30 maart 2012

De freudiaanse diepten van de harp



Remy van Kesteren, de 23-jarige harpist en leidsman van het Dutch Harp Festival in Utrecht, is een handige donder. À l'improviste riep hij de Harp Award in het leven, een prijs die per omgaande werd toegekend aan Iris Kroes. De harpspelende zangeres is als Voice of Holland-winnares niet te beroerd om zondag te verschijnen in Vredenburg Leidsche Rijn.
 
Ook met Giel Beelen onderhoudt Van Kesteren een lijntje. Onder het motto Real Men Play the Harp warmde de radioman dinsdag de openingsavond op. Dames kwamen er inderdaad niet aan te pas, maar een dag later sloegen die des te harder terug. In Vredenburg Leeuwenbergh, de tot kamermuziekzaal vertimmerde kerk, legden vier harpistes de intiemste geheimen van hun instrument bloot.

Dat gebeurde onder meer in de finalestukken van de compositiewedstrijd die de kiene Van Kesteren ook heeft uitgeschreven. De post bezorgde 107 solo's, waarna het voor componist Klaas de Vries en zijn jury nog een hele toer was om drie finalisten te kiezen.

Terecht reist Nicoletta Andreuccetti met de eerste prijs terug naar Italië. Hoe doordeweeks de beginakkoorden van haar Mouvements ook zijn, gaandeweg maken zich melodielijnen los die vertellen van een getroebleerde binnenwereld. Klappen uitdelend aan snaren en klankkast voltrok Gwyneth Wentink een mild sm-ritueel, dat met filosofisch nagloeien werd bekroond.

Eén constante dook ook op bij de gevestigde componisten wier werk het programma omlijstte: de halve toonsafstand, opgewekt door een klinkende snaar met voetpedaal te verkorten of verlengen. Hij zat net zo verstopt in het kleurige dna van Roel van Oostens Triptych als van Willem Jeths' Vertooning.

Met strijkstokken, oosterse klankschalen en castagnetten bleek de harp intussen goede vrienden. Soliste Sabien Canton had voor de monochrome balletmuziek van Kaija Saariaho's Fall bovendien een danser gevonden, die zich in de snaren van een reuzenharp leek te verstrikken.

Dat Miriam Overlach door een acteur bruusk achter haar instrument werd gesmeten, riep ze over zichzelf af met de keuze voor het theater van de Grieks-Franse componist Georges Aperghis. Fidélité heet zijn stuk, met als intrigerende ondertitel: 'voor een soloharpiste die wordt bekeken door een man'. Met roffelend pedaalwerk en hysterisch lachen legde Overlach de freudiaanse diepten bloot van haar op het oog zo keurige instrument.

Dutch Harp Festival. Utrecht, diverse locaties, t/m 1/4, harpfestival.nl.

de Volkskrant, 30 maart 2012

26 maart 2012

Rumor, de roddelopera van Christian Jost

foto: Vlaamse Opera / Annemie Augustijns
Openen met een piëta en eindigen met een kruisiging: het zijn niet de onschuldigste beelden waarin regisseur Guy Joosten een nieuwe opera van de hedendaagse Duitse componist Christian Jost vat. Rumor heet het stuk waarmee de Vlaamse Opera in Antwerpen en Gent z'n nek uitsteekt. De titel geeft zijn volle lading pas prijs als je hem proeft in het Duits en het Engels. Dan gaat het 'rumoer' van de ene taal naadloos over in het 'gerucht' van de andere.

Daar zit dus Ramón, de naïeve, studentikoze hoofdpersoon. Op zijn schoot ligt het dode lichaam van Adela. Hij heeft haar opgetild uit het moeras, ze heeft messteken in de rug. Zeven kwartier en vijftien scènes later bungelt een Vreemdeling aan het kruis. Hij is door Ramón gestraft voor een misdaad die dorpsbewoners hem al roddelend in de schoenen hebben geschoven.

