26 februari 2012

Van diepe mijnen tot hoge registers: trompettist Maurice André (1933 - 2012)


De Franse trompettist Maurice André is zaterdag op 78-jarige leeftijd overleden. André was de man die de trompet als solo-instrument voor de klassieke muziek heeft ontdekt. Met zijn feilloze techniek, reikend tot in de hoogste registers, werd hij de belangrijkste en meeste succesvolle trompetsolist van de 20ste eeuw.

Aanvankelijk leek hij voorbestemd voor een arbeidersleven. Van z'n veertiende tot z'n achttiende werkte André in de mijnen. Later zou hij zeggen dat daar zijn belangrijkste leerschool lag, 'elke dag zeventien ton kolen versjouwend'. Trompet spelen leerde hij intussen van zijn vader. Een amateurmusicus in de Zuid-Franse woonplaats Alès herkende het talent en verwees Maurice André naar een professionele leraar.

Zijn studie aan het Parijse conservatorium rondde hij binnen twee jaar af met een premier prix. Als solotrompettist speelde André vervolgens in verschillende orkesten. In 1963 won hij het ARD-concours in München. Maurice André was eigenlijk uitgenodigd om plaats te nemen in de jury, maar vanwege het te verwachten prestige en het aantrekkelijker financiële vooruitzicht schreef hij zich liever in als deelnemer.

André groef eeuwen trompetrepertoire op, dat hij vanaf 1953 vastlegde op ruim 250 lp's en cd's. Innig was zijn samenwerking met de organiste Marie-Claire Alain. Bovendien werkte hij met de grootste dirigenten van zijn tijd, onder wie Karajan, Bernstein en Muti.

Zijn lijfstuk werd het Tweede Brandenburgse Concert van Bach, met de boven alles uit torenende trompetpartij. Voor zulk barokrepertoire gebruikte André een 'piccolotrompet' met vier ventielen - niet authentiek, wel effectief. Componisten als André Jolivet en Boris Blacher droegen nieuwe stukken aan hem op. Tegelijkertijd bleef André zijn afkomst trouw en speelde hij een breed amusementsrepertoire van polka's, marsen en mazurka's.

Vanaf de jaren negentig nam hij gas terug; zijn laatste concert gaf hij in 2008. Maurice André overleed in het ziekenhuis van Bayonne in Frans Baskenland.

24 februari 2012

Jevgeni Kissin: dwarsigheid en routine

Over Jevgeni Kissin gaat de anekdote dat hij zich als dreumes aan de spijlen van zijn box omhoogtrok, met een vinger naar de pianoklep priemde en gilde: ‘OPEN!’. Een kleine veertig jaar later, in de Rotterdamse Doelen, wekt het voormalige wonderkind de indruk dat hij alsnog is begonnen aan de peuterpuberteit. Pats, gaat het in sonates van Beethoven en Barber, en beng, hoor mij eens stoute dingen doen!

Aan gefleem zal Kissin zich zondag vermoedelijk evenmin bezondigen als hij zijn recital in de Amsterdamse serie Meesterpianisten herhaalt. Wel is de hoofdstedelijke liefhebber dubbel zo duur uit als de Rotterdamse Kissinvriend. Tussen de goedkoopste kaartjes gaapt zelfs een factor zes.

In zijn experimenteerlust torst de klaviermeester tegenwoordig een elektronenmicroscoop met zich mee. Hij schuift er maten en noten onder, speurend naar de muzikale essentie. Dat levert soms fascinerende patronen en interferenties op. Neem Samuel Barbers Pianosonate, door de Amerikaan in 1949 gecomponeerd. In het langzame deel detecteerde Kissin fraaie geometrische klankvlakken. Schurend en wringend trokken ze voorbij, onder het produceren van schelle, chromatische pijnkreetjes.

De tol van het uitvergroten – geen overzicht – betaalde de Rus vooral in Beethovens Mondscheinsonate. Het openingsdeel, vaak verkitscht, wilde Kissin eens helemaal anders aanpakken. De vraag was alleen of zulke maagdelijke noten zich lenen voor een fundamentele zoektocht naar de waarheid.

Des te spannender waren de momenten waarop Kissin zijn dwarsigheid liet varen en, zoals in Chopins Nocturne opus 32 nr. 2, zijn fenomenale vermogens inzette voor het vertellen van een coherent verhaal. Met de linkerpink een stuwende bas, rechts een gewelfde melodie en tere vulstemmen ertussen: moeilijker hoeft het opwekken van extase niet te zijn.

