Alsof EMI de discografische nalatenschap van Maria Callas al
niet genoeg heeft uitgebaat, sleept het label de legendarische diva nu
met de haren bij een cd-project van Angela Gheorghiu. Zoals zoveel
muziekliefhebbers is ook de Roemeense stersopraan een Callasfan. Hebbes,
dacht EMI. Gheorghiu's cd met een verzameling losse opera-aria's kunnen
we mooi in de markt zetten als zusterlijk eerbetoon.
Het twijfelachtige hoogtepunt vormt de 'Habanera' uit Bizets
Carmen. Slimme software vermengt de Callasversie postuum met die van
Gheorghiu. Het is vooral leuk voor connaisseurs, die uit kunnen pluizen
waar Angela het overneemt van Maria.
Maar Gheorghiu heeft zo'n trukendoos helemaal niet nodig. Op
eigen kracht laat ze prima horen waarom ze geldt als een gebenedijde
sopraan. Voor het klassieke belcanto van Bellini is haar stem te vurig,
maar in de verhevigde sentimenten van Leoncavallo's verismo staat ze op
haar plaats. Dat Gheorghiu's expressie soms neigt naar het cliché van de
bungelende traan, nemen we dan maar voor lief.
Homage to Maria Callas. Angela Gheorghiu (sopraan), Royal Philharmonic Orchestra o.l.v. Marco Armiliato. EMI.
Een hartgrondig 'boe!' valt in de hedendaagse concertzaal zelden
te horen. In Mahlers tijd was dat wel anders. Toen de componist in 1899
zijn eigen bewerking dirigeerde van Beethovens Strijkkwartet opus 95,
vlogen voor- en tegenstanders elkaar luidruchtig in de haren.
Kritische
Weners meenden dat je de slanke kamermuziek niet mocht hullen in een
mollige partituur. Het arrangement verdween in de la en dook pas eind jaren tachtig
weer op. Amsterdam Sinfonietta zet het op de lessenaars en wat blijkt:
onder Mahlers enthousiasme lijdt Beethovens 'quartetto serioso' geen
spat.
Het Amsterdamse strijkerspalet reikt van gruizig grijs tot een
vlammende kastanjetint. Veelkleurigheid kenmerkt ook het Adagietto uit
Mahlers Vijfde symfonie, met Gwyneth Wentink peinzend op de harp. Pièce
de résistance vormt het bewerkte Adagio uit Mahlers onvoltooide Tiende
symfonie. Je hoort de 19de eeuw onder je oren verbrokkelen. De sensatie
is die van de zere plek waarover je genotvol wrijft.
The Mahler Album. Amsterdam Sinfonietta o.l.v. Candida Thompson Channel Classics
Bij het Nederlands Symfonieorkest, voorheen het Orkest van het
Oosten, beschouwen ze Beethoven niet als een leverancier van
geparfumeerde klanken. Dat heeft ongetwijfeld te maken met de oren van
Jan Willem de Vriend.
De chef-dirigent, gepokt en gemazeld in muziek uit de 17de en
18de eeuw, weet het revolutionaire van Beethovens vroeg-19de-eeuwse
exercities voluit te waarderen. Wegstuivende cello's, proestend koper, een vinnige paukentik: op
de vierde en voorlaatste cd van de Enschedese symfoniecyclus komen ze
opnieuw voorbij. De Tweede en Derde zijn van een ongepolijste charme,
passend bij de componist die zelf heel wat piano's heeft afgeragd.
Keerzijde van de onstuimigheid is wel dat er in de orkestklank
weinig diepte zit. En van puur enthousiasme struikelen de ritmes soms
voorover. Neemt niet weg dat er straks, als ook de Negende symfonie is
verschenen, een stoere Beethovencyclus ligt.
Beethoven: Tweede en Derde symfonie. Nederlands Symfonieorkest o.l.v. Jan Willem de Vriend. Challenge Classics.
Van dirigenten als Mengelberg, Van Otterloo, Van Beinum en
Haitink bestond er al een. En nu, kort na zijn 70ste verjaardag, krijgt
ook hoboïst Han de Vries een kloek eerbetoon. The Radio Recordings staat
er op een box met negen cd's en twee dvd's, vol opnamen uit de jaren
1968-2002.
Aanjager van dit project was Peter Bree, de voormalige
radiopresentator die ooit hobo studeerde bij De Vries. Bree schuimde de
archieven af en verdoekte zo nodig cassettebandjes uit zijn eigen
collectie. Nadat tientallen liefhebbers een financiële bijdrage hadden
geleverd, konden drie decennia Hollands hobospel worden gebundeld.