Dat Guy Joosten in zijn visualisering uitkomt bij de Bijbel, hoeft niet te verbazen. Ook Jezus werd immers het slachtoffer van een lastercampagne, zoals dezer dagen in Bachs Matthäus-Passion weer volop valt te beleven. Toch is de vraag of zulke loodzware symboliek wel past bij een surrealistische vertelling zonder messianistische ondertoon.

Jost heeft het libretto van Rumor, zijn zevende muziekdrama, geput uit een novelle van de Mexicaan Guillermo Arriaga. De componist heeft zich daarbij niet merkbaar laten inspireren door het akoestische repertoire van de kwaadspreker. Vileine stembuigingen, gesmoorde klinkers en smiespelende s'en zijn in zijn roddelopera afwezig.

Wel klinkt het koor grauw en grijs. Maar die karakteristiek lijkt zonder bijbedoeling, net als de stroperige orkestpartituur – tenzij het lome harmonische ritme verband houdt met de hitte die het roddelaarsdorp teistert.

In Nederland heeft Jost (48) zich tot op heden amper kunnen presenteren. Het Residentie Orkest speelde ooit stukken van zijn hand; komend seizoen duikt hij op bij het Nederlands Philharmonisch. Maar in Duitsland doet hij mee met de groten. In 2009 bombardeerde het kennerstijdschrift Opernwelt zijn Hamlet in elk geval tot 'première van het jaar'.

Jost blijkt een talent te hebben voor laag, orgelend koper. Ook voor de solozangers van Rumor drapeert hij dankbaar materiaal, waarvan vooral sopraan Agneta Eichenholz en tenor Florian Hoffmann profiteren. Als Adela en Ramón zingen ze glooiende lijnen, prettig jong van klank. Niet minder buigzaam verloopt het parallelle geminnekoos van de stoere Vreemdeling (bariton Gregg Baker) met zijn temperamentvolle Geliefde (mezzosopraan Ursula Hesse von den Steinen).

foto: Vlaamse Opera / Annemie Augustijns
Claustrofobie bepaalt het toneelbeeld: vijf okerbruine nissen zijn samengepropt in een beklemmend poppenhuis. De setting heeft componist en regisseur uitgedaagd tot simultaanscènes, die elkaar slechts zelden blijken te versterken.

Het fraaie slot bevestigt dat Josts kracht vooral schuilt in vrijzwevende lyriek. Hij strooit er een hele opera mee, maar pas nu, als Adela en de Vreemdeling elkaar vinden in de dood, is deze muziek de personages werkelijk op het lijf geschreven.

Christian Jost: Rumor. Regie: Guy Joosten. Solisten, Koor en Symfonisch Orkest van de Vlaamse Opera. Antwerpen, 23/3. Herh. Antwerpen (t/m 31/3) en Gent (11/4 t/m 20/4), vlaamseopera.be.

de Volkskrant, 26 maart 2012

21 maart 2012

De liefde volgens Sandrine Piau


De god van de liefde houdt de mens gevangen in zijn netten. En het triomfantelijke gekraai, zo observeert de sopraan Sandrine Piau in haar voorwoord, is slechts zelden dat van zijn slachtoffers.

Je kunt een cd met Franse liefdesaria's uit de 17de en 18de eeuw vrijblijvender beginnen. Maar vrijblijvendheid is dan ook het laatste waarvan je Sandrine Piau kunt betichten. Van Lully tot Grétry stort de Française zich op de roes, de twijfel en de al dan niet zoete pijn van de liefde. Ze doet dat met een kristallen stem die smacht en treurt, fluistert en pleit. 

De sopraan wordt voorbeeldig ondersteund door het orkest Les Paladins van Jérôme Corréas, alweer zo'n Franse dirigent die het oor voor humeuren en temperamenten heeft gescherpt bij stamvader William Christie. Hoor die traverso's toch eens fladderen, briljant aangedreven door de eeuwig verliefde Jean-Philippe Rameau. 