Kissin verhevigde die orkestratiekunst in Chopins Derde pianosonate. Adembenemend hoe hij klanken uit tegengestelde richtingen liet aanwaaien en ze toch in elkaar paste, al kreeg je tegelijkertijd de indruk dat zulke toverkunst niet immuun was voor routine.

Nu maar afwachten of de Amsterdammers voor hun dure geld meer dan drie beheerste toegiften krijgen. Na Prokofjevs 'sinaasappelmars' was het in de Doelen over en uit. 

Beethoven, Chopin, Barber. Jevgeni Kissin (piano). Rotterdam, de Doelen, 22/2. Herh. Amsterdam, Concertgebouw, 26/2.

de Volkskrant, 24 februari 2012

Lees HIER een interview met Kissin

23 februari 2012

Het glas-in-lood van James MacMillan

James MacMillan in zijn jonge jaren
Harry Christophers, de dirigent van het Britse koor The Sixteen, onderscheidt in koormuziek van katholieke snit slechts drie ‘truly great composers’. Het zijn de renaissance-Spanjaard Tomás Luis de Victoria, de 20ste-eeuwse Fransman Francis Poulenc en de hedendaagse Schot James MacMillan.

Van dit trio wordt MacMillan vandaag de dag het meest gezongen. Als een kleurgevoelige glas-in-loodzetter plaatst hij scherven uit de renaissance, de romantiek en de Russisch-orthodoxe kerk bij elkaar in een schurend moderne zetting. Daarbij houdt de praktiserende katholiek graag rekening met de technische vermogens van niet-professionele groepen die smachten naar uitdagende, betekenisvolle koormuziek.
 
Soms ontaardt MacMillans aanpak in een vroom tutti frutti. Maar op z’n best levert de componist koorklanken met stevige zuignapjes. Neem de driedelige Tenebrae Responsories: met een giftige harmonische verkleuring snijdt James MacMillan het verraad aan waarmee Jezus' gang naar Golgotha begint. 

James MacMillan: koormuziek. The Sixteen o.l.v. Harry Christophers. Coro.

de Volkskrant, 22 februari 2012






 

Geen stramme strotten bij Cappella Pratensis


Toen het vanuit Nederland opererende maar internationaal bezette mannenensemble Cappella Pratensis nog onder leiding stond van oprichtster Rebecca Stewart, werd de naam van het koor door criticasters weleens verhaspeld tot ‘cappella pretenties’. Terecht of niet, rond de renaissanceclub hing inderdaad een zweem van academisme.

Sinds de Canadese countertenor Stratton Bull er de scepter zwaait, lijkt alle stramheid uit de strotten verdwenen. De stembanden trillen slank en lenig bij zangers die elke resonantieholte proberen te vullen. Welluidend resultaat: prominente boventonen die de stemmen als een halo omgeven.
 
In de twee oudst bekende polyfone requiems, uit de pennen van Johannes Ockeghem en Pierre de la Rue, houdt Cappella Pratensis bovendien de ritmes goed doorbloed. Tempo’s vloeien allesbehalve plechtstatig, wat aan de 15de-eeuwse noten een verrassend actueel tintje geeft. 

Ockeghem, De la Rue: Requiems. Cappella Pratensis o.l.v. Stratton Bull. Challenge Classics.

de Volkskrant, 23 februari 2012






Het Kyrie uit Ockeghems Requiem:
 
 

22 februari 2012

Melnikovs fabuleuze Sjostakovitsj

foto: Martin Lengemann
Dmitri Sjostakovitsj, zo schrijft Alexander Melnikov, werd door het leven ongevraagd in de poel met sovjetgruwelen gegooid. En toch, vervolgt de pianist, had Sjostakovitsj de durf en het talent zich te blijven bekommeren om existentiële kwesties als liefde, leven en dood.

Mooie woorden, die behoren bij een cd waarop nog mooier wordt gespeeld. Samen met dirigent Teodor Currentzis en het Mahler Chamber Orchestra ontketent Alexander Melnikov in de twee pianoconcerten van Sjostakovitsj een fabelachtige klankencarrousel. Het montere van de jeugdfilm, Mantovani-achtige strijkersvegen, kletterende circusmuziek: de reeks ironische schijnbewegingen wordt met een toverstaf aaneen gesmeed.

