Op 1 mei 1944 schrijft de 79-jarige componist Richard
Strauss vanuit zijn villa in Garmisch-Partenkirchen een brief aan Willi Schuh, zijn
zelfverkozen biograaf. Of Schuh notitie wil nemen van Strauss' kijk op de
muziekgeschiedenis. Vanaf Mozart, via Beethoven en Schubert tot Wagner en
Strauss vormt het Duitse componeren 'de afsluiting en top van de cultuurontwikkeling
der mensheid.' Een volk wordt vernietigd, steden raken verpulverd, maar Richard
Strauss (1864-1949) bekommert zich om zijn plaats in de historie.
De smet kleeft eeuwig aan de man die bij leven gold als Duitslands
succesvolste componist. Ook nu, in zijn 150ste geboortejaar, passeert geen
documentaire of biografie of zijn houding tijdens het Derde Rijk wordt gewikt
en gewogen. Was de componist van briljante symfonische gedichten als Ein
Heldenleben een naïeveling of een opportunist? Moeten we de schepper van epochemakende
opera's als Salome en Der Rosenkavalier beschouwen als
bruinhemd of meeloper? In welke wereld leefde de man met als oorlogstrauma de
vernietiging van de operahuizen waar hij als dirigent en componist had
getriomfeerd?
Als Richard Strauss zijn hoofd eerder had neergelegd, was
zijn nagedachtenis veel ellende bespaard. Geen vuiltje aan de lucht toen Duitsland
op 1 juni 1924 de 60-jarige Dr. Strauss overlaadde met ereburgerschappen en
straatnamen. Oostenrijk, zijn tweede Heimat, verhief hem zelfs tot Generalmusikdirektor van het land.
Tien jaar later liggen de kaarten anders. Richard Strauss
viert z'n 70ste als voorzitter van de Reichsmusikkammer, het zojuist opgetuigde
muzikale controlebureau van de nazi's. En al loost propagandaminister Goebbels
hem een jaar later alweer, de vlek zit op het blazoen.
Sindsdien slaan Straussvrienden een sussende toon aan. Daartegenover
staan de haviken te schudden met hun hoofd. In zijn nieuwe Straussboek doet de
Oostenrijkse journalist en musicoloog Daniel Ender geen van beide. Onhandige
acties en foute keuzes documenteert hij net zo neutraal als de immense artistieke
successen. Hoewel Enders studie door een woeker aan citaten leest als een uit
de hand gelopen scriptie, levert hij een sleutel tot begrip van een complex karakter.
Beeld dat oprijst uit : hoe
een gevoelsarme componist zijn carrière geniaal regisseert.
Van jongs af aan paart Strauss een stalen ambitie aan een soepel
talent voor calculeren, netwerken en pluimstrijken. Als het zijn muziek
vooruithelpt, deinst hij voor weinig terug. 'Uw liederen', schrijft de 35-jarige
in 1900 aan Gustav Mahler, 'heb ik natuurlijk alleen maar gedirigeerd opdat u
mijn balletmuziek des te zekerder accepteert. Ben nu eenmaal zo! Sta erom
bekend!'
Zijn privéleven heeft hij dan allang in de strijd gegooid.
In 1894 koppelt Strauss de première van zijn opera Guntram aan zijn
verloving met de titelsopraan, Pauline de Ahna. Tien jaar later componeert hij 's
werelds eerste orkestrale selfie: Symphonia domestica, over het gelukkige
gezinsleven met vrouw en kind ('Mama bringt Bubi zu Bett').
De carrièremaker schept voor zichzelf de fraaiste rollen. Strauss
speelt het achteloze wonderkind dat in orkeststukken goudstof laat dwarrelen.
Hij speelt de avant-gardist die de tonaliteit teistert om de hysterie van operavrouwen als Salome en Elektra uit te drukken.
Vanaf Der Rosenkavalier (1911) is hij echter de
waaghals die op z'n schreden terugkeert. Tijdgenoten gaan hem beschrijven als
classicus, later als reactionair. De moderniteit laat Strauss vanaf de jaren
1910 liever over aan 'narren' als Schönberg en Stravinsky.