Le triomphe de l'amour. Sandrine Piau (sopraan), Les Paladins o.l.v. Jérôme Corréas. Naïve.

de Volkskrant, 21 maart 2012

Onrust in Dessays Debussy


Je zou er vooraf blind voor tekenen: een cd met vroege liederen van Claude Debussy, komend uit de keel van Natalie Dessay, de Franse sopraan die operaliefhebbers wereldwijd opwindt met een frisse kijk op het belcanto. Als Dessay voor haar Debussyproject via een anonieme weldoener dan ook nog vier ongepubliceerde liederen krijgt toegeschoven, kan het eigenlijk al niet meer misgaan.
 
Maar helaas. Vergetelheid mogen we haar nieuwe plaat niet toewensen, daarvoor zijn alleen al die vier premières te speciaal. Maar de omschakeling van de Metropolitan Opera in New York naar de delicate wereld van de Franse mélodie gaat Dessay niet makkelijk af. In haar stem zit onrust, aangewakkerd door een vibrato dat de vertellende kracht van Debussy's noten ondermijnt. Daarbij klinkt de piano van Philippe Cassard veel te beleefd. 

Debussy: liederen. Natalie Dessay (sopraan), Philippe Cassard (piano). Virgin Classics.

de Volkskrant, 21 maart 2012

Vroege Vivaldi met geniale trekjes


Het grootste onrecht dat je het ensemble L'Estravagante kunt aandoen, is hun nieuwe Vivaldi-cd na een paar tellen alweer afzetten met een briesend: bah!, wat leggen die Italianen een pedanterie in de begintonen van Vivaldi's variaties over het fameuze barokthema La Folia.

Maar dan komt de eerste versiering: doortrapt. Een violist maakt eens een glijertje over de snaar: gedurfd. En intussen ben je verkocht. Zelfs de intonatie, soms wringend, lijkt te passen in het masterplan: laten horen dat Antonio Vivaldi als begin-twintiger al geniale trekjes vertoonde.
 
In deze selectie uit de twaalf triosonates opus 1, uitgegeven in 1705, klinkt hij vooral nog fijn naar de 17de eeuw. Biber, Buxtehude, Corelli: hun speelse geest resoneert in stukken waarin je de Vivaldi-sjablonen uit later tijd vergeefs zult zoeken. 

Vivaldi: Triosonates opus 1. L'Estravagante. Naïve.

de Volkskrant, 21 maart 2012 




20 maart 2012

De wapperende handen van Jorge Luis Prats


Jorge Luis Prats, de pianist die bijna zijn linkerduim had afgekapt in de suikerrietplantages van Fidel Castro, was al een vijftigplusser toen de schijnwerpers van de pianistiek hem eindelijk vonden. In 2008 kreeg hij zijn 'verlate debuut' in de Amsterdamse serie Meesterpianisten. Prats was van het Spaanse platteland geplukt, waar hij probeerde te wortelen nadat Cubaanse apparatsjiks zijn carrière kundig hadden gesmoord.

Zondag presenteerde hij zich in het Concertgebouw voor de vierde keer aan 'het beste publiek ter wereld'. Die pluim mocht concertorganisator Marco Riaskoff uitdelen namens de stoet klaviersterren die hem vorige week met het 25ste Meesterpianistenseizoen kwam feliciteren. Prats (55) pakte de draad van de serie op met preludes van Chopin en Skrjabin, om zich vervolgens met wapperende handen te ontfermen over Stravinsky's Trois mouvements de Pétrouchka.

Zijn spel vertoonde in elk geval de charme van de eigenzinnigheid. Prats ziet de 24 preludes van Chopins opus 28 niet als het breekbare materiaal voor dichters, denkers of dandy's. Integendeel, met gul pedaal mengt hij volvette, pasteuze middenstemmen, waarvan de donkere tinten doen denken aan barok schilderwerk in een schemerige Spaanse kerk. Soms valt er een lichtstraal op, zoals in de Prelude in Des-groot, waarin Prats het baritonale grommen met groots effect verwisselde voor de tenorale overpeinzing.

