22 februari 2012

Aan de praat met Jevgeni Kissin



Met anekdotes kunnen ze bij de Kissins thuis avonden vullen.

Hoe de kleine Jevgeni zich aan de spijlen van zijn box omhoogtrok, met een vinger richting pianoklep priemde en gilde: ‘OPEN!’.

Hoe zijn moeder dacht dat er met haar baby iets aan de hand was, zo stilletjes was hij. Totdat bleek dat het jong de godganse dag zat te luisteren naar zijn pianospelende zus.

Hoe hij feilloos het thema nazong uit de Bachfuga waarop ze had zitten zwoegen.

Hoe hij, toen hij eenmaal groot genoeg was om bij de toetsen te kunnen, het klavier confisqueerde.

Hoe hij als zesjarige op de Moskouse Gnessin-school voor muziektalent geen sjoege gaf, waarna zijn pianolerares de zaken nog eens uitlegde, en nog eens, en nog eens. Had Jevgeni het nu eindelijk begrepen? Ja hoor, dat had-ie, meteen al de eerste keer.

En verder: hoe hij op z’n tiende debuteerde met een Mozartconcert. Hoe het gerucht rondging dat er een nieuwe Horowitz zat aan te komen. Hoe hij Herbert von Karajan in Tsjaikovski’s pianoconcert wist te verschalken, zodat die vergat een inzet aan te geven.

Maar ook: hoe zesduizend Britten hem tijdens een Promconcert in de Royal Albert Hall toegift na toegift ontfutselden. En hoe ze daar in Bologna tegen middernacht alleen een eind aan konden maken door de lichtknop om te draaien.

Jevgeni Kissin is opgehemeld als wonderkind en beschimpt als een kinderlijke geest. Bejubeld om zijn fabuleuze techniek en afgeschreven wegens gebrek aan spontaniteit. Tenminste, zoiets stond vorig jaar in de krant nadat hij in Londen Schumanns Carnaval had gespeeld. Een wonderkind op z’n retour?

Kissin laat het langs zijn schouders afglijden. ‘Ik bekritiseer mezelf doorlopend. Als iemand met z’n commentaar gelijk heeft, dan weet ik het meestal zelf al. En anders kan het me niet schelen.’
Daar kennen ze in Rusland, zegt Kissin, een mooi spreekwoord voor: je mag me best een stoofpot noemen, zolang je me maar niet in de oven schuift.

Maar in Rusland woont hij niet meer - gevlucht om uit dienst te blijven. Hoewel hij er tegenwoordig weer welkom is, verblijft hij afwisselend in Londen en New York. Met z’n vader (ingenieur), moeder (pianolerares) en zus (pianiste, geen solocarrière).

En met Anna Pavlovna Kantor, zijn steun en toeverlaat, de pedagoge die hem eertijds aan de Gnessin-school heeft verwelkomd en nooit meer van zijn zijde is geweken. Kissin: ‘Zij kent me beter dan mijn ouders en geeft nog altijd muzikaal advies. Sinds een jaar of elf hoort ze bij de familie.’

Hij zegt het op de plek waar hij al zijn Londense interviews pleegt af te handelen: in een hotel om de hoek van zijn woning, met om de andere hoek Buckingham Palace. Bij de receptie kennen ze geen Kissin, maar de pianist doorkruist de lobby als de huismeester zelve. Hij slaat een paar gangen in en vindt een hoekje waar het bekwaam is om te praten.

Praten.

Zet Jevgeni Kissin achter het klavier en hij speelt je de oren van het hoofd. Neem hem een interview af en de stilte giert soms oorverdovend. Onder zijn lillende haardos treedt na elke vraag een rekenmachine in werking die in razend tempo alle denkbare antwoorden, tegenwerpingen en aanvullingen aftast, en dat in alle mogelijke configuraties. Dat kost tijd. 

