanroij in de Kleine Zaal - ik krijg het nu al Spaans benauwd.'

Toch staat ze straks, als de ouverture tot Idomeneo voorbij is, minutenlang in haar eentje te zingen. Mozart duikt in het gemoed van Ilia, de Trojaanse prinses die een verwarrende cocktail moet verwerken van haat en liefde, jaloezie en wraak. Van Wanroij: 'Ze is door de Grieken ontvoerd, heeft een schipbreuk overleefd en vindt zichzelf terug op Kreta. Daar wordt ze smoorverliefd op de zoon van haar vaders moordenaar, die tot overmaat van ramp een ander heeft.'

'Padre, germani, addio!' heet de aria waarin de verscheurde prinses haar vader en broers aanroept. Van het Duitse regisseursechtpaar Ursel en Karl-Ernst Herrmann moet Van Wanroij zich voorstellen dat Ilia op dat moment een jaar of 18 is en al tien jaar weg uit Troje. 'Toch lijkt het alsof ze nog dagelijks een dialoog voert met haar vader', constateert de sopraan. 'Ik snap dat meisje wel. Mijn vader overleed toen ik 6 was en zoiets draag je met je mee. Ik denk op sommige momenten ook: kom me nou alsjeblieft eens helpen.'

Dit voorjaar kreeg ze haar eerste dragende rol bij De Nederlandse Opera, als Donna Elvira in Mozarts Don Giovanni. Na Idomeneo zakt Van Wanroij weer af naar het zuiden, waar gelouterde dirigenten wachten als William Christie en Christophe Rousset. Een gang naar Duitse operahuizen, wordt weleens gefluisterd, zou haar carrière extra vuurkracht geven. 'Het is er nog niet van gekomen. En ik heb ook geen enkele ambitie, ik vind het allang mooi dat ik zing. Naar Parijs gaan is toch geen straf?'

Voor alle duidelijkheid: Judith van Wanroij werkt keihard. Maar haar grootste streven ligt in het overwinnen van onzekerheid en angst. 'Als ik zing en acteer, spring ik in mijn hoofd van fout naar fout. Er gaat zelden een seconde voorbij zonder negatieve gedachte. Ooit hoop ik de neutrale staat van doorgeefluik te bereiken.'

de Volkskrant, 4 november 2011

Hieronder zingt Judith van Wanroij een aria van Michel de la Barre, begeleid door Cappriccio Stravagante en Skip Sempé

4 november 2011

Mieczyslaw Weinberg verdient een renaissance


Tot voor kort viel hij door elke zeef: Mieczyslaw Weinberg, de Pools-Russische componist van Joodse afkomst die bij zijn overlijden in 1996 zelfs bij kenners onbekend was. Inmiddels lijkt de kentering op til. In Nederland neemt Vredenburg Utrecht de onfortuinlijke kunstenaar als eerste serieus. Na een verkennend Weinberg Weekend in april vindt de herwaardering tot en met zondag plaats in het Weinberg Festival.

In het hart van de programmering zit het Belgische Danel Kwartet, dat negen van Weinbergs zeventien strijkkwartetten speelt. Woensdag was de Nederlandse première van het Vierde. Na het Vijftiende strijkkwartet wisten we het zeker: Mieczyslaw Weinberg verdient een renaissance.

Zijn onzichtbaarheid valt toe te schrijven aan het noodlot, dat aanvankelijk ideologisch was van aard. Vanaf 1939 was de Jood Weinberg nergens welkom. Op z'n 20ste ontvluchtte hij eerst Warschau en later Minsk. Dmitri Sjostakovitsj haalde hem van Tasjkent naar Moskou, waar Weinberg een leven wachtte in de marge. Wat alweer winst was, nadat diezelfde Sjostakovitsj hem in 1953 had gered uit Stalins kerkers.

