15 september 2014

Hoe Richard Strauss zijn carrière ensceneerde



Op 1 mei 1944 schrijft de 79-jarige componist Richard Strauss vanuit zijn villa in Garmisch-Partenkirchen een brief aan Willi Schuh, zijn zelfverkozen biograaf. Of Schuh notitie wil nemen van Strauss' kijk op de muziekgeschiedenis. Vanaf Mozart, via Beethoven en Schubert tot Wagner en Strauss vormt het Duitse componeren 'de afsluiting en top van de cultuurontwikkeling der mensheid.' Een volk wordt vernietigd, steden raken verpulverd, maar Richard Strauss (1864-1949) bekommert zich om zijn plaats in de historie. 

De smet kleeft eeuwig aan de man die bij leven gold als Duitslands succesvolste componist. Ook nu, in zijn 150ste geboortejaar, passeert geen documentaire of biografie of zijn houding tijdens het Derde Rijk wordt gewikt en gewogen. Was de componist van briljante symfonische gedichten als Ein Heldenleben een naïeveling of een opportunist? Moeten we de schepper van epochemakende opera's als Salome en Der Rosenkavalier beschouwen als bruinhemd of meeloper? In welke wereld leefde de man met als oorlogstrauma de vernietiging van de operahuizen waar hij als dirigent en componist had getriomfeerd?

Als Richard Strauss zijn hoofd eerder had neergelegd, was zijn nagedachtenis veel ellende bespaard. Geen vuiltje aan de lucht toen Duitsland op 1 juni 1924 de 60-jarige Dr. Strauss overlaadde met ereburgerschappen en straatnamen. Oostenrijk, zijn tweede Heimat, verhief hem zelfs tot Generalmusikdirektor van het land.

Tien jaar later liggen de kaarten anders. Richard Strauss viert z'n 70ste als voorzitter van de Reichsmusikkammer, het zojuist opgetuigde muzikale controlebureau van de nazi's. En al loost propagandaminister Goebbels hem een jaar later alweer, de vlek zit op het blazoen.

Sindsdien slaan Straussvrienden een sussende toon aan. Daartegenover staan de haviken te schudden met hun hoofd. In zijn nieuwe Straussboek doet de Oostenrijkse journalist en musicoloog Daniel Ender geen van beide. Onhandige acties en foute keuzes documenteert hij net zo neutraal als de immense artistieke successen. Hoewel Enders studie door een woeker aan citaten leest als een uit de hand gelopen scriptie, levert hij een sleutel tot begrip van een complex karakter. Beeld dat oprijst uit : hoe een gevoelsarme componist zijn carrière geniaal regisseert.

Van jongs af aan paart Strauss een stalen ambitie aan een soepel talent voor calculeren, netwerken en pluimstrijken. Als het zijn muziek vooruithelpt, deinst hij voor weinig terug. 'Uw liederen', schrijft de 35-jarige in 1900 aan Gustav Mahler, 'heb ik natuurlijk alleen maar gedirigeerd opdat u mijn balletmuziek des te zekerder accepteert. Ben nu eenmaal zo! Sta erom bekend!'

Zijn privéleven heeft hij dan allang in de strijd gegooid. In 1894 koppelt Strauss de première van zijn opera Guntram aan zijn verloving met de titelsopraan, Pauline de Ahna. Tien jaar later componeert hij 's werelds eerste orkestrale selfie: Symphonia domestica, over het gelukkige gezinsleven met vrouw en kind ('Mama bringt Bubi zu Bett').

De carrièremaker schept voor zichzelf de fraaiste rollen. Strauss speelt het achteloze wonderkind dat in orkeststukken goudstof laat dwarrelen. Hij speelt de avant-gardist die de tonaliteit teistert om de hysterie van operavrouwen als Salome en Elektra uit te drukken. 

Vanaf Der Rosenkavalier (1911) is hij echter de waaghals die op z'n schreden terugkeert. Tijdgenoten gaan hem beschrijven als classicus, later als reactionair. De moderniteit laat Strauss vanaf de jaren 1910 liever over aan 'narren' als Schönberg en Stravinsky.