Vraag wat hem interesseert in de politiek en het antwoord - ‘Mondiale problemen, maar niet de bekrompen en vuile kant van het politieke gevecht’ – gaat vergezeld van vier denkpauzes die samen 37 seconden belopen. Tijd genoeg voor een blik op zijn das met hobo’s, klarinetten, fluiten en ander muzikaal spul, waarbij de zwierige g-sleutel als dasspeld niet detoneert. Zijn hand klopt peinzend op de sofa en zijn vingers begeleiden de gedachtevorming met een stille triller. Weke wangen en volle lippen. Het denken veroorzaakt soms een kreun. De tong plooit in een vlezige ‘l’. In de fysieke kant van het spreken is Jevgeni Kissin evenmin een vlotterd.

En dat terwijl zijn pianospel zo helder is. Het kan de kleinste nerven van een partituur blootleggen. Zit strak in het ritme ook, met de potentie om te overdonderen. Zo’n beetje alles wat zijn praten niet heeft.

‘Vind je dat? Ik weet best dat ik tijdens interviews vaak lange pauzes neem, maar dat is juist om de woorden te vinden die mijn gedachten het best uitdrukken. Uiteindelijk ben ik helder, toch?’
Men verslijt hem nogal eens voor wereldvreemd. In zijn grote bruine ogen kun je inderdaad peilloze naïviteit lezen. Een konijn dat verstijft in de koplampen.

En toch.

Over techniek en kunst: ‘Ik heb nooit technische problemen gekend, maar muziekmaken is voor mij altijd veel belangrijker geweest dan virtuoos vertoon.’

Over discipline en inspiratie: ‘Die twee hangen inderdaad samen. Maar het is niet zo dat de inspiratie bij gedisciplineerde mensen vanzelf gaat stromen.’

Over kunst en politiek: ‘In de vorige eeuw zijn er natuurlijk geëngageerde kunstenaars geweest die de foute kant hebben gekozen. Artistieke naturen neigen ernaar de wereld met artistieke ogen te bekijken. Zo kun je betoverd raken door ideeën die je het zicht op de werkelijkheid ontnemen.’

In de wereld van impresario’s en concertbobo’s weten ze inmiddels ook wie ze tegenover zich hebben. Meneer Kissin voert alle onderhandelingen zelf. Hij doseert zijn optredens zorgvuldig en plant tussendoor consequent een paar dagen rust.

Wat zijn imago parten speelt: de symbiotische relatie met zijn lerares Anna Pavlovna Kantor. Welke vent sjouwt er nou op z’n 31ste nog rond met zijn pianojuf? Hij ziet het probleem niet. ‘We liggen elkaar gewoon ontzettend goed.’ Dat ze tegen de tachtig loopt en er straks niet meer is –  natuurlijk hoopt hij dat juffrouw Kantor minstens 120 wordt, maar leraren plegen nu eenmaal eerder te overlijden dan hun leerlingen. En dan gaat hij verder zonder haar.

Iemand heeft eens opgemerkt dat hij eigenlijk nooit een wonderkind is geweest. Gewoon, meteen een musicus. Een verhalenverteller, vindt hij zelf, een dichter ook. En een architect, want in de muziek is maatvoering essentieel, zowel in het grote als het kleine.

Maar een verleider is hij niet. ‘Ik zou niet weten wat dat betekent, verleiden in de muziek.’

Niettemin weet Jevgeni Kissin wereldwijd te verleiden. Altijd volle zalen, waar hij ook komt. Bij collega’s ziet hij hetzelfde. Een paar dagen terug, Mariss Jansons dirigeerde het London Symphony Orchestra: afgeladen vol. En eergisteren, een pianorecital door Daniel Barenboim: honderden stoelen bijgeplaatst op het podium.

Van een klassieke crisis merkt hij dan ook niets. Hij is geen expert op dat gebied, maar overproductie van cd’s betekent nog niet dat de belangstelling voor klassieke muziek daalt. ‘Pas als dát gebeurt, ga ik me grote zorgen maken.'

Blik op het horloge, laatste ronde, anecdote. Laatst trof hij een journalist die er zich na het interview over beklaagde dat hij alle antwoorden al eens had gelezen. Tja, zei Kissin, dan had u ook maar niet dezelfde vragen moeten stellen.

de Volkskrant, 2002

0 reacties:

Een reactie plaatsen