In de 24 preludes van Alexander Skrjabin bevestigde de Cubaan zijn roep als liefhebber van tropische slagregens en turbulente modderstromen. Dat er tussen de bundels van Chopin en Skrjabin een halve eeuw gaapt, leek even minder belangrijk. Wel kwamen Prats' coloristische vermogens in de Russische context beter tot hun recht. Het gloeide als het niet gonsde, en hij kreeg het zelfs voor elkaar om rond een eenzaam wegstervende toon nog even een delicaat akkoordje te draperen.
 
Verbazend virtuoos en verbluffend saai - die paradox heerste in Stravinsky's Pétrouchka, balletmuziek die door Prats van z'n hevigste ritmische impulsen werd ontdaan. Keuvelend zette hij zich aan een handvol Latijns Amerikaanse toegiften. Met een smeuïge Piazzolla en een soepele Ponce verdween de pianist lichtvoetig dansend in de nacht. 

Meesterpianisten: Jorge Luis Prats. Werken van Chopin, Skrjabin en Stravinsky. Amsterdam, Concertgebouw, 18/3.

de Volkskrant, 20 maart 2012

15 maart 2012

De geheimen van Händel ontsluierd

Sarah Connolly (foto: Peter Warren)
En daar was hij dan, de dodelijk accurate Händel. 'Scherza infida' heet het prachtstuk uit zijn opera Ariodante waarin de gelijknamige prins zijn nood klaagt over de vermeende ontrouw van zijn lief. Op papier zijn het belachelijk eenvoudige noten. Maar zodra ze in het Concertgebouw de keel verlieten van mezzosopraan Sarah Connolly, woelden ze bij menig luisteraar een grom los en een traan.

Connolly vond gelukkig net op tijd haar vorm. De onwennigheid waarmee ze aan haar titelrol was begonnen, viel trouwens te billijken. Boven haar hoofd zweefde immers de geest van Joyce DiDonato, de Amerikaanse stermezzo voor wie Händelminnaars zich naar Amsterdam hadden gespoed, maar die moest afzeggen vanwege een minor medical reason. Bij reprises in Rotterdam en Eindhoven vertoont de yankeediva zich evenmin.

Er bleef genoeg talent over van de cast waarmee dirigent Alan Curtis Ariodante vorig jaar al op cd heeft gezet. Met voorop Marie-Nicole Lemieux: deze Canadese alt kende geen remmingen bij het uittekenen van Polinesso, de ploert die de liefdescarrousel in gang zet. Tot haar act behoorde zelfs het woeste omslaan van een bladzij.

Marie-Nicole Lemieux
Maar belangrijker: als enige beheerste Lemieux alle aspecten van het vocale Händelvak, inclusief temen en flemen, treiteren en slijmen. De alt stutte haar barokke optreden met een stem waarin elke vulkanische oprisping iets had te melden over die rotzak van een Polinesso.

Ondertussen kreeg Alan Curtis, een Händeliaan van het eerste uur, uit Il Complesso Barocco meer kleur dan je op grond van zijn professorale dirigeertrant zou vermoeden. In vaart haalt de 77-jarige Amerikaan het niet bij René Jacobs. Qua roes legt hij het bovendien af tegen Marc Minkowski (over de Ariodante die deze Fransman in 1997 in Amsterdam dropte, met in de titelrol Anne Sofie von Otter, wordt nog altijd verliefd gesproken).

Toch kent ook Curtis de geheimen van Händel. Hij situeert ze in een sniffende fagottoon, of in een altviool die brutaal opspeelt. En ook al ploinkte de luit soms vals, de dirigent liet zich niet ontregelen.
 
Inmiddels richten de fans hun ogen op Deidamia, Händels laatste opera die vanaf volgende week in het Amsterdamse Muziektheater een nieuwe enscenering krijgt. En in april gaat het in ganzenmars naar Brussel, voor een Orlando die in de Muntschouwburg mag profiteren van de specialisten René Jacobs en Pierre Audi.