Nu ligt er een historisch document dat zowel plaats biedt aan de
romantiek van Röntgen als de moderniteit van Maderna. Bach blaast
natuurlijk z'n partijtje mee, naast hedendaagse vaandeldragers als
Penderecki, Feldman, Stockhausen en Carter. En doorlopend hoor je die
ranke, zangerige hobotoon van Han de Vries.
Han de Vries: The Radio Recordings (9 cd's, 2 dvd's) Oboe Classics, te bestellen via han70@kpnmail.nl
De naam is Lucy Crowe en voor een Britse sopraan lijkt dat geen
pre. Maar van gekras is op haar debuut-cd geen sprake. Integendeel,
Crowe wijdt zich met een honingkeel aan de cantates die Georg Friedrich
Händel rond 1707 in Italië schreef.
De Duitser bewoog zich in de hoogste kringen, met opdrachtgevers
als markies Ruspoli en kardinaal Pamphili. Als begin-twintiger snoof
hij de muzikale mores van Florence en Rome diep in zich op. Toen al
vloeiden de noten van zijn latere hit Lascia, ch'io pianga uit Händels
pen.
Hoe hoger Lucy Crowe komt, hoe resonansvoller en kleurrijker
haar stem. Eén aandachtspuntje is er wel: het spuwen van snelle noten
lukt nog niet zonder kwaliteitsverlies.
Händel: wereldlijke cantates. Lucy Crowe (sopraan), The English Concert o.l.v. Harry Bickett. Harmonia Mundi.
'Alles draait om karakter en kleur', zegt Benjamin Hulett. De
jonge Brit spreekt niet over de driehonderd soorten thee waaruit hij
zojuist zijn keuze heeft gemaakt. In een hip theehuis in het
Noord-Franse Lille beschouwt hij zijn vak, de klassieke zangkunst,
waarin de 34-jarige tenor een opmerkelijke opmars maakt.
Sommigen schrijven zijn naam zelfs al bij op een lijstje met
illustere zangers die Engeland de afgelopen decennia heeft
voortgebracht. Er staan geen heldentenoren of ander luidruchtig volk op,
maar subtiele kunstenaars die boven een partituur zweven alsof
zwaartekracht niet bestaat. De vorig jaar overleden tenor Anthony
Rolfe-Johnson was er zo een. Ian Bostridge beheerst die glijkunst nog
altijd.
In Benjamin Huletts steile carrière kan het Nederlandse seizoen alvast niet meer stuk. In maart zingt hij bij de Bachvereniging de veeleisende
Evangelistenrol in de Matthäus Passion. Kort na Nieuwjaar komt hij met
Beethoven en Stravinsky naar de Radio Kamer Filharmonie. En deze week maakt de tenor zijn debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest.
In zijn koffer zit Venetian Journal, een geestig stuk van Bruno
Maderna uit 1972 dat om onnaspeurbare redenen zelden klinkt. De keuze
rijmt bij de thematiek van Huletts debuut-cd Departures, vorig jaar
verschenen, met een veelgeprezen selectie van Britse liederen die de
gebaande paden verlaat.
Dat hij sindsdien niets aan karakter en kleur heeft verloren,
demonstreert de tenor diezelfde avond in Lille. Hij zingt solo's in Die
Schöpfung, het scheppingsverhaal op muziek van Haydn. Roze ochtendnevels
en hemelse heerscharen: Hulett tekent ze uit met een lichte,
beweeglijke, fraai getimbreerde stem.
Zijn zangersleven begon toen hij 7 jaar was. Hulett auditeerde
bij het koor van Winchester Cathedral, een eeuwenoud instituut voor
jongens, adolescenten en mannen, wier stemmen zijn toegesneden op devote
renaissancemuziek en welluidende nieuwlichterij. 'Sindsdien ben ik niet meer gestopt. Het was dag in, dag uit
zingen, ook tijdens vakanties. In zo'n koor leef je niet volgens de
schoolkalender, maar volgens het kerkelijk jaar.'
Later werd hij gerekruteerd voor de elite-kelen van New College
in Oxford. Op z'n 20ste mocht hij mee naar Duitsland, voor een korte
tournee met Bachs Weihnachts-Oratorium.
En toen, in het vliegtuig, kwam de vermaarde dirigent
Christopher Hogwood op hem af. 'Of ik een zieke solist wilde vervangen.
Hoog boven de wolken heb ik mijn partij ingestudeerd. Tijdens de
concerten bekroop me het gevoel dat een solocarrière misschien iets voor
mij was.'
In 2005 kon hij aan de slag bij de opera van Hamburg. Een jaar
later hielp Hulett de ZaterdagMatinee uit de brand. Sindsdien vindt de
prestigieuze concertserie elk seizoen wel emplooi voor de Engelse tenor.