Muziekhistorisch viste Weinberg ook al achter het net. Hij was nog geen gevestigde naam die na 1945 kon worden opgepoetst. In de Sovjet-Unie werd hij als Poolse Jood gediscrimineerd. En de westerse naoorlogse muziekrebellen vonden hem te ouderwets. Nog een wonder dat Weinberg, wiens familie in de kampen werd vernietigd, 25 symfonieën en stapels ander werk heeft gecomponeerd. Pas vorig jaar ging zijn 'Auschwitzopera' The passenger in première, inclusief een scène waarin SS-officieren genieten van Bachs Chaconne voor viool, uitgevoerd door een gevangene.

De kar van Weinbergs kamermuziek wordt sinds 1994 getrokken door het Danel Kwartet. Na hun vertolking van het Vierde strijkkwartet (1945) begrijp je dat ze moeten zijn gevallen voor de overbloezende verbeelding. Elk van de vier delen bevat genoeg materiaal voor een zelfstandig stuk, met hier en daar een wak. Soms benadert Weinberg de ruigheid van Bartók en het wrange schuren van Sjostakovitsj. Evengoed werpt hij Beethoven door een 20ste-eeuws prisma, of klinkt een fiddle-motief in de altviool.

Onverwisselbaar Weinberggeluid zit in het zachte klagen. De associatie is onvermijdelijk: je hoort de murmelende stemmen van dolende geesten, met tonen die zich plooien naar Joods verdriet. Bewasemd stijgen ze op uit het Danel Kwartet, dat z'n reddingswerk dit weekend samen met andere musici voortzet. Grote kans dat we na een Cellosonate, het Vioolconcert en de Zestiende symfonie constateren dat de 20ste eeuw er een componist bij heeft.



Weinberg Festival. Strijkkwartetten door het Danel Kwartet, 2/11. T/m 6/11, vredenburg.nl.

de Volkskrant, 4 november 2011

3 november 2011

Jan Van der Crabben chante Claude Debussy

Op je bureau belanden altijd weer cd's waarvan je het soortelijk gewicht al bij voorbaat denkt te kennen. Soms wordt zo'n vooroordeel bevestigd, maar fijner zijn de momenten waarop je je vooringenomenheid als een boemerang in het gezicht krijgt teruggeslingerd.
 
Van Jan Van der Crabben hadden we slechts zijdelings gehoord. Al die jaren wisten we dus niet dat in de Vlaamse bariton een fijngevoelige zanger schuilt. Met Inge Spinette, zijn tactvolle pianiste, maakte Van der Crabben een keuze uit de ruim tachtig liederen van Debussy.

De Vlaming is een geboren verteller, die de melodieën op poëzie van Bourget, Verlaine en Villon delicaat, maar niet geaffecteerd weet te plooien. Mooie hoogte, warm in het laag, kristalheldere dictie met charmante keel-r. Genoeg ingrediënten voor een tijdelijke verslaving.



Debussy: liederen. Jan Van der Crabben (bariton), Inge Spinette (piano)
Fuga libera 

de Volkskrant, 2 november 2012

2 november 2011

Agrippina, nieuwe voltreffer van René Jacobs



René Jacobs behoort tot het artiestenvolkje dat jury's van cd-prijzen weet te verleiden tot narrige discussies. Wéér een voltreffer, wordt er dan verzucht. Kan die man niet eens plaatsmaken voor jong talent?

Dat zit er voorlopig niet in, luidt de conclusie na Agrippina, een opera waarin de jonge Georg Friedrich Händel geniaal spettert met noten. Zo klinkt het tenminste bij René Jacobs, de Vlaamse dirigent die na vele prijswinnende Mozarts eindelijk weer eens een Händel aflevert.

Jacobs' troef in 2009, op het toneel van de Staatsoper Berlin, heette Alexandrina Pendatsjanska. Ook op cd zet de Bulgaarse sopraan een overrompelende Agrippina neer, gewiekst begeleid door de Akademie für Alte Musik Berlin. Zelden vertoond: je spoelt een aria door om je te kunnen laven aan de feeksachtige, stroopsmerende zingzang van het volgende recitatief.


Händel: Agrippina. Solisten, Akademie für Alte Musik Berlin o.l.v. René Jacobs 

Harmonia Mundi (3 cd's, 1 dvd) 

de Volkskrant, 2 november 2011