Twaalf jaar speurde dirigent John Eliot Gardiner naar de mens achter Bach. Moeilijke man, dat staat vast. Gevolg van een getraumatiseerde jeugd?
Thüringen, zomer 1705. In de Neukirche van Arnstadt
repeteert Johann Sebastian Bach, een jonge vent van twintig, met een leerlingenorkest
een cantate. Als de fagotspeler voor de zoveelste keer zijn solo verknalt, ontploft
Bach. Zippel-Fagottist!
Muziekwetenschappers plegen die belediging te vertalen met
'beginneling!', 'schavuit!', of hooguit 'rund van een fagottist!'. Kom bij
John Eliot Gardiner niet aan met die braafpraat. De Britse dirigent (70),
tevens bioboer in Dorset, wijst zonder gêne naar zijn kruis. 'Ik heb er oude woordenboeken
op nageslagen en Zippel had toch echt betrekking op de penis. Bach
noemde die fagottist gewoon een lul.'
Het schuttingwoord valt ook te lezen in Gardiners nieuwe Bachboek,
dat deze week in Nederland verschijnt. Sir John Eliot vond het tijd voor een
correctie op het gangbare beeld van de vergoddelijkte Bach. Openingszin van Bach
- muziek als een wenk van de hemel: 'De musicus Bach is van een onmetelijke
genialiteit; de mens Bach heeft duidelijk zijn gebreken.'
Na die klaroenstoot trekt in bijna 700 bladzijden een
catalogus van kleinmenselijkheid voorbij. Korte samenvatting: Bach was een begaafde
klager. Achterdocht en winstbejag gingen hand in hand met kruiperigheid
tegenover vorsten. Hij minachtte werkgevers en vocht vetes uit met collega's.
Na twaalf jaar schrijfarbeid weet Gardiner het zeker.'Bach
was een rebel. Hij kon slecht overweg met autoriteiten en leed aan driftbuien. De
oorzaken liggen in een onverkwikkelijke schooltijd en een traumatische jeugd.'
Op zijn Londense pied-à-terre hapt de dirigent in een
cakeje. Weinig klassieke maestro's zijn vermaarder en veelzijdiger dan 'Jiggy'
Gardiner. Hij richtte een koor en twee orkesten op; geldt als een pionier van
de oude muziek; ontplooide een parallelle carrière in de opera; dirigeerde hedendaagse
meesters bij het Koninklijk Concertgebouworkest; heeft met driftbuien zelf een
reputatie.
Sinds 1 januari is hij bovendien president van het
Bach-Archiv in Leipzig, de wereldnavel van de Bachkunde. Die functie vormt de voorlopige
bekroning van een onwaarschijnlijk traject dat al in de luiers begon.
In de Tweede Wereldoorlog kregen Gardiners ouders een
schilderij in bewaring. Tot 1950 hing het op de overloop. Elke dag voelde John
Eliot de strenge ogen van een man met een pruik.
Het was Johann Sebastian Bach, zoals Elias Gottlob
Haussmann hem in 1748 had geportretteerd. Geen kopie, maar het origineel. Het belangrijkste
Bachportret ooit.
Tot de ongerijmdheden in Dorset behoorde verder dat de
Gardiners oude koormuziek zongen. Josquin, Monteverdi, Schütz, de motetten van Bach:
John Eliot, de jongenssopraan, kende hele partijen uit het hoofd.
Spoelen we door naar het Bachjaar 2000. Slalommend langs
Europese kerken dirigeerde Gardiner in twaalf maanden tijd alle 198
overgeleverde Bachcantates. Gemiddeld vier per week, en alles werd vastgelegd op
cd.
De Bach Cantata Pilgrimage legde de kiem voor zijn boek. Behalve
tijd was de schaarste aan biografisch materiaal het probleem. Van Mozart
bestaan tenminste nog brieven. De dove Beethoven pende hele conversatieschriften
vol. Bachwetenschappers staan al te juichen bij een orgelkeuringsrapport of
herbergnota.
John Eliot Gardiner verzon een list. Hij peilde Bachs geest
via de muziek die hij het beste kent: de Mis in b-klein, de passies en cantates.
Achterwege bleven Bach de kamermusicus, de orkestcomponist en de klavierman.
Zijn verklaring: 'In de kerkmuziek zie je hoe Bach gedachten
en emoties bij elkaar brengt. Je merkt
dat hij niet alleen de theologische
boodschap van een tekst uitdrukt, maar ook zijn eigen karakter: devoot en ernstig,
geniaal en opstandig.'
Waarna de dirigent al pratend vijf retouches aanbrengt op
het granieten monument van Bach.
1. De spijbelaar
In 1692, op z'n zevende, stapt Bach over de drempel van de
Latijnse School in Eisenach. Iets moet hem hebben gehinderd, want in de daaropvolgende
drie schooljaren daagt hij 96, 59 en 103 keer niet op. Misschien zorgt hij voor
zijn zieke moeder, die in 1694 overlijdt. Wellicht helpt hij zijn vader, een
stadsmuzikant, bij het poetsen en repareren van instrumenten.