Samen met Isabelle Faust werpt Melnikov zich bovendien op de Vioolsonate opus 134. Op superieure wijze ontsluit het duo een tragisch leven dat zich afspeelde tegen het absurde perspectief van de Sovjet-Unie. 

Dmitri Sjostakovitsj: Pianoconcerten, Vioolsonate. Alexander Melnikov (piano), Isabelle Faust (viool), Mahler Chamber Orchestra o.l.v. Teodor Currentzis. Harmonia Mundi.

de Volkskrant, 22 februari 2012





Lees HIER een interview met Alexander Melnikov 

Aan de praat met Jevgeni Kissin



Met anekdotes kunnen ze bij de Kissins thuis avonden vullen.

Hoe de kleine Jevgeni zich aan de spijlen van zijn box omhoogtrok, met een vinger richting pianoklep priemde en gilde: ‘OPEN!’.

Hoe zijn moeder dacht dat er met haar baby iets aan de hand was, zo stilletjes was hij. Totdat bleek dat het jong de godganse dag zat te luisteren naar zijn pianospelende zus.

Hoe hij feilloos het thema nazong uit de Bachfuga waarop ze had zitten zwoegen.

Hoe hij, toen hij eenmaal groot genoeg was om bij de toetsen te kunnen, het klavier confisqueerde.

Hoe hij als zesjarige op de Moskouse Gnessin-school voor muziektalent geen sjoege gaf, waarna zijn pianolerares de zaken nog eens uitlegde, en nog eens, en nog eens. Had Jevgeni het nu eindelijk begrepen? Ja hoor, dat had-ie, meteen al de eerste keer.

En verder: hoe hij op z’n tiende debuteerde met een Mozartconcert. Hoe het gerucht rondging dat er een nieuwe Horowitz zat aan te komen. Hoe hij Herbert von Karajan in Tsjaikovski’s pianoconcert wist te verschalken, zodat die vergat een inzet aan te geven.

Maar ook: hoe zesduizend Britten hem tijdens een Promconcert in de Royal Albert Hall toegift na toegift ontfutselden. En hoe ze daar in Bologna tegen middernacht alleen een eind aan konden maken door de lichtknop om te draaien.

Jevgeni Kissin is opgehemeld als wonderkind en beschimpt als een kinderlijke geest. Bejubeld om zijn fabuleuze techniek en afgeschreven wegens gebrek aan spontaniteit. Tenminste, zoiets stond vorig jaar in de krant nadat hij in Londen Schumanns Carnaval had gespeeld. Een wonderkind op z’n retour?

Kissin laat het langs zijn schouders afglijden. ‘Ik bekritiseer mezelf doorlopend. Als iemand met z’n commentaar gelijk heeft, dan weet ik het meestal zelf al. En anders kan het me niet schelen.’
Daar kennen ze in Rusland, zegt Kissin, een mooi spreekwoord voor: je mag me best een stoofpot noemen, zolang je me maar niet in de oven schuift.

Maar in Rusland woont hij niet meer - gevlucht om uit dienst te blijven. Hoewel hij er tegenwoordig weer welkom is, verblijft hij afwisselend in Londen en New York. Met z’n vader (ingenieur), moeder (pianolerares) en zus (pianiste, geen solocarrière).

En met Anna Pavlovna Kantor, zijn steun en toeverlaat, de pedagoge die hem eertijds aan de Gnessin-school heeft verwelkomd en nooit meer van zijn zijde is geweken. Kissin: ‘Zij kent me beter dan mijn ouders en geeft nog altijd muzikaal advies. Sinds een jaar of elf hoort ze bij de familie.’

Hij zegt het op de plek waar hij al zijn Londense interviews pleegt af te handelen: in een hotel om de hoek van zijn woning, met om de andere hoek Buckingham Palace. Bij de receptie kennen ze geen Kissin, maar de pianist doorkruist de lobby als de huismeester zelve. Hij slaat een paar gangen in en vindt een hoekje waar het bekwaam is om te praten.

Praten.

Zet Jevgeni Kissin achter het klavier en hij speelt je de oren van het hoofd. Neem hem een interview af en de stilte giert soms oorverdovend. Onder zijn lillende haardos treedt na elke vraag een rekenmachine in werking die in razend tempo alle denkbare antwoorden, tegenwerpingen en aanvullingen aftast, en dat in alle mogelijke configuraties. Dat kost tijd. 