Herstel, Britse tenor. Want, zegt Hulett, anders denken kenners
meteen aan de legendarische Peter Pears en andere vertegenwoordigers van
de ranke, etherische school, die de intellectuele benadering van een
tekst vaak plaatst boven de muzikaal-spirituele.
'Het is de English blend die wordt gecultiveerd in koren:
zachtjes dobberen aan de bovenkant van je stem. Terwijl ik ook andere
karakteristieken nastreef, zoals meer diepte in de klank en een vloeiend
legato. Zodat je met woorden meer kunt doen dan ze alleen maar keurig
uitspreken.'
Die vaardigheid zal goed van pas komen in Maderna's Venetian
Journal. Bij het Concertgebouworkest vormt het werk de theatrale toets
in een verder serieus symfonisch programma. Zingen, praten en kwelen -
Maderna laat geen truc onbenut.
Hulett: 'Het zijn de dagboekaantekeningen van een idioot. De
muziek is opgesplitst in deeltjes die elkaar vrolijk tegenwerken.
Ironisch genoeg mondt de chaos uit in een strenge fuga.
Natuurlijk gaat zo'n stuk niet over het etaleren van een mooie
stem, je bent voortdurend bezig met het tot leven wekken van een tekst.'
Ziedaar zijn ideaal. 'Ik zing vier eeuwen repertoire, van
Monteverdi tot vandaag. Het zou raar zijn als je die muziek benadert met
één, uit duizenden herkenbaar geluid. Ik vind het een dubieus
compliment wanneer de luisteraar bij mijn concerten denkt: ha, typisch
Ben Hulett!'
Koninklijk Concertgebouworkest o.l.v. Markus Stenz, met Benjamin Hulett (tenor). Amsterdam, Concertgebouw, 15/12 en 16/12. Radio 4: 8/1, 14.15 uur. www.aaaserie.nl.
TRIPLE A
Benjamin Hulett treedt op in de AAA-serie van het
Concertgebouworkest. De afkorting staat voor Actueel, Avontuurlijk en
Aangrijpend, de concertformule is interdisciplinair. Met muziek,
lezingen, debat en beeldende kunst wil het orkest de oren openen voor
een ander, vooral hedendaags geluid. Bij elk van de zes themaprogramma's
levert het weekblad De Groene Amsterdammer een bijlage. Na het concert
van donderdag vindt in het Concertgebouw een 'Meet & Greet' plaats
met Hulett en andere musici. Voor vrijdagmiddag staan voordrachten en
korte optredens gepland. Jongerenvereniging Entrée rondt het
avondconcert af met een Late Night Café. www.aaaserie.nl.
We bezochten de kraamkamer van de meerstemmige muziek.
Die was tijdelijk gevestigd in de Lutherse Kerk van Zwolle, waar zes zingende
vrouwen lieten horen hoe rond het jaar 1200 nieuwe melodieën ontsproten aan het
eenstemmige gregoriaans. Dat was een revolutionaire fase in de westerse muziek.
Zonder meerstemmigheid immers geen Bach en Beethoven, maar ook geen Beatles of
Bjørk.
In zijn kerstprogramma wierp het Franse ensemble
Discantus een blik op de Notre-Dame van Parijs. Dat was geen vals chauvinisme:
in de vroege Middeleeuwen lag daar inderdaad het belangrijkste laboratorium van
de polyfonie. Componisten als Leoninus en Perotinus experimenteerden er met de
prilste meerstemmige technieken. Je kon elke noot gregoriaans voorzien van een
tegennoot. Of je rekte hem juist op, waarmee je een basis legde voor de
sierlijke arabesken van een tweede stem.
Toevallig heeft het Nederlands Kamerkoor net een tournee
afgesloten met deels hetzelfde repertoire. Toch is het voor de liefhebber korte
vreugde, want de Middeleeuwen zetten zelden een voet buiten de omheining van het
Festival Oude Muziek.
Of Discantus tot de vlotste voorvechters behoort, is
intussen een ander verhaal. De dames droegen dan wel geen kloosterhabijt, met
hun enkellange, zwarte rokken maakten ze duidelijk dat het hier ging om een
serieuze zaak. Zelfs de handbellen die hun visitekaartje vormen, vrolijkten de
boel niet blijvend op.
Of die klokjes in de Middeleeuwen daadwerkelijk werden
gebruikt, blijft ongewis. Of vrouwen zongen is evenmin zeker. Maar mist hangt
vooral rond de vraag of ze dat deden met de half gecultiveerde, half naturelle
stemmen van Discantus.
In Latijnse teksten werd feestelijk afgekoerst op de
geboorte van Christus. 'De Maagd baart een kind zonder dat de lelie van haar
kuisheid verwelkt, hei hei, nova gaudia!' Helaas golfde die nieuwe vreugde
nogal bedremmeld uit de kelen. Zoals de meeste zang eerder studieuze
correctheid deed vermoeden, dan hemelse inspiratie.
