Met
anekdotes kunnen ze bij de Kissins thuis avonden vullen.
Hoe de
kleine Jevgeni zich aan de spijlen van zijn box omhoogtrok, met een vinger
richting pianoklep priemde en gilde: ‘OPEN!’.
Hoe zijn moeder
dacht dat er met haar baby iets aan de hand was, zo stilletjes was hij. Totdat
bleek dat het jong de godganse dag zat te luisteren naar zijn pianospelende
zus.
Hoe hij feilloos
het thema nazong uit de Bachfuga waarop ze had zitten zwoegen.
Hoe hij, toen
hij eenmaal groot genoeg was om bij de toetsen te kunnen, het klavier confisqueerde.
Hoe hij als
zesjarige op de Moskouse Gnessin-school voor muziektalent geen sjoege gaf,
waarna zijn pianolerares de zaken nog eens uitlegde, en nog eens, en nog eens.
Had Jevgeni het nu eindelijk begrepen? Ja hoor, dat had-ie, meteen al de eerste
keer.
En verder: hoe
hij op z’n tiende debuteerde met een Mozartconcert. Hoe het gerucht rondging
dat er een nieuwe Horowitz zat aan te komen. Hoe hij Herbert von Karajan in
Tsjaikovski’s pianoconcert wist te verschalken, zodat die vergat een inzet aan
te geven.
Maar
ook: hoe zesduizend Britten hem tijdens een Promconcert in de Royal Albert Hall
toegift na toegift ontfutselden. En hoe ze daar in Bologna tegen middernacht
alleen een eind aan konden maken door de lichtknop om te draaien.
Jevgeni
Kissin is opgehemeld als wonderkind en beschimpt als een kinderlijke geest.
Bejubeld om zijn fabuleuze techniek en afgeschreven wegens gebrek aan spontaniteit. Tenminste,
zoiets stond vorig jaar in de krant nadat hij in Londen Schumanns Carnaval had gespeeld. Een wonderkind op z’n retour?
Kissin
laat het langs zijn schouders afglijden. ‘Ik bekritiseer mezelf doorlopend. Als
iemand met z’n commentaar gelijk heeft, dan weet ik het meestal zelf al. En anders
kan het me niet schelen.’
Daar
kennen ze in Rusland, zegt Kissin, een mooi spreekwoord voor: je mag me best
een stoofpot noemen, zolang je me maar niet in de oven schuift.
Maar in Rusland
woont hij niet meer - gevlucht om uit dienst te blijven. Hoewel hij er tegenwoordig
weer welkom is, verblijft hij afwisselend in Londen en New York. Met z’n vader
(ingenieur), moeder (pianolerares) en zus (pianiste, geen solocarrière).
En met Anna
Pavlovna Kantor, zijn steun en toeverlaat, de pedagoge die hem eertijds aan de
Gnessin-school heeft verwelkomd en nooit meer van zijn zijde is geweken. Kissin: ‘Zij
kent me beter dan mijn ouders en geeft nog altijd muzikaal advies. Sinds een
jaar of elf hoort ze bij de familie.’
Hij zegt
het op de plek waar hij al zijn Londense interviews pleegt af te handelen: in
een hotel om de hoek van zijn woning, met om de andere hoek Buckingham Palace. Bij de
receptie kennen ze geen Kissin, maar de pianist doorkruist de lobby als de
huismeester zelve. Hij slaat een paar gangen in en vindt een hoekje waar het
bekwaam is om te praten.
Praten.
Zet Jevgeni
Kissin achter het klavier en hij speelt je de oren van het hoofd. Neem hem een
interview af en de stilte giert soms oorverdovend. Onder
zijn lillende haardos treedt na elke vraag een rekenmachine in werking die in
razend tempo alle denkbare antwoorden, tegenwerpingen en aanvullingen aftast,
en dat in alle mogelijke configuraties. Dat kost
tijd.