Gardiner legde de schoolperiode nog eens onder het
vergrootglas en vond een grimmiger hypothese. 'Misschien raakte Bach in de
onfrisse ambiance van de Latijnse School getraumatiseerd. De sfeer was chaotisch
en ruw, er werd wreed gestraft. Contemporaine rapporten reppen van misbruik van
jongens.'
Tweede element in Gardiners traumatheorie: nadat zijn
vader in 1695 is overleden, verhuist Bach naar Ohrdruf, waar zijn broer Johann
Christoph hem in huis neemt. Op school treft hij een docent die leerlingen
tiranniseert.
Gardiner: 'Johann Heinrich Arnold heet die schurk, een
regelrechte sadist. Tel die jeugdervaringen bij elkaar op en Bachs probleem met
autoriteit wordt voorstelbaar. Of hij nu werkt voor een kerkenraad, een vorst
of een stadsbestuur, altijd ontstaat er wrijving.'
Luistertip: Barmherziges Herze der ewigen Liebe, BWV 185,
slotaria.
Gardiner: 'Met het nabootsen van een pompeuze prediker vrolijkt
Bach een nogal banale tekst op. Misschien een sneer naar zijn toenmalige werkgever,
hertog Wilhelm Ernst van Saksen-Weimar.'
2. De rebel
Kort nadat hij in Arnstadt de klungelende fagottist heeft gekwetst,
vraagt Bach een maand verlof. In twaalf dagen tijd loopt hij 400 kilometer naar
de noordelijke havenstad Lübeck. Hij wil er, nu het nog kan, zijn licht
opsteken bij de bejaarde meester Dieterich Buxtehude.
'In plaats van vier weken blijft hij vier maanden weg',
zegt Gardiner. 'Natuurlijk tikt de kerkenraad hem op de vingers. Waarom is hij zo
lang weggebleven? Om het een en ander te leren over zijn kunst, luidt het hautaine
antwoord.'
Waarna de raadsleden hun opgekropte ergernis spuien over de
'eigenaardige variaties' en 'vreemde noten' waarmee hun jeugdige organist in de
eredienst strooit. Twee maanden later stapt Bach op.
Hommeles wordt het ook in Weimar. Bach zit er zelfs een
maand in het cachot, nadat hij bij de hertog 'wat al te koppig' heeft
aangedrongen op ontslag. Het patroon zet zich voort in Leipzig. 'Maar daar wordt
hij ook belazerd, zegt Gardiner. 'Wanneer Bach in 1723 aantreedt als cantor, laten
de autoriteiten hem een contract tekenen dat ze niet waar kunnen maken. Ze
hebben de statuten van de Thomasschule inmiddels zo veranderd, dat er ook
minder muzikale leerlingen instromen.'
En schelden – Bach blijft het doen. Nog in 1749, een jaar voor
zijn dood, laat hij zich meeslepen door een kwestie die zich afspeelt ver van Leipzig.
De rector van een gymnasium vergelijkt muzikanten met 'tempeldanseresjes,
kwakzalvers en bedelmonniken’. Bach, inmiddels bijna blind, dicteert een
repliek waarin hij Der Rektor op z'n Thürings uitkaffert voor Dreck-Ohr.
Luistertip: Wo Gott der Herr nicht bei uns hält, BWV 178.
Gardiner: 'Een cantate die afrekent met huichelaars en
valse profeten. Het is alsof Bach teruggrijpt op een lijstje met al het onrecht
dat hem is aangedaan.'
3. De teleurgestelde cantor
In zijn Eisenachse jeugd zit Bach in dezelfde kerkbankjes
als twee eeuwen tevoren de grote kerkhervormer Maarten Luther. Gardiner: 'Hij
vereert hem haast obsessief. Als jonge organist in Mühlhausen formuleert hij
dan ook zijn 'Endzweck', zijn einddoel als componist: goed gemaakte kerkmuziek
ter ere van God.'
Het levert de Mis in b-klein op en een handvol passies,
waarvan alleen de Matthäus en Johannes resteren. Maar vooral componeert Bach honderden
cantates. Vooral in Leipzig gaan de sluizen wijd open. Recitatieven en aria's,
koren en koralen: vanaf 1723 vormen ze voor de cantor van de Thomaskerk een wekelijkse
routine.
Maar Bach schrijft ze allesbehalve routineus. Gardiner: 'Vergeleken
met andere componisten uit zijn tijd zelfs ronduit vooruitstrevend. Contrapunt,
inventie, harmonie, de retoriek van de noten: als een schaakgrootmeester denkt
Bach zeven stappen vooruit.'
Vanaf 1729 begint de stroom te stokken. 'Misschien ervaart
Bach een gebrek aan erkenning', zegt Gardiner, 'of ontdekt hij dat zijn kunst
aan dovemansoren is gericht. Hij neemt de leiding van het Collegium Musicum
erbij, een gezelschap van professionals en amateurs dat wekelijks optreedt in
een Leipzigs koffiehuis.'