Vraag wat hem interesseert in de politiek en het antwoord - ‘Mondiale problemen, maar niet de bekrompen en vuile kant van het politieke gevecht’ – gaat vergezeld van vier denkpauzes die samen 37 seconden belopen. Tijd genoeg voor een blik op zijn das met hobo’s, klarinetten, fluiten en ander muzikaal spul, waarbij de zwierige g-sleutel als dasspeld niet detoneert. Zijn hand klopt peinzend op de sofa en zijn vingers begeleiden de gedachtevorming met een stille triller. Weke wangen en volle lippen. Het denken veroorzaakt soms een kreun. De tong plooit in een vlezige ‘l’. In de fysieke kant van het spreken is Jevgeni Kissin evenmin een vlotterd.

En dat terwijl zijn pianospel zo helder is. Het kan de kleinste nerven van een partituur blootleggen. Zit strak in het ritme ook, met de potentie om te overdonderen. Zo’n beetje alles wat zijn praten niet heeft.

‘Vind je dat? Ik weet best dat ik tijdens interviews vaak lange pauzes neem, maar dat is juist om de woorden te vinden die mijn gedachten het best uitdrukken. Uiteindelijk ben ik helder, toch?’
Men verslijt hem nogal eens voor wereldvreemd. In zijn grote bruine ogen kun je inderdaad peilloze naïviteit lezen. Een konijn dat verstijft in de koplampen.

En toch.

Over techniek en kunst: ‘Ik heb nooit technische problemen gekend, maar muziekmaken is voor mij altijd veel belangrijker geweest dan virtuoos vertoon.’

Over discipline en inspiratie: ‘Die twee hangen inderdaad samen. Maar het is niet zo dat de inspiratie bij gedisciplineerde mensen vanzelf gaat stromen.’

Over kunst en politiek: ‘In de vorige eeuw zijn er natuurlijk geëngageerde kunstenaars geweest die de foute kant hebben gekozen. Artistieke naturen neigen ernaar de wereld met artistieke ogen te bekijken. Zo kun je betoverd raken door ideeën die je het zicht op de werkelijkheid ontnemen.’

In de wereld van impresario’s en concertbobo’s weten ze inmiddels ook wie ze tegenover zich hebben. Meneer Kissin voert alle onderhandelingen zelf. Hij doseert zijn optredens zorgvuldig en plant tussendoor consequent een paar dagen rust.

Wat zijn imago parten speelt: de symbiotische relatie met zijn lerares Anna Pavlovna Kantor. Welke vent sjouwt er nou op z’n 31ste nog rond met zijn pianojuf? Hij ziet het probleem niet. ‘We liggen elkaar gewoon ontzettend goed.’ Dat ze tegen de tachtig loopt en er straks niet meer is –  natuurlijk hoopt hij dat juffrouw Kantor minstens 120 wordt, maar leraren plegen nu eenmaal eerder te overlijden dan hun leerlingen. En dan gaat hij verder zonder haar.

Iemand heeft eens opgemerkt dat hij eigenlijk nooit een wonderkind is geweest. Gewoon, meteen een musicus. Een verhalenverteller, vindt hij zelf, een dichter ook. En een architect, want in de muziek is maatvoering essentieel, zowel in het grote als het kleine.

Maar een verleider is hij niet. ‘Ik zou niet weten wat dat betekent, verleiden in de muziek.’

Niettemin weet Jevgeni Kissin wereldwijd te verleiden. Altijd volle zalen, waar hij ook komt. Bij collega’s ziet hij hetzelfde. Een paar dagen terug, Mariss Jansons dirigeerde het London Symphony Orchestra: afgeladen vol. En eergisteren, een pianorecital door Daniel Barenboim: honderden stoelen bijgeplaatst op het podium.

Van een klassieke crisis merkt hij dan ook niets. Hij is geen expert op dat gebied, maar overproductie van cd’s betekent nog niet dat de belangstelling voor klassieke muziek daalt. ‘Pas als dát gebeurt, ga ik me grote zorgen maken.'

Blik op het horloge, laatste ronde, anecdote. Laatst trof hij een journalist die er zich na het interview over beklaagde dat hij alle antwoorden al eens had gelezen. Tja, zei Kissin, dan had u ook maar niet dezelfde vragen moeten stellen.

de Volkskrant, 2002

21 februari 2012

Philippe Jaroussky, de nieuwe knuffelcounter


Philippe Jaroussky heeft voor z'n derde toegift de stembanden nog niet geplooid, of tijdens het instrumentale intro ruist de herkenning door de Grote Zaal van het Concertgebouw. Ombra mai fu, toch nog! Op de peinzende tonen van Georg Friedrich Händel prijst koning Xerxes de schaduw van zijn geliefde plataan. Ooit was dit het openingstafereel van een barokopera, tegenwoordig vormt de aria het scherm waarop iedereen zijn eigen melancholie mag projecteren.