Georg Friedrich Händel: Ariodante. Il Complesso Barocco o.l.v. Alan Curtis. Amsterdam, Concertgebouw, 6/3. Herh. 13/3 (Eindhoven).

de Volkskrant, 9 maart 2012

Lees HIER hoe dehandvanguido op zoek ging naar Händel in Londen

14 maart 2012

Iván Fischer brengt een bronstige Sacre


Alsof 2013 al niet bij voorbaat bezwijkt onder jubilerende zwaargewichten (Wagner, Verdi, Britten), koerst de muziekwereld ook nog af op de honderdste verjaardag van het schandaalstuk waarmee Igor Stravinsky in mei 1913 de 20ste eeuw aftrapte: Le sacre du printemps, het lenteoffer, brisante balletmuziek bij 'beelden uit het heidense Rusland', aldus de ondertitel.

Vooruitlopend op de te verwachten stortvloed aan Sacres hebben dirigent Iván Fischer en zijn Budapest Festival Orchestra de partituur alvast gereinigd, geïnspecteerd en in z'n revolutionaire glorie hersteld. Resultaat: de noten stormen bronstig uit de speakers.
 
Stravinsky's scandaleuze ritmiek beukt in de onderbuik. Tegelijkertijd houdt Fischer oog voor melodische kronkelingen en voor het geweld waarmee muzikale aardlagen langs elkaar heen schuiven. Ook de Vuurvogelsuite profiteert van een superieure opnamekwaliteit. 

Igor Stravinsky: Le sacre du printemps, Suite 'De Vuurvogel'. Budapest Festival Orchestra o.l.v. Iván Fischer. Channel Classics.

de Volkskrant, 7 maart 2012

Deemoed en perfectie in b-klein: Herreweghes zwartekousen-Bach


De lof van de Allerhoogste kun je op verschillende manieren zingen. Jubelend en vitaal, met gebruik van alle aardse talenten die de Heer heeft geschonken. Of juist sober en ingetogen, in het sprakeloze besef van de eigen nietigheid.

Philippe Herreweghe kiest in zijn nieuwe opname van Bachs Hohe Messe voor het laatste. In gestileerde deemoed buigt de Vlaming het hoofd. Als het al niet voor God is, dan toch zeker voor Bach. Vanaf het eerste Kyrie bespeur je de marsorders die de musici kregen uitgereikt: vermijd alles wat ruw of hoekig is, loop over wolken, cijfer jezelf weg. 

Dat laatste lukt in elk geval de vijf solisten, onder wie sopraan Dorothee Mields en countertenor Damien Guillon, met een blank gevooisd geluid. Maar met zoveel beheerste perfectie wordt het in de Bachhemel snel saai. Zorgvuldig vermijdt Herreweghe de schijn van genot. Je zinkt er verzaligd bij op de knieën. Of je krijgt de kriebels van een zwartekousen-Bach.

J.S. Bach: Hohe Messe. Collegium Vocale Gent o.l.v. Philippe Herreweghe. Phi.

de Volkskrant, 7 maart 2012 

Eindeloos gepalaver in de eerste Romeinse opera


Nicolas Achten zingt, dirigeert en kent de weg op harp, klavecimbel en luit. Bovendien staat het Belgische multitalent te boek als specialist in embryonale opera's. Dit keer richt hij zijn pijlen op het eerste Romeinse specimen: La catena d'Adone, door Domenico Mazzocchi in 1626 gecomponeerd.

Toen was de première van het eerste 'echte' muziekdrama, Monteverdi's L'Orfeo, alweer twee decennia achter de rug. Maar welke vergezichten Monteverdi ook heeft ontsloten, aan Mazzocchi waren ze niet besteed. Eindeloos is het gepalaver rond de liefdesketenen van de schone Adonis. 

In theorie zit het recitar cantando of 'zingend spreken' van de vroege opera vol hartstocht. En dat is juist waar het de hoofse stembanden van Achten cum suis te vaak aan ontbreekt.