Luistertip: Mein Herze schwimmt in Blut, BWV 199.
Gardiner: 'Een cantate als een mini-opera, over wroeging,
zielenood en inkeer. Bach schrijft dramatisch intenser dan operacomponisten als
Händel en Vivaldi.'
4. De sterveling
Tien van Bachs twintig kinderen halen de kleuterleeftijd
niet. Zijn eerste vrouw, Maria Barbara, overlijdt terwijl hij ver weg aan het
werk is. Zijn zoon Carl Philipp Emanuel herinnert zich later Bachs thuiskomst.
'Dood en begraven was ze, terwijl ze bij zijn vertrek kerngezond was geweest.
Het nieuws dat ze ziek was geworden en was gestorven bereikte hem pas toen hij
zijn huis betrad.’
Gardiner: 'Ongetwijfeld verwerkt Bach persoonlijk leed in
al die prachtige cantates over de dood. Dat begint al in de Actus tragicus, dat merkwaardig rijpe stuk
van een 22-jarige. Door de volmaaktheid heen hoor je de kwetsbaarheid van een
gewone man, die worstelt met gewone twijfels, zorgen en verwarring.'
Sommige cantateteksten roepen apocalyptische taferelen op,
andere vergelijken de dood met een eeuwige slaap. Gardiner: 'Als je in Komm, du süsse Todesstunde de
doodsklokjes hoort klingelen, kleeft aan sterven niets neerslachtigs. Bach kan de
meest morbide teksten transcenderen. Muziek is voor hem de balsem waarmee hij de
dood van z'n stekeligheid berooft.'
Luistertip: Gottes Zeit is die allerbeste Zeit ('Actus
tragicus'), BWV 106.
Gardiner: 'Terwijl de sopraan ‘Ja, komm, Herr Jesu, komm!’
zingt, verstommen de blokfluiten en viola da gamba's. De sopraan sterft weg met
een fragiele arabesk.'
5. Het menselijke genie
In 1747 reist Bach naar Potsdam. Hij wordt er ontvangen
door Frederik de Grote. Gardiner proeft uit de verslagen een sfeer van: daar
hebben we de oude Bach. 'Vermoedelijk vonden ze hem een provinciaal. Bach
speelde de sterren van de hemel, maar die reserve moet hem hebben gekwetst.'
Na zijn dood staat Bach definitief te boek als oude pruik.
Hij is de auteur van vernuftig, maar gedateerd contrapunt. De wederopstanding vindt
plaats in 1829, wanneer de twintigjarige Felix Mendelssohn de Matthäus-Passion herontdekt.
Ook in deze icoon van de westerse cultuur hoort John Eliot
Gardiner veel menselijks. 'Neem alleen al de Christusfiguur. In de
Johannes-Passion heeft hij nog iets zen-achtigs, onverstoorbaar volgt hij zijn
lot. In de Matthäus wordt hij humaner. Christus krijgt een warme gloed van
strijkers. En nadat hij is gestorven klinkt die overrompelende aria 'Mache dich,
mein Herze, rein'. Hier geeft Bach je het gevoel: Christus is een mens. Wat hem
is overkomen, kan ons allemaal overkomen.'
Luistertip: de aria 'Ach, mein Sinn' uit de
Johannes-Passion.
Gardiner: 'Petrus heeft Jezus verloochend en wordt gek van
wroeging. Tegelijkertijd hoor ik de cri de coeur van een componist die weet dat
de mens maar een klein zetje nodig heeft om te ontsporen'.
Het origineel van Bachs beroemdste portret hing in het ouderlijk huis van John Eliot Gardiner. Als kind zag hij een man met een
strenge, dreigende blik. Tegenwoordig valt het de dirigent op hoe goed
Haussmann twee tegengestelde trekken van Bachs karakter heeft getroffen: het
serieuze en het sensuele. Boven: een man die is getekend door de zwarigheden
van het leven. Onder: vlezige lippen en wangen die doen vermoeden dat Bach
hield van lekker eten en wijn. In zijn hand houdt hij een eenstemmig genoteerde
canon, die zesstemmig kan worden uitgewerkt.
de Volkskrant / De Morgen, 12 april 2014


Bijzonder jammer dat Gardiner juist dit deel van zijn boek naar voren laat komen. Het is het zwakste deel van het boek. Gardiner strijdt hier tegen de oude Bach-verheerlijking: de brave Bach. Hij doet dat door op de tegenovergestelde positie te gaan staan. Bach-als-rebel.
BeantwoordenVerwijderenEcht historisch zou zijn: Er zijn te weinig feiten, zodat alles interpretatie wordt.(Maarten t Hart over de 'Zippel Fagottist' is nog steeds de beste case-study).
Houd je je daar niet aan, dan verraadt elke auteur zichzelf in z'n portret van Bach: het zijn projecties...
Jammer van zo'n leesbaar boek dat zeker in z'n eerste 200 bladzijden wel overtuigt...
Volledig eens met hr Wursten, zelf een groot Bachkenner.
Verwijderen