'Geef me een spijskaart en ik zet hem op muziek', zou hij
hebben gepocht. Het gemak waarmee Strauss componeert, verbijstert recensenten
en publiek. Toch klinkt al vroeg een voorbehoud. Bij alle handigheid en
uitdrukkingskracht, concludeert de criticus Paul Bekker in 1907, ontbreekt aan Strauss'
muziek 'iets wezenlijks: gevoel'.
De ene filosoof (Bloch) noemt hem een 'meester van de
oppervlakte'. De andere (Adorno) degradeert hem tot 'componeermachine'. De
musicoloog Kurt Westphal munt in 1927 de metafoor van de 'akoestische camera'.
Strauss' noten, vindt hij, tasten hooguit de buitenkant af van de verhalen en
libretto's die ze illustreren.
Het ensceneren bereikt een hoogtepunt in de nazitijd.
Strauss' schoondochter is Joods, net als haar twee zonen. De componist trekt een
verdedigingslinie op uit ironie, sarcasme, halve waarheden en dubbele
boodschappen. Trots noteert hij in zijn dagboek dat hij aan de Führer zijn
muziek voor de Olympische Spelen van 1936 heeft voorgespeeld. Elders doet hij
het stuk af als een 'olympiahymne voor de proleten'.
Enerzijds ziet hij er geen been in om de Joodse dirigent
Bruno Walter bij een concert te vervangen (hij noemt hem zelfs een 'smerige Lauselumpe'). Anderzijds weigert hij aan te treden bij een Hamburgs muziekfeest,
nadat Goebbels een veto heeft uitgesproken over de Frans-Joodse componist Paul
Dukas.
Berucht is een brief aan Stefan Zweig. In 1933 heeft de
Joodse schrijver het libretto geleverd van de opera Die schweigsame
Frau. Zeer tot genoegen van Strauss, die per se met Zweig wil blijven
samenwerken. 'Nu we een antisemitische regering hebben', schrijft hij, 'geef ik
u niet zomaar op.'
Maar Zweig is uitgeweken naar Londen en Strauss krijgt nul
op het rekest. 'Die Joodse koppigheid!', foetert de componist. Meende Zweig nu werkelijk
dat Strauss zich liet leiden door het feit dat hij een Germaan was? Geloofde hij
dat Mozart ooit 'arisch' had gecomponeerd? En het volk?, sneert Strauss. 'Voor mij bestaat het volk alleen
op het moment dat het publiek wordt. Of het nu Chinezen, Opperbeiers,
Nieuwzeelanders of Berlijners zijn is me om het even, zolang ze aan de kassa
maar de volle mep hebben betaald.'
De brief wordt door de Gestapo onderschept. 'Brutaal en
oerstom', noteert Joseph Goebbels, die Strauss wipt als voorzitter van de Reichsmusikkammer. In de propaganda blijft Strauss' muziek onverminderd van Weltgeltung.
Wanneer de componist in 1939 in Wenen zijn 75ste verjaardag viert, komt Hitler hem
persoonlijk feliciteren. Als Strauss in 1944 lagere partijkaders irriteert met de
weigering evacués op te nemen in zijn Beierse villa, wil de Führer niet 'dat
Richard Strauss onrecht wordt aangedaan.'
Op de details van zijn biografie na, valt er voor Strauss na
de oorlog weinig meer te ensceneren. In 1946 gaat Metamorphosen in
première, een treurzang voor 23 strijkers. De Nederlandse componist Matthijs
Vermeulen hoorde er een in memoriam in voor Hitler. Anderen houden het op een elegie
voor een weggebombardeerde wereld. Zelfs Strauss-sceptici bespeuren eindelijk een
beetje gevoel.
★★★★☆
Daniel Ender
Richard Strauss.
Meister der Inszenierung Bühlau Verlag; 349 pagina's; € 24,99
de Volkskrant, 13 september 2014


Geen opmerkingen:
Een reactie posten