Vraag wat hem interesseert in de politiek en het antwoord - ‘Mondiale
problemen, maar niet de bekrompen en vuile kant van het politieke gevecht’ –
gaat vergezeld van vier denkpauzes die samen 37 seconden belopen. Tijd
genoeg voor een blik op zijn das met hobo’s, klarinetten, fluiten en ander
muzikaal spul, waarbij de zwierige g-sleutel als dasspeld niet detoneert. Zijn
hand klopt peinzend op de sofa en zijn vingers begeleiden de gedachtevorming
met een stille triller. Weke
wangen en volle lippen. Het denken veroorzaakt soms een kreun. De tong plooit
in een vlezige ‘l’. In de fysieke kant van het spreken is Jevgeni Kissin evenmin
een vlotterd.
En dat terwijl zijn pianospel
zo helder is. Het kan de kleinste nerven van een partituur blootleggen. Zit
strak in het ritme ook, met de potentie om te overdonderen. Zo’n beetje alles wat zijn
praten niet heeft.
‘Vind je dat? Ik weet best
dat ik tijdens interviews vaak lange pauzes neem, maar dat is juist om de
woorden te vinden die mijn gedachten het best uitdrukken. Uiteindelijk ben ik
helder, toch?’
Men verslijt hem
nogal eens voor wereldvreemd. In zijn grote bruine ogen kun je inderdaad
peilloze naïviteit lezen. Een konijn dat verstijft in de koplampen.
En toch.
Over
techniek en kunst: ‘Ik heb nooit technische problemen gekend, maar muziekmaken
is voor mij altijd veel belangrijker geweest dan virtuoos vertoon.’
Over
discipline en inspiratie: ‘Die twee hangen inderdaad samen. Maar het is niet zo
dat de inspiratie bij gedisciplineerde mensen vanzelf gaat stromen.’
Over
kunst en politiek: ‘In de vorige eeuw zijn er natuurlijk geëngageerde
kunstenaars geweest die de foute kant hebben gekozen. Artistieke naturen neigen
ernaar de wereld met artistieke ogen te bekijken. Zo kun je betoverd raken door
ideeën die je het zicht op de werkelijkheid ontnemen.’
In de wereld van
impresario’s en concertbobo’s weten ze inmiddels ook wie ze tegenover zich
hebben. Meneer Kissin voert alle onderhandelingen zelf. Hij doseert zijn optredens
zorgvuldig en plant tussendoor consequent een paar dagen rust.
Wat zijn imago
parten speelt: de symbiotische relatie met zijn lerares Anna Pavlovna
Kantor. Welke vent sjouwt er nou op z’n 31ste nog rond met zijn pianojuf? Hij ziet het probleem niet. ‘We liggen elkaar gewoon ontzettend
goed.’ Dat ze tegen de tachtig loopt en er straks niet meer is
– natuurlijk hoopt hij dat juffrouw
Kantor minstens 120 wordt, maar leraren plegen nu eenmaal eerder te overlijden
dan hun leerlingen. En dan gaat hij verder zonder haar.
Iemand heeft eens opgemerkt
dat hij eigenlijk nooit een wonderkind is geweest. Gewoon, meteen een musicus.
Een verhalenverteller, vindt hij zelf, een dichter ook. En een architect, want
in de muziek is maatvoering essentieel, zowel in het grote als het kleine.
Maar een verleider is hij
niet. ‘Ik zou niet weten wat dat betekent, verleiden in de muziek.’
Niettemin weet Jevgeni Kissin
wereldwijd te verleiden. Altijd volle zalen, waar hij ook komt. Bij collega’s
ziet hij hetzelfde. Een paar dagen terug, Mariss Jansons dirigeerde het London
Symphony Orchestra: afgeladen vol. En eergisteren, een pianorecital door Daniel
Barenboim: honderden stoelen bijgeplaatst op het podium.
Van een klassieke crisis
merkt hij dan ook niets. Hij is geen expert op dat gebied, maar overproductie van cd’s
betekent nog niet dat de belangstelling voor klassieke muziek daalt. ‘Pas als
dát gebeurt, ga ik me grote zorgen maken.'
Blik op het horloge,
laatste ronde, anecdote. Laatst trof hij een journalist die er zich na het
interview over beklaagde dat hij alle antwoorden al eens had gelezen. Tja, zei
Kissin, dan had u ook maar niet dezelfde vragen moeten
stellen.
0 reacties:
Een reactie plaatsen