'Amerikaanse toestanden!’ Wie die woorden uitspreekt, heeft meestal
weinig fraais op het oog. Uitpuilende gevangenissen bijvoorbeeld. Of de
deplorabele staat van kunst en cultuur. Toen hier het subsidiedebat hoog oplaaide, kregen we dat laatste vaak te horen. Zet in de
Verenigde Staten één stap buiten de stad, en je belandt in de barbarij.
Het is ongetwijfeld waar.
Maar wat dachten we hiervan: toen het piepjonge Concertgebouworkest
in 1888 z’n eerste tonen speelde, konden liefhebbers overzee al 46 jaar
genieten van The New York Philharmonic. Toegegeven, de namen van de eerste dirigenten
lezen als een lijst met brave kapelmeesters. Eisfeld. Bergmann. Damrosch. Neuendorff.
Seidl. Pas in 1958 beklom de eerste chef van Amerikaanse bodem de bok. Hij
heette Leonard Bernstein en zette de erfenis voort van maestro’s als Mahler,
Mengelberg en Stokowski.
Eh, Mengelberg? Willem? Stond de man die het Concertgebouworkest een halve eeuw
aanvoerde tussendoor te dirigeren op Manhattan? Jazeker. Het is een
onderbelicht aspect in zijn carrière, die vooral het beeld oproept van
Mahlertriomfen, Matthäusmarathons en de
foute keuze in de oorlog. Maar tussen 1922 en 1930 speelde Willem Mengelberg
wel degelijk de baas over The New York Philharmonic (al kreeg hij het snel aan
de stok met zijn temperamentvolle mede-chef Arturo Toscanini).
Fideel van het orkest: in een hoekje van de website staat nog
altijd een keurige biografie van Mengelberg, de in Utrecht geboren music director. Hij trainde zijn
orkesten nauwgezet, valt er te lezen, al kon je na repetities in Carnegie Hall de
musici ook horen klagen over zijn ‘inordinate
speechifying’, zeg maar oeverloos geklets. Sinds kort staat zelfs het
complete orkestarchief online (http://archives.nyphil.org).
Blijken er op de New Yorkse burelen nog Mengelbergkarikaturen te zwerven, zoals
die ene van Jo Spier, waarop de dirigent staat te zwaaien als een buikig,
vermoeid baasje.
Het zal ook afmattend zijn geweest, dat gependel tussen New
York en Amsterdam. In 1905 stapte Mengelberg voor het eerst op de boot. Na een
verlate aankomst wegens storm op zee meldde de Hollandse gastdirigent zich voor
zijn eerste repetitie. Op de lessenaar lag Ein
Heldenleben, het lijfstuk dat Richard Strauss zeven jaar eerder aan hem had
opgedragen. In een brief aan het thuisfront schetste de 34-jarige zijn eerste Amerikaanse
indrukken. ‘’t orkest is zoo, zoo! Beter als dat van Brussel doch erg koud. Ik
zal probeeren het vuur erin te krijgen – ’t zijn allen ouwere menschen.’
Het Concertgebouw Magazine, januari 2012

0 reacties:
Een reactie plaatsen