Domenico Mazzocchi: La catena d'Adone. Scherzi Musicali o.l.v. Nicolas Achten. Alpha. 

de Volkskrant, 7 maart 2012

Lees HIER mijn recensie van een eerdere Achten-cd



6 maart 2012

Een Zauberflöte als kantoordroom


foto: Morten de Boer
De barst in het romantische beeld van Opera Zuid moest een keer komen. Met leeuwenmoed en slimmigheid heeft de kleine club uit Maastricht de laatste jaren aangetoond dat je met een krappe beurs wel degelijk amusant, boeiend en soms zelfs overrompelend muziektheater kunt maken. Maar uitgerekend in Mozarts sprookjesopera Die Zauberflöte krijgt het Limburgse operasprookje nu een knauw.

Wat verlangden we zondagmiddag in het Maastrichtse Theater aan het Vrijthof naar Opera-Zuidcoryfeeën uit het recente verleden. Neem Ed Spanjaard: die zou, anders dan zijn vakgenoot Per-Otto Johansson, het Limburgs Symfonie Orkest hebben gewekt uit zijn genoeglijke sluimer. Een regisseur als Harry Kupfer zou de operakarakters markanter hebben uitgetekend. Bovendien ontbraken aan Die Zauberflöte de stembanden van Kim Savelsbergh of Karin Strobos, om slechts twee van de zangeressen te noemen die de afgelopen seizoenen zijn opgebloeid bij Opera Zuid.

Wel zagen we hoe geile kantoorbabes hun vlees gewillig vlijden over de bureaus. Die mannenfantasie kon regisseur Bruno Berger-Gorski kwijt nadat hij had besloten de pointe van Mozarts laatste opera – hoe word je een completer, beter mens – over te planten naar de hedendaagse kantoortuin.

De regisseur schetst prins Tamino en zijn geliefde Pamina als high potentials die zich laten uitbuiten in een door dagkoersen gedicteerde wereld. Uitgeput vallen ze achter de computer in slaap - waarna hun inwijding in het rijk van de hogepriester Sarastro plaatvindt in de droom.
Met enige goede wil valt best te verdedigen dat er een sm-relatie bestaat tussen Sarastro en zijn hulpje Monostatos (die al knedend en wrijvend zijn eigen kijk geeft op het begrip 'toverfluit'). Strikt genomen is het verbranden van eurobiljetten en creditcards ook geen ongeschikt beeld bij de initiatie van Tamino en Pamina.

Maar met zijn vrijblijvende keuze voor de droom ontslaat Bruno Berger-Gorski zichzelf van elke consequente dramaturgie. Zo kronkelt de voorstelling naar een teleurstellende ontknoping waarin de hoofdpersonen, eindelijk ontwaakt, elkaar bij de koffieautomaat om de hals vallen.

De Zweedse dirigent Per-Otto Johansson wekte niet de indruk dat in hem een Mozartiaanse stokebrand schuilt. Het was vooral jammer voor Martijn Sanders, de bariton die zich ontpopte tot de meest stabiele zanger van het stel. In Sanders schuilt mogelijk een puike Papageno – op voorwaarde dat een dirigent of regisseur zijn theatrale vermogens tot het uiterste op de proef wil stellen.

Het centrale paar was met sopraan Aylin Sezer (blanco stem) en tenor Elmar Gilbertsson (laag intonerend) matig bezet. De Sarastro van Andreas Mitschke klonk zoals hij voor het eerst opkwam: met de handen in de zakken. Aanvankelijk wankelde ook de sopraan Christina Rümann, maar uiteindelijk deed ze wat een helse Königin der Nacht moet doen: het uitspuwen van verschroeiende coloraturen.

Mozart: Die Zauberflöte. Solisten, Limburgs Symfonie Orkest o.l.v. Per-Otto Johansson. Regie: Bruno Berger-Gorski. Maastricht, Theater aan het Vrijthof, 4/3. Tournee t/m 31/3, operazuid.nl.

de Volkskrant,  6 maart 2012