Maar eerlijk is eerlijk: de akoestiek van het Zwolse
kerkje hielp niet mee bij het creëren van de galmende zingzang waar deze oude
melodieën om vragen. Later deze week, wanneer het ensemble ruimere locaties
aandoet in onder meer Utrecht en Amsterdam, kan dat alleen maar verbeteren. De
potentie is er. Op volle sterkte en met een carillon van handklokken liet
Discantus de ruimte wel degelijk zinderen en zoemen.
Kerst in de Notre-Dame. Ensemble Discantus o.l.v. Brigitte Lesne. Zwolle,
Lutherse Kerk, 13/12. Tournee t/m 18/12. oudemuziek.nl
Het elektra wordt verzorgd door Elektra. Zo eenvoudig zit
hedendaags muziektheater naar oude mythes soms in elkaar. In Orest, de
nieuwe opera van de Duitse componist Manfred Trojahn, sluit Elektra de stekker
aan van de boormachine waarmee haar broer Orestes een verse moord begaat. Zoemend
draait de punt zich in de borst van zijn tante Helena. Als ze in elkaar zakt,
kleeft de zoveelste bloedvlek op het behang van hun luxewoning in Argos.
Tijdens de wereldpremière van Orest, donderdag in
het Amsterdamse Muziektheater, werd bij deze schanddaad echter niet gegruweld,
maar juist gegniffeld. Forensische experts in witte overalls hadden negentig
minuten lang de CSI-sensatie opgewreven. Ze wierpen ultraviolet licht op de
badkuip waarin de moeder van Orestes, Clytemnestra, zijn vader Agamemnon had vermoord.
Ze stelden de bijl veilig waarmee zoonlief vervolgens had ingehakt op zijn mams
en haar minnaar. En dan kregen we nu deze lullige manoeuvre van een onhandige
doe-het-zelver voorgeschoteld?
Achter zo'n idee schuilt mogelijk Britse ironie. Maar het
onderstreept misschien ook dat regisseur Katie Mitchell zich aan haar
Amsterdamse operadebuut heeft vertild. Zelden namelijk heeft premièrepubliek in
de Stopera zo'n lauw slotapplaus afgeleverd.
Dat is vooral vervelend voor Manfred Trojahn, die zijn
zelfgeschreven libretto heeft voorzien van klanken die nu eens borrelen als
moerasgas, dan weer flikkeren als vlijmscherp metaal. Aanvankelijk lijkt de
componist niet verder te komen dan tweesporenmuziek (óf hard, óf lyrisch). Maar
gaandeweg breekt de partituur open in de kleuren die passen bij Elektra's
hardheid, Orestes' twijfel en de narcistische weemoed van de uit Troje
teruggekeerde Helena.
Aan Katie Mitchell waren zulke muzikale nuances minder
besteed. Haar oor beperkte zich tot de vaststelling dat het soms nogal langzaam
ging. Op het toneel vertaalde die observatie zich in een slow-motionmotoriek.
En nu ze de spoelknop toch in de hand had, kon Mitchell de vijf Clytemnestra's
die Orestes kwamen kwellen best achterwaarts laten lopen.
Die filmische oriëntatie leidde tot een onmuzikale
paradox. Als ze zwegen, waren de solisten tot in het kleinste zenuwtrekje
geregisseerd. Maar ging hun mond open, dan verloor Katie Mitchell haar greep.
Alsof ze slecht uit de voeten kon met het raadselachtige fenomeen van de
acterende zanger.
Manfred Trojahn had het stuk in terroristische kring
willen plaatsen. Mitchell koos voor een familiegeschiedenis met psychiatrische
trekjes, op te voeren in een als poppenhuis opengewerkte woning
(jaren-zeventigstijl, veel gepolitoerd hout). Maar door de verzenuwde Orestes
met medicijnen te sederen, bleef er van zijn angsten weinig over. En de stem van bariton
Dietrich Henschel stak toch al mat af bij het vocale glanswerk van de vrouwen
om hem heen.
Rosemary Joshua als Helena, Romy Petrick als haar blozende
dochter Hermione, de halsstarrige Elektra van Sarah Castle: hun expressieve
lijnen verdiepten de karakters. De andere helden van deze voorstelling zaten in
de orkestbak. Het Nederlands Philharmonisch Orkest en dirigent Marc Albrecht
schonken Manfred Trojahn de vlammende, trefzekere Uraufführung waarvan
hij stiekem moet hebben gedroomd.