'Geef me een spijskaart en ik zet hem op muziek', zou hij hebben gepocht. Het gemak waarmee Strauss componeert, verbijstert recensenten en publiek. Toch klinkt al vroeg een voorbehoud. Bij alle handigheid en uitdrukkingskracht, concludeert de criticus Paul Bekker in 1907, ontbreekt aan Strauss' muziek 'iets wezenlijks: gevoel'.

De ene filosoof (Bloch) noemt hem een 'meester van de oppervlakte'. De andere (Adorno) degradeert hem tot 'componeermachine'. De musicoloog Kurt Westphal munt in 1927 de metafoor van de 'akoestische camera'. Strauss' noten, vindt hij, tasten hooguit de buitenkant af van de verhalen en libretto's die ze illustreren.

Het ensceneren bereikt een hoogtepunt in de nazitijd. Strauss' schoondochter is Joods, net als haar twee zonen. De componist trekt een verdedigingslinie op uit ironie, sarcasme, halve waarheden en dubbele boodschappen. Trots noteert hij in zijn dagboek dat hij aan de Führer zijn muziek voor de Olympische Spelen van 1936 heeft voorgespeeld. Elders doet hij het stuk af als een 'olympiahymne voor de proleten'.

Enerzijds ziet hij er geen been in om de Joodse dirigent Bruno Walter bij een concert te vervangen (hij noemt hem zelfs een 'smerige Lauselumpe'). Anderzijds weigert hij aan te treden bij een Hamburgs muziekfeest, nadat Goebbels een veto heeft uitgesproken over de Frans-Joodse componist Paul Dukas.

Berucht is een brief aan Stefan Zweig. In 1933 heeft de Joodse schrijver het libretto geleverd van de opera Die schweigsame Frau. Zeer tot genoegen van Strauss, die per se met Zweig wil blijven samenwerken. 'Nu we een antisemitische regering hebben', schrijft hij, 'geef ik u niet zomaar op.'

Maar Zweig is uitgeweken naar Londen en Strauss krijgt nul op het rekest. 'Die Joodse koppigheid!', foetert de componist. Meende Zweig nu werkelijk dat Strauss zich liet leiden door het feit dat hij een Germaan was? Geloofde hij dat Mozart ooit 'arisch' had gecomponeerd? En het volk?, sneert Strauss. 'Voor mij bestaat het volk alleen op het moment dat het publiek wordt. Of het nu Chinezen, Opperbeiers, Nieuwzeelanders of Berlijners zijn is me om het even, zolang ze aan de kassa maar de volle mep hebben betaald.'

De brief wordt door de Gestapo onderschept. 'Brutaal en oerstom', noteert Joseph Goebbels, die Strauss wipt als voorzitter van de Reichsmusikkammer. In de propaganda blijft Strauss' muziek onverminderd van Weltgeltung. Wanneer de componist in 1939 in Wenen zijn 75ste verjaardag viert, komt Hitler hem persoonlijk feliciteren. Als Strauss in 1944 lagere partijkaders irriteert met de weigering evacués op te nemen in zijn Beierse villa, wil de Führer niet 'dat Richard Strauss onrecht wordt aangedaan.'

Op de details van zijn biografie na, valt er voor Strauss na de oorlog weinig meer te ensceneren. In 1946 gaat Metamorphosen in première, een treurzang voor 23 strijkers. De Nederlandse componist Matthijs Vermeulen hoorde er een in memoriam in voor Hitler. Anderen houden het op een elegie voor een weggebombardeerde wereld. Zelfs Strauss-sceptici bespeuren eindelijk een beetje gevoel.



★★★★☆


Daniel Ender
Richard Strauss. Meister der Inszenierung 
Bühlau Verlag; 349 pagina's; € 24,99


de Volkskrant, 13 september 2014

Geen opmerkingen:

Een reactie posten