Jorge Luis Prats, de pianist die bijna zijn linkerduim had
afgekapt in de suikerrietplantages van Fidel Castro, was al een vijftigplusser
toen de schijnwerpers van de pianistiek hem eindelijk vonden. In 2008 kreeg hij
zijn 'verlate debuut' in de Amsterdamse serie Meesterpianisten. Prats was van
het Spaanse platteland geplukt, waar hij probeerde te wortelen nadat Cubaanse apparatsjiks
zijn carrière kundig hadden gesmoord.
Zondag presenteerde hij zich in het Concertgebouw voor de
vierde keer aan 'het beste publiek ter wereld'. Die pluim mocht
concertorganisator Marco Riaskoff uitdelen namens de stoet klaviersterren die hem
vorige week met het 25ste Meesterpianistenseizoen kwam feliciteren. Prats (55) pakte
de draad van de serie op met preludes van Chopin en Skrjabin, om zich
vervolgens met wapperende handen te ontfermen over Stravinsky's Trois
mouvements de Pétrouchka.
Zijn spel vertoonde in elk geval de charme van de eigenzinnigheid.
Prats ziet de 24 preludes van Chopins opus 28 niet als het breekbare materiaal
voor dichters, denkers of dandy's. Integendeel, met gul pedaal mengt hij volvette,
pasteuze middenstemmen, waarvan de donkere tinten doen denken aan barok schilderwerk
in een schemerige Spaanse kerk. Soms valt er een lichtstraal op, zoals in de
Prelude in Des-groot, waarin Prats het baritonale grommen met groots effect verwisselde
voor de tenorale overpeinzing.
In de 24 preludes van Alexander Skrjabin bevestigde de
Cubaan zijn roep als liefhebber van tropische slagregens en turbulente modderstromen.
Dat er tussen de bundels van Chopin en Skrjabin een halve eeuw gaapt, leek even
minder belangrijk. Wel kwamen Prats' coloristische vermogens in de Russische context
beter tot hun recht. Het gloeide als het niet gonsde, en hij kreeg het zelfs voor
elkaar om rond een eenzaam wegstervende toon nog even een delicaat akkoordje te
draperen.
Verbazend virtuoos en verbluffend saai - die paradox heerste in Stravinsky's Pétrouchka, balletmuziek die door Prats van z'n hevigste ritmische
impulsen werd ontdaan. Keuvelend zette hij zich aan een handvol Latijns
Amerikaanse toegiften. Met een smeuïge Piazzolla en een soepele Ponce verdween de
pianist lichtvoetig dansend in de nacht.
Meesterpianisten: Jorge Luis Prats. Werken van Chopin,
Skrjabin en Stravinsky. Amsterdam, Concertgebouw, 18/3.
de Volkskrant, 20 maart 2012

Geen opmerkingen:
Een reactie plaatsen