Manfred Trojahn: Orest. Regie: Katie Mitchell. Solisten,
Nederlands Philharmonisch Orkest o.l.v. Marc Albrecht. Amsterdam, Het
Muziektheater, 8/12. Voorstellingen t/m 28/12, dno.nl. Radio 4: 17/12, 19.00
uur.
De sinds de jaren zeventig florerende
ensemblecultuur komt door de bezuinigingen zwaar onder druk. Of heeft
dat ook voordelen? Een rondgang.
Laatst viel het te beleven in de Rotterdamse Doelen: hoe
dirigent Frans Brüggen zijn Orkest van de Achttiende Eeuw met wapperende
jaspanden door de symfonieën van Beethoven joeg. We konden doorreizen
naar het festival November Music in Den Bosch, waar de
Grieks-Nederlandse componist Yannis Kyriakides intieme, onderhuidse
klankverkenningen had uitgestippeld voor het ensemble Asko|Schönberg.
Tot de muzikale smaakmakers van Nederland behoort ook het ICP
Orchestra, de improvisatieclub waarin pianist Misha Mengelberg en
drummer Han Bennink geregeld loos gaan. Vergeten we het Ives Ensemble niet,
specialisten van de ongedirigeerde kamermuziek uit de 20ste en 21ste
eeuw. En ook celliste Quirine Viersen behoort tot de club, wanneer ze
solerend in kerkjes van Kollum tot Westwoud de puurheid zoekt van Bach.
Al deze ontdekkingstochten vallen onder één noemer: de
ensemblecultuur. Dat is de biotoop van oude en de hedendaagse muziek,
van jazz en geïmproviseerde muziek - alle muziek die zich niet
thuisvoelt op het traditionele pluche van symfonieorkest en operahuis. Tientallen groepen en groepjes garanderen dat in concertzalen,
kerkruimtes en wijkgebouwen meer te beluisteren valt dan Mozart, Mahler
en dixieland. De ensemblesector kwam op stoom in de jaren zeventig, het
publiek stroomt toe sinds de jaren tachtig, en het buitenland is nog
altijd jaloers.
Maar nu geldt alarmfase rood.
'Er gaan grote gaten vallen', waarschuwt de Vereniging Nederlandse Muziek Ensembles.
'Een belangrijk deel zal sneuvelen', bevestigt een oud-directeur van het Utrechtse Muziekcentrum Vredenburg.
'Over de toekomst moeten we niet overdreven optimistisch doen', meent ook de leiding van het Fonds Podiumkunsten.
Hun zorgelijke toon heeft een reden: per 1 januari 2013 gaat het
mes in de subsidies. Van de 10,8 miljoen euro die het Fonds
Podiumkunsten nu nog over de ensembles kan verdelen, resteren er 5,8
miljoen: een krimp van 47 procent. Wie aanspraak wil maken op geld, moet
bovendien voldoen aan nieuwe, aanzienlijk strengere eisen.
Holland Baroque Society
'De sector gaat bloeden', voorspelt Paul Dijkema, woordvoerder
van de Vereniging Nederlandse Muziek Ensembles. Volgens hem kan
Amsterdam Sinfonietta straks zonder aanvullende financiering 'geen kant
meer op'. Als het Nieuw Ensemble al blijft draaien, is het 'gemankeerd'.
Gerespecteerde oudjes als het Nederlands Kamerkoor (1937) zijn hun
leven net zo min zeker als de blozende Holland Baroque Society (2005).
Het gevolg is, vrezen sommigen, dat er straks nog nauwelijks
hedendaagse noten worden gespeeld. Dat de oude muziek een zware dreun
krijgt. Dat de humuslaag van het muziekleven verschraalt. Maar er klinken ook andere geluiden. Misschien, werpen sommigen
tegen, zijn er ook ensembles sleets geraakt. En waarom zou je de
subsidiekanalen, verstopt door grootverbruikers, niet eens doorblazen?
Dat laatste suggereert het Fonds Podiumkunsten zelf, in zijn
inleiding bij de Deelregeling meerjarige activiteitensubsidies
2013-2016. Daar valt te lezen: 'Het nieuwe stelsel moet een eind maken
aan historisch gegroeide, maar niet meer te verantwoorden
subsidieverschillen.'
Sinds dit document in november verscheen, gaat het in
ensembleland even niet meer over Bach, Brubeck en Boulez. Men kauwt er
op taaie woorden als 'drempelnorm', 'innovatietoeslag' en
'eigeninkomstenquote'.
Hoe anders ging dat in de begintijd, toen het 'eksperiment'
klonk tijdens 'inklusieve konserten' in Carré. Toen met knijpkikkers en
ratels werd geprotesteerd in het Concertgebouw. Toen je opwindende
manifestaties kon bijwonen als 'Musici voor Vietnam'. Het moest rond 1970 allemaal anders. En liefst een beetje snel.