Philippe Jaroussky (34), de Franse countertenor met een postuur zo slank en soepel als zijn stem, plant de voeten stevig op het podium. Zijn begintoon straalt zachter dan zacht, neemt traploos in intensiteit toe, en vloeit pas na een seconde of tien bevrijdend uit in toon nummer twee.

Met zulke hoogstandjes mochten ze graag pronken, de castraten voor wie Händel zijn aria's op vrouwenhoogte noteerde. Senesino, Carestini en andere gemutileerde sterren: samen met het blakend begeleidende Freiburger Barockorchester plukte Philippe Jaroussky een tuiltje van de op hun lijf geschreven noten bij elkaar.

Hij is de nieuwe knuffelcounter, de erfgenaam van publiekslievelingen als Michael Chance en Andreas Scholl. Jaroussky belichaamt de voortgaande ontwikkeling van zijn stemvak: de hoge mannenzang wordt almaar leniger, smijdiger en stratosferischer. Bovendien is hij in al z'n androgyne uitstraling een leuke knul om te zien.

De Fransman is sterk in z'n timing en presteert technisch nagenoeg volmaakt. Vlinderend door Händel speelt hij geraffineerd zijn specialiteit uit: het orkest zwijgt, Jaroussky zingt een schuchtere arabesk, waarna hij de muziek met zilveren herfstdraden weer op gang trekt.

Neemt niet weg dat zijn niet al te volumineuze stem op rij 13 beter doorkomt dan op het frontbalkon. Dat verstaanbaarheid zo te horen geen prioriteit heeft. En dat Jaroussky de jaloerse, giftige en chagrijnige sentimenten van Händels vulkanische operamuziek stelselmatig verdonkeremaant.
 
Zo is het toch weer het oude liedje: er lopen maar weinig countertenoren rond die de vermoede kracht en kleur van de uitgestorven castratenstem kunnen leveren.

Aria's van Händel. Philippe Jaroussky (countertenor), Freiburger Barockorchester o.l.v. Petra Müllejans. Amsterdam, Concertgebouw, 19/2.

de Volkskrant, 21 februari 2012

Lees hier de recensie van een concert dat Jaroussky gaf in juli 2010

15 februari 2012

Alan Gilbert, de perfecte inzeper

foto: Henry Leutwyler

Als Cruijff en Mourinho niet willen, kun je altijd nog kiezen voor Danny Blind. Zo ongeveer liggen de verhoudingen bij het New York Philharmonic Orchestra, de Amerikaanse reus die Alan Gilbert aanstelde als chef-dirigent nadat de droomkandidaten Muti en Barenboim hadden bedankt voor de eer.

De bok waarop Gilbert zich in 2009 liet hijsen, stond maandag en dinsdag te glimmen op het podium van het Concertgebouw. Hij was meegesleept door een orkest dat op z'n Europese tournee niets aan het toeval overlaat. Met een gemiddelde van eens per vijf jaar willen de Amerikanen hier laten horen dat ze onverkort meedraaien in de mondiale orkestentop.

Of Gilberts aanstelling daarbij helpt, is nog maar de vraag. Toegegeven, op weg naar Amsterdam kon de geboren New Yorker het heuglijke nieuws incasseren van een Grammy Award voor zijn dvd met John Adams' opera Dr Atomic. Maar in de Grote Zaal manifesteerde hij zich vooral als een perfecte inzeper.

Dat dirigententype herken je aan de soepel gezwaaide overgang en het zorgvuldig afgewogen akkoord. Desgewenst kleurt hij handig bij met trombones, intussen ontsnapt een dwars lijntje in de altviolen niet aan zijn aandacht. Alleen: na het keurige repeteren klinkt er in de zaal zelden een meeslepend verhaal.

Gilberts linkerarm brengt dat manco in beeld. Trouw kopieert hij de rechter, hooguit onderbroken door het omslaan van een bladzijde in de partituur. Voor een 170-jarig orkest dat kan bogen op lucide chefs als Mahler, Mengelberg, Bernstein en Boulez, is dat wellicht aan de magere kant.