Componist Louis Andriessen richtte het Orkest De Volharding op, dat
aantrad bij stakingen en demonstraties. Reinbert de Leeuw bracht het
modernisme van de Tweede Weense School onder bij het Schönberg Ensemble.
De authentieke dadendrang van Frans Brüggen ontlaadde zich in het
Orkest van de Achttiende Eeuw.
Mathieu Heinrichs zat bij die revolutie op de eerste rang. In
1978 begon hij als publiciteitsmedewerker bij het Utrechtse
Muziekcentrum Vredenburg. In 2007 nam hij er afscheid als directeur. Vredenburg haalde ze binnen, het Willem Breuker Kollektief met
z'n vrolijke anarchie, de ritmische toverpaleizen van Slagwerkgroep Den
Haag, de amper opgedroogde noten waarin het Asko Ensemble zich had
gespecialiseerd. Mathieu Heinrichs zag jonge honden in een uitgelaten
stemming. 'We hadden elke maand wel een festival oude of nieuwe muziek
kunnen programmeren.'
Op weinig plekken werd de klassieke mainstream zo vroeg en zo
brutaal uitgedaagd als in Nederland. Om de pluriformiteit te vieren
verrees in 2005 het Muziekgebouw aan 't IJ. Al decennialang hebben
Nederlandse ensemblemusici, geëngageerd en veelzijdig, in het buitenland
een streepje voor.
Het Nederlands Kamerkoor in vroeger tijden
Maar thuis liggen het elan en de kwaliteit onder vuur. Het is
bon ton om te constateren dat de cao-zangers van het Nederlands
Kamerkoor zijn ingehaald door de freelancers van Cappella Amsterdam. Met
zijn kernrepertoire, buiten de kindercomponistjes en muzikale
immigranten om, scoort het Nederlands Blazers Ensemble soms zuinige
recensies met daarboven een of twee sterren. 'Je kunt ook niet eeuwig de sensatie van het nieuwe overeind
houden', zegt Mathieu Heinrichs. 'Neem het orkest van Brüggen. Zo
revolutionair als in de begintijd kan het gewoon niet meer spelen.Die esthetiek
is allang doorgesijpeld naar het reguliere muziekleven.'
De bezoekersaantallen lijken op het eerste gezicht niet
verkeerd. In 2009 trokken de dertig ensembles van de Vereniging
Nederlandse Muziek Ensembles een half miljoen bezoekers met 1.200
concerten, gemiddeld 400 per concert. Maar iedereen die weleens een zaal
binnenstapt, ziet dat de nieuwe muziekensembles daar soms fors onder
duiken.
Met hetzelfde genre trok Vredenburg destijds acht- tot
negenhonderd liefhebbers, weet Mathieu Heinrichs. De terugval heeft
volgens hem minder te maken met de ensembles en hun repertoire, maar
meer met het publiek. 'De komst van nieuwe media heeft het consumptiegedrag ingrijpend
veranderd. De marketing is een stuk gecompliceerder geworden. Ik kon
ooit volstaan met de juiste advertentie in de Volkskrant of NRC.'
Dat het tij keert, bleek ook in 2008. In zijn subsidieadviezen
kraakte het Fonds Podiumkunsten het ondernemerschap van wereldvermaarde
ensembles als het Amsterdam Baroque Orchestra en Asko|Schönberg. En
sindsdien is de wind voor de ensembles alleen maar guurder geworden.
Steeds meer burgers bekijken de kunsten door het populistische frame van
de subsidieslurper.
In het heetst van de bezuinigingsdiscussie leverde dat een
bedroefde Jaap van Zweden op. Bij Pauw & Witteman schetste de
dirigent en oud-violist het gekwetste perspectief van de beroepsgroep.
Stop je vanaf je kindertijd uren per dag in een weerbarstig instrument,
zetten ze je te kijk als parasiet.
Terwijl het voor ensemblemusici allesbehalve een vetpot is, zegt
woordvoerder Dijkema van de vereniging Nederlandse Muziek Ensembles. Hij
schat de bruto honoraria op 120 à 250 euro per concert. Minder komt ook
voor. Een dagdeel repeteren levert 60 tot 90 euro op. Het instuderen
van een gloednieuwe partituur geschiedt voor eigen rekening: wie er geen
orkest- of lesbaan naast heeft, blaast of strijkt zich suf.
Toch, zo meldt de tweekoppige directie van het Fonds
Podiumkunsten op zijn Haagse kantoor, is het binnen de gegeven schaarste
juist de ensemblesector die relatief wordt ontzien. George Lawson: 'Op
theater, dans en festivals bezuinigen we weliswaar 5 procent minder,
maar die sectoren wacht een veel zwaardere concurrentie van collega's
die uit de Basisinfrastructuur worden gestoten.'
Basisinfrastructuur, afgekort BIS: dat is de eredivisie
waarbinnen de subsidies worden verdeeld door de Raad voor Cultuur. Maar
aan die boom is door staatssecretaris Zijlstra flink geschud. De
afvallers rollen linea recta naar het Fonds Podiumkunsten, dat zelf met
30 procent wordt gekort.
Directeur Henriëtte Post: 'De ensembles wacht een enorme
selectie. Maar voor de overlevers is er een positieve kant: hun
afzetmarkt wordt flink verruimd.' Vanaf 15 december kunnen de aanvraagformulieren worden
gedownload. Post verwacht er 100 tot 120 retour, waarvan er naar
verwachting 'minder dan de huidige 37' kunnen worden gehonoreerd.
'Toch zijn het geen treurige gesprekken die wij met de ensembles
voeren', zegt mede-directeur Lawson. 'Ik zie volop creativiteit. Men is
bezig de mogelijkheden van de nieuwe regeling te ontdekken. Sommige
groepen onderzoeken of ze gezamenlijk een aanvraag kunnen indienen,
andere of ze nog wel goed zitten in hun vestigingsplaats Amsterdam.'
Henriëtte Post: 'De sleutel ligt in de relatie met het publiek.
Als de ensemblewereld zich daar de afgelopen tien jaar meer op had
geconcentreerd, was er nu een andere situatie geweest. Te lang hebben we
gedacht dat het vanzelf zou gaan.'
Zieltogend Muziekgebouw
Toen het Muziekgebouw aan 't IJ in 2005 werd opgeleverd, gold
het als een triomf van de Nederlandse ensemblecultuur. Zalen,
kantoorruimte en een eigenwijze programmering: het land had er een parel
bij. Zes jaar later zieltoogt de tempel. Het programmabudget van negen
ton is bescheiden voor een podium dat week in, week uit moet draaien. De
gemiddelde zaalbezetting bedraagt 50 procent. Vanaf februari 2012 moet
een nieuwe directeur, de van Paradiso betrokken Maarten van Boven, het
schip vlot trekken. Dat er meer pop gaat klinken, heeft hij alvast
aangekondigd. Het zou niet verbazen als ook wereldmuziek aan de oevers
van 't IJ een opmars maakt. Dat er publiek voor is, heeft het Holland
Festival in zijn laatste edities aangetoond met de Libanese zangeres
Fairouz en haar Egyptische collega Amal Maher.
De nieuwe subsidieregels
Vanaf 1 januari 2013 verdeelt het Fonds
Podiumkunsten jaarlijks 5,8 miljoen euro over de muziekensembles (nu
nog 10,8 miljoen). Aanvragen worden beoordeeld volgens een puntensysteem
dat rekening houdt met artistieke kwaliteit, ondernemerschap,
pluriformiteit, spreiding over het land en het al dan niet ontvangen van
een bijdrage van gemeente of provincie. Ook de grootte van de zalen
waarin wordt opgetreden, speelt een rol. Daarnaast valt een
innovatietoeslag te verdienen van 20 procent. Het systeem van
exploitatiesubsidies verdwijnt. Het Fonds kent een basisbedrag toe per
voorstelling (minstens veertig en maximaal tachtig per jaar).
In de delicate wereld van pianotrio en strijkkwartet is het een
ijzeren wet: vroeg of laat krijg je te kampen met personeelsverloop. Bij
het Nederlandse Trio Suleika breekt dat moment tien jaar na oprichting
aan, nu Sanne Hunfeld toeleeft naar een tweeling. Ze wordt opgevolgd
door Emmy Storms.
Hunfeld vertrekt op een hoogtepunt. De nieuwe Suleika-cd, met
pianotrio's van Ravel en Olthuis, laat namelijk weinig te wensen over.
Hunfeld en de cellist Pepijn Meeuws bewijzen zichzelf als meesters van
ruis en boventoon. Maurice Lammerts van Bueren haalt uit zijn piano
zowel mos als klokkenspel. Gedrieën geven ze Ravels Pianotrio
meesterlijke trekjes.
Even spannend verloopt de reis die Kees Olthuis schildert in
Voyage à l'horizon.....Seul..... Met impressionistische toets en al is
dit stuk opgedragen aan de in 2002 overleden decorontwerper en schilder
Harry Wich.
Ravel, Olthuis. Trio Suleika: Voyage. Cobra Records
De zeven strijkers van het Nederlandse EnsembleCaméléon gingen op
puberjacht. Ze vingen Gioacchino Rossini, die als 12-jarige een
alleraardigste Sonata a quattro afleverde. Ze verschalkten Felix
Mendelssohn, de 14-jarige schepper van strijkerssymfonieën. En ze kregen
Erich Wolfgang Korngold in het vizier, de Wener die rond z'n 17de een
Strijksextet met Freudiaanse ondertonen schreef.