Met Gilberts bescheiden aanpak kon Frank Peter Zimmermann trouwens prima uit de voeten. In Beethovens Vioolconcert trok de solist het orkest als een mohair trui om zich heen: warm en toch licht. In zijn gretige musiceertrant hoefde hij zich niet te forceren, al had de transparantie ook een keerzijde: vooral in het openingsdeel viel Zimmermanns zoekende intonatie op. Wellicht raakte hij van slag door de wankelmoedige paukenist.

De eerste van hun twee Amsterdamse avonden spendeerden de New Yorkers verder aan sympathieke pronkzucht. Ze kanaliseerden de oerkracht van Stravinsky's Symfonie in drie delen met nagenoeg voorbeeldig groepswerk. Ravels Tweede suite uit 'Daphnis et Chloé' mondde uit in een kleurrijke show door excellente musici, voorop de eerste fluitist, die rond zijn solo een blozende perzikhuid spande. 

Verbluffend, dat wel, maar bij gebrek aan een dwingende dirigentenhand bleven het pirouettes voor de spiegel. Als toegift kon España van Emmanuel Chabrier er toen nog wel bij. Vijf minuten leut met sombrero's en sangria, behendig geserveerd door Alan Gilbert.

Beethoven, Ravel en Stravinsky. New York Philharmonic Orchestra o.l.v. Alan Gilbert. M.m.v. Frank Peter Zimmermann (viool). Amsterdam, Concertgebouw, 13/2. 

de Volkskrant, 15 februari 2012

13 februari 2012

Mengelberg op Manhattan


'Amerikaanse toestanden!’ Wie die woorden uitspreekt, heeft meestal weinig fraais op het oog. Uitpuilende gevangenissen bijvoorbeeld. Of de deplorabele staat van kunst en cultuur. Toen hier het subsidiedebat hoog oplaaide, kregen we dat laatste vaak te horen. Zet in de Verenigde Staten één stap buiten de stad, en je belandt in de barbarij.

Het is ongetwijfeld waar.

Maar wat dachten we hiervan: toen het piepjonge Concertgebouworkest in 1888 z’n eerste tonen speelde, konden liefhebbers overzee al 46 jaar genieten van The New York Philharmonic. Toegegeven, de namen van de eerste dirigenten lezen als een lijst met brave kapelmeesters. Eisfeld. Bergmann. Damrosch. Neuendorff. Seidl. Pas in 1958 beklom de eerste chef van Amerikaanse bodem de bok. Hij heette Leonard Bernstein en zette de erfenis voort van maestro’s als Mahler, Mengelberg en Stokowski.
Eh, Mengelberg? Willem? Stond de man die het Concertgebouworkest een halve eeuw aanvoerde tussendoor te dirigeren op Manhattan? Jazeker. Het is een onderbelicht aspect in zijn carrière, die vooral het beeld oproept van Mahlertriomfen, Matthäusmarathons en de foute keuze in de oorlog. Maar tussen 1922 en 1930 speelde Willem Mengelberg wel degelijk de baas over The New York Philharmonic (al kreeg hij het snel aan de stok met zijn temperamentvolle mede-chef Arturo Toscanini).

Fideel van het orkest: in een hoekje van de website staat nog altijd een keurige biografie van Mengelberg, de in Utrecht geboren music director. Hij trainde zijn orkesten nauwgezet, valt er te lezen, al kon je na repetities in Carnegie Hall de musici ook horen klagen over zijn ‘inordinate speechifying’, zeg maar oeverloos geklets. Sinds kort staat zelfs het complete orkestarchief online (http://archives.nyphil.org). Blijken er op de New Yorkse burelen nog Mengelbergkarikaturen te zwerven, zoals die ene van Jo Spier, waarop de dirigent staat te zwaaien als een buikig, vermoeid baasje.

Het zal ook afmattend zijn geweest, dat gependel tussen New York en Amsterdam. In 1905 stapte Mengelberg voor het eerst op de boot. Na een verlate aankomst wegens storm op zee meldde de Hollandse gastdirigent zich voor zijn eerste repetitie. Op de lessenaar lag Ein Heldenleben, het lijfstuk dat Richard Strauss zeven jaar eerder aan hem had opgedragen. In een brief aan het thuisfront schetste de 34-jarige zijn eerste Amerikaanse indrukken. ‘’t orkest is zoo, zoo! Beter als dat van Brussel doch erg koud. Ik zal probeeren het vuur erin te krijgen – ’t zijn allen ouwere menschen.’

Het Concertgebouw Magazine, januari 2012

Dromers en gekwetsten in Flow my tears

foto: Bowie Verschuuren

Dat Jeroen Willems opduikt in een theatervoorstelling die put uit de renaissancemuziek van John Dowland, hoeft niet te verbazen. In zijn eerdere Monteverdiverkenning heeft de acteur immers al laten horen dat een half gecultiveerde stem prima het hart kan pellen uit 17de-eeuwse noten.

De verrassing van Flow my tears, een co-productie van Veenfabriek en Wunderbaum, schuilt dan ook eerder in het onalledaagse milieu waarin Dowlands melancholieke songs de kop op steken. Ze staan op het repertoire van een rondtoerende indianenband, die zich op instrumenten als blokfluit, klavecimbel, contrabas en keyboard bovendien bedreven toont in het jankende Apache van The Shadows en All I Need van Radiohead.

Met lang haar, verentooi en westernbroek hebben de muzikanten zich passend in de kleren gehesen. Hoewel, muzikanten. Je krijgt vooral het idee dat je kijkt naar een stel rare types zoals Joris Linssen ze voor de camera van Showroom haalt, voor de gelegenheid bij elkaar gedreven in de opgeleukte therapieruimte van een gekkenhuis.

Dromers en gekwetsten zijn het, die de wormstekigheid van het leven verbeelden op tekst van Annelies Verbeke. De Vlaamse schrijfster presenteert de mens als een dolende krijger, hunkerend naar een identiteit en worstelend met de liefde, onder het gek makende besef dat hij afkoerst op het graf.

De link met John Dowland is zo gezocht nog niet. De beroemdste luitspeler van zijn tijd zwierf jaren door Europa, verbitterd omdat het Engelse hof hem keer op keer afpoeierde. Intussen schreef hij liederen waar de weemoed en treurnis van afdruipen. Flow, my tears, Weep you no more, In darkness let me dwell: popheld Sting raakte een paar jaar geleden zo onder de indruk, dat hij de bekendste Dowlandhits meenam naar de studio.

Tot de mooie momenten die regisseur Paul Koek smeedt, behoort het 'Plorate' van Giacomo 
Carissimi, een treurzang die a cappella opklinkt uit brekelijke kelen. Walter van Hauwe, de oude rot, laat fijntjes horen dat hij het smachtende blokfluitspel nog niet is verleerd. En met haar meisjesstem kleurt actrice Marleen Scholten uitstekend bij Jeroen Willems, de wannabe-indiaan die naar believen schakelt tussen dromerige tenor en raspende bas.

Maar ja, die humor van het schooltoneel. De klavecinist krijgt een plakpijl op het voorhoofd geschoten. Het potje linedance gebeurt liggend op de rug. De absurditeit van het leven verlangt iets meer timing en genie. 

Flow my tears, met o.a. Jeroen Willems en Marleen Scholten. Amsterdam, Stadsschouwburg, 8/2. Tournee, veenfabriek.nl.

de Volkskrant, 11 februari 2012

11 februari 2012

Tenor Hein Meens (1949-2012)


Vrijdag is op 62-jarige leeftijd onverwacht de tenor, docent en dirigent Hein Meens overleden. Vanaf de jaren tachtig kreeg hij landelijke bekendheid met zijn slanke, wendbare vertolkingen van de Evangelistenrol in Bachs Matthäus-Passion. Hij zong de partij ruim 250 maal. 'Iedere keer was het een feest', zou hij later zeggen

Meens begon zijn zangstudie in 1971 in Maastricht. Drie jaar later won hij een prijs op het vermaarde vocalistenconcours van Den Bosch. Op het operatoneel debuteerde de tenor in 1978 met een rol in Le nozze di Figaro van Mozart, gedirigeerd door André Rieu senior. In hetzelfde jaar werd hij onderscheiden met de Zilveren Vriendenkrans, uitgereikt door de Vrienden van het Concertgebouw en het Concertgebouworkest.

Hein Meens zong hoofdrollen in binnen- en buitenland, waaronder Ljenski in Tsjaikovski's Jevgeni Onjegin en Albert Herring in de gelijknamige opera van Benjamin Britten. Bij Nederlandse gezelschappen dook hij onder meer op als barpianist (Weills Mahagonny), stationschef (Schats Symposion) en stoomboot (Ariadne auf Naxos van Richard Strauss). Een van zijn laatste hoofdrollen zong hij in 2006 in Alzheimer, de 'hersenopera' van Chiel Meijering.