In haar toelichting legt Vrouwkje Tuinman een speelse link
tussen wonderkind en puberbrein. Op hun beurt laten de musici horen dat
er aan jonge noten niks kinderlijks hoeft te kleven. EnsembleCaméléon
wroet en walst in Korngold. Rossini wordt feestelijk gearticuleerd. En
op safe wenst de groep ook in Mendelssohn niet te spelen. Het enige wat
het luisterplezier soms ontregelt, zijn rafelrandjes aan het samenspel.
Michel van der Aa is de eerste componist die een celloconcert
schreef met een rol voor een staande schemerlamp. Andere primeur: de
uitverkoren soliste, Sol Gabetta, verruilt haar glamoureuze
concertkleding voor een huisvrouwenjurk uit de jaren vijftig.
Up-close (2010) heet het stuk waarin Van der Aa opnieuw film en
muziek combineert. De dvd-registratie begint als een regulier concert in
het Muziekgebouw aan 't IJ. Tot Gabetta op filmdoek wordt verdubbeld
door een oudere vrouw die raadselachtige handelingen uitvoert.
Het spiegelpaleis van muzikante en actrice heeft Van der Aa
eerder opgetrokken. In zijn kameropera One, met sopraan Barbara
Hannigan, verliep het proces gelaagder dan in dit instrumentale concert.
Neemt niet weg dat Up-close, begeleid door Amsterdam Sinfonietta, laat
zien hoe je met film de zuigkracht van een puike partituur vergroot.
Michel van der Aa: Up-close. Sol Gabetta (cello), Amsterdam Sinfonietta. Disquiet Media
Toegegeven, De Nederlandse Bachvereniging heeft er vorige
week een paar tweets aan gewijd. En op Radio 4 stond artistiek leider Jos van
Veldhoven desgevraagd stil bij het overlijden van zijn voorganger Charles de
Wolff. Maar van een eerbetoon viel dinsdag in het Amsterdamse Concertgebouw
geen spoor te bekennen bij het begin van een tournee met de Hohe Messe.
's Lands oudste barokensemble voert Bachs meesterwerk
langs veertien steden in Nederland en Japan. De mis klinkt er in kleine vocale
bezetting, volgens de authentieke inzichten waar Charles de Wolff in 1983 niet
aan wilde. Na achttien jaar chefschap stapte hij op, met kaping van het halve
koor.
Tegenwoordig werkt de Bachvereniging alweer jaren op z'n
18de-eeuws en biedt ze emplooi aan 'concertisten' en 'ripiënisten'. Flexibele
zangers zijn dat, met het verschil dat concertisten vooral solo zingen en
ripiënisten het meest in koor. In het Kyrie waarmee de Hohe Messe opent, kon Jos
van Veldhoven de voordelen van deze aanpak breed etaleren. Hij bezette
koorpassages naar wens met een, twee of drie stemmen per partij, wat
regenboogachtige verkleuringen opleverde.
Of de Grote Zaal daarvoor de meest geschikte akoestiek
biedt, is een ander verhaal. Van Veldhoven selecteert zijn solozangers mede op
grond van hun mengend vermogen. Het intiemere geluid dat daarbij hoort, komt
niet vanzelf tot z'n recht in een ruimte waarvan de kubieke meters zijn
berekend op symfonische krachtpatserij.
Maar de symboliek van de plek waar de Hohe Messe
in 1891 z'n Nederlandse première kreeg, is ook wat waard. Onder Julius Röntgen
zal de mis lang niet zo slank, vlot en lenig hebben geklonken. Ook de kunst van
het zweven moest vermoedelijk nog worden aangeleerd.
Van Veldhoven maakt de noten los van aardse zwaarte,
zonder dat het uitmondt in kwezelarij. Ad rem was ook zijn snelle schakelen van
het mystiek gloeiende 'Crucifixus' naar de montere wederopstanding van 'Et
resurrexit'.
Het 'Christe eleison' profiteerde van het timbreverschil
tussen de sopranen Johannette Zomer (licht gevoileerd) en Dorothee Mields
(kristalhelder). En al moest Charles Daniels zich met kunst en vliegwerk door
de registerwisselingen heenslaan, het 'Benedictus' van de tenor was een parel.
Mede dankzij Marten Root, de traversospeler die met uitgekiende fraseringen
reikte naar de hemel.
Bach:
Hohe Messe. De Nederlandse Bachvereniging o.l.v. Jos van Veldhoven.
Amsterdam, Concertgebouw, 29/11. Tournee van 13/12 (Middelburg) t/m 23/12
(Groningen), bachvereniging.nl.