Tot zijn fraaiste prestaties als liedzanger behoort Nachthelle van Schubert, opgenomen met de mannen van het Nederlands Kamerkoor. Meens kon er zowel de buigzame als krachtige kanten van zijn stem in kwijt.


Hij gaf les aan het Conservatorium van Amsterdam. De laatste jaren dirigeerde Meens bovendien verschillende koren. Zo stortte hij zich met het Amsterdamse Westerkerkkoor op de passies en cantates van Bach. De bijzondere locatie maakte hem trots. 'Als ik hier langs fiets denk ik: in die kerk ben ik toch maar mooi dirigent.' Zijn uitvaart vindt er donderdag plaats.

9 februari 2012

Delphine Galou: een alt om te onthouden

Deel 49 van het sinds 2000 lopende Vivaldiproject op het Franse label Naïve herbergt een vocale verrassing. Delphine Galou: deze frêle Française ontplooit in de opera Teuzzone een altstem zoals je ze maar zelden hoort. Egaal en krachtig in de laagte, met fluweel rond elke toon. Tegelijkertijd mezzoachtig helder in de hoogte, geschikt voor rap versierwerk. 

Als de Tataarse prinses Zelinda vormt Galou de helft van een liefdespaar dat verstrikt raakt in de listen en lagen van het Chinese hof. De verwarring die Galous sonore stemgeluid sticht (vrouw of man?), wordt versterkt door het raadsel rond haar tegenspeler (man of vrouw?). De rol van kroonprins Teuzzone wordt gezongen door Paolo Lopez, een Italiaan die behoort tot het gilde der sopranisten, de dragers van een extreem hoge mannenstem. 

Zo ontstaan androgyne spiegelpaleizen die door dirigent Jordi Savall met de juiste Vivaldiaanse glitter worden gepresenteerd. 

Vivaldi: Teuzzone. Le Concert des Nations o.l.v. Jordi Savall. Naïve.

de Volkskrant, 8 februari 2012 






Op cd vlammender en preciezer dan hier. Maar toch...

Hoe heldhaftig is Klaus Florian Vogt?

Klaus Florian Vogt is de ridder van het jeugdige, blanke geluid. De Duitse tenor, in vorige seizoenen betrokken bij de bejubelde Wagnerexercities van dirigent Jaap van Zweden, maakt Germaanse helden genietbaar voor iedereen die blaasbalgen met operamaniertjes haat.
 
Op zijn eerste solo-cd breidt Vogt zijn territorium uit naar Mozart, Weber en Lortzing. Misschien was dat niet zo'n goed idee. Opeens valt op dat de tenor weliswaar uitmunt in quasi-naïeve, Wagneriaanse vertelkunst, maar tekortschiet in weelderiger vormen van melodiek. Vibrato sticht onrust in zijn toon en intonatie wordt opeens een kwestie. Pas als hij is aangeland bij Die tote Stadt van Korngold pakt Vogt de glinsterende draad weer op. 

Helden. Klaus Florian Vogt (tenor), Orchester der Deutschen Oper Berlin o.l.v. Peter Schneider. Sony Classical.

de Volkskrant, 8 februari 2012 






Simone Dinnerstein smoort Bach en Schubert


foto: Lisa Marie Mazzucco
Het succesverhaal van Simone Dinnerstein begint in 2007. Met de moed der wanhoop zamelt de Amerikaanse pianiste geld in voor haar eigen cd-opname van Bachs Goldbergvariaties. De plaat schiet onverwacht de hitlijsten in – en niet alleen de klassieke.

Inmiddels is Dinnerstein ingelijfd door het label Sony Classical. 'Something almost being said' heet haar nieuwe cd, een titel die is ontleend aan een gedicht van Philip Larkin. De pianiste verklaart de woorden van toepassing op twee Bachpartita's en de Impromptus opus 90 van Schubert. Dat is weliswaar instrumentale muziek, maar van een vocale kracht die op het punt staat uit te barsten in taal.
 
Geen gekke gedachte. Helaas is het spel dat Dinnerstein erbij levert om zeeziek van te worden. Bach en Schubert krijgen te kampen met zwenkende tempo's en een 'gevoelvolle' timing. Zelfs het onschuldigste trillertje wordt door Dinnerstein pathetisch gesmoord.

Bach en Schubert. Simone Dinnerstein (piano). Sony Classical.

de Volkskrant, 8 februari 2012







Voor de liefhebber: een kijk op Simone Dinnerstein als pianiste, echtgenote, dochter, moeder...