Het
is weer Matthäustijd. Een jubeljaar nog wel, dat helaas in stilte
verglijdt. Hoe kwam Nederland aan zijn unieke traditie? We vragen het de
Matthäuspassie zelf.
De Passiebarometer 2020 stond op stralend Bachweer. Van Texel tot Maastricht beloofde hij 254 uitvoeringen van de Matthäus- en Johannes-Passion. Het was een record, wisten de nijvere tellers van het tijdschrift ZINGmagazine. En dat uitgerekend in het jaar waarin we zouden vieren dat de eerste Bachpassie in Nederland anderhalve eeuw geleden klonk.
En
toen kwam het virus dat het Bachvirus smoorde. Juist nu lijden en
sterven Bijbelse trekken krijgen, kan het verhaal rond lijden en sterven
van Jezus nergens klinken. Geen smeekbede om compassie in de aria Erbarme dich. Geen slotkoor dat Zijn heilige gebeente rust toezingt. Nederland moet terug tot 1945 om zich zo’n stil paasseizoen te heugen.
Het is bekend: geen volk adoreert de Passionen zoals
wij. Van gestaalde orkesten tot liefhebberskoren, jaar na jaar treden
ze aan. Maar hoe is dat gekomen? En hoe houden we de liefde fris? Voor
één keer vragen we het aan de Matthäus-Passion zelf. Per slot van rekening zit ook zij, de diva, thuis op haar handen. Bijna 300 is ze, maar het flux de bouche is dat van een bakvis. Met haar ijzeren geheugen loodst ze ons door 150 jaar historie.
Wat herinnert u zich van uw debuut in Nederland?
‘Rotterdam,
vrijdag 22 april 1870. Woldemar Bargiel had de hand in die primeur, de
Duitse dirigent van het Rotterdamse Toonkunstkoor. Ik schat dat hij op
het podium van de oude Doelenzaal aan de Coolvest zo’n tweehonderd
instrumentalisten en zangers had verzameld. Hij introduceerde me
plechtstatig, Bargiel ging de deuren van het verheven heiligdom
ontsluiten.’
Mooi gezegd, maar in Duitsland gebeurde dat veel eerder.
‘Klopt,
de componist Felix Mendelssohn had mij al in 1829 herontdekt. Nederland
hield zich nog 41 jaar doof. Men vond Bach een mathematicus, hij
componeerde onmelodisch, onbegrijpelijk, droog. Wie hem tegen de stroom
in toch waardeerde, werd weggehoond. Ik las in het kunstblad De Spectator over de ‘would-be
aristocratie der muzikale waereld’ die zich liet verblinden door Bachs
schone vormen, maar zijn gedachtenloosheid over het hoofd zag.’
Bach, gedachtenloos?
‘Daar
keken de calvinisten van uw land gelukkig anders tegenaan. Kan zijn dat
sommige scherpslijpers Bach beschouwden als een verdoolde lutheraan.
Maar hij nam het bijbelwoord tenminste serieus. Sterker, hele passages
uit het evangelie volgens Matteüs legde hij letterlijk in de mond van
mijn Evangelist. En mijn koralen plooide hij rond bekende religieuze
melodieën.’
Hoe ging die Nederlandse première?
‘Wilt u een eerlijk antwoord? Mein Gott, wat hadden ze me toegetakeld. Bach schreef instrumenten voor als klavecimbel, viola da gamba en oboe da caccia,
u weet wel, zo’n kromme jachthobo. Dat barokinstrumentarium was in 1870
uitgestorven. Dat dirigent Bargiel uit nood een piano aanrukte, snap ik
best. Maar hij haalde tegelijk een streep door bijna alle aria’s.’
Pijnlijk, waarom?
‘Ik
heb dat pas later begrepen. Voor 19de-eeuwse calvinisten liet Bach de
emoties rondom het lijdensverhaal wat al te liederlijk bezingen.
Opera-achtig, Italiaans, katholiek. Ook het premièrepubliek moest
wennen. Ene Jacques van Santen Kolff schreef dat hij was
geïmpressioneerd door mijn stoere karakter, maar mij soms zwaar te
verstaan en genieten vond.’
Na Rotterdam kwam Amsterdam.
‘Zij
het pas vier jaar later. Johannes Verhulst heette de dirigent in de
Parkschouwburg. Ik zie nog zijn gezicht toen een deel van het publiek
onder het slotkoor vertrok. Ze wilden geloof ik de laatste trein halen.
Verhulst draaide zich om met betraande ogen. Kent u zijn deftige stem?
‘Menschen, wat doen jullie nou? Nou loopen jullie weg bij het mooiste keur dat ooit is geschreven!’
Vanaf 1899 werd het menens.
‘Met
Willem Mengelberg, bedoelt u? Fijn hoor, als een jongeman van dat
kaliber in je gelooft. Bij het Concertgebouworkest zette hij me voortaan
elk jaar op het programma. Alleen 1934 viel ertussenuit. En 1945
natuurlijk, na de Hongerwinter, dat waren spannende dagen.’
Wat vond u van Mengelbergs aanpak?
‘Die
was, laten we zeggen, eigenzinnig. In 1911 gingen we bijvoorbeeld samen
naar Frankfurt. Met 1650 musici presenteerde Mengelberg mij aan 20
duizend paar oren. Je reinste Bachorgie, wat u zegt, maar zo was Willem
nu eenmaal. Hij wist best dat Bach zo’n meute nooit op de been had
gebracht. Maar het gevoelsgehalte van koren als Sind Blitze, sind Donner smeekte volgens hem om ‘massale wedergave’.’
Ter imitatie van een klavecimbel verzon hij een ‘spijkerpiano’, met punaises in het vilt van de hamertjes.
‘Afschuwelijk!’
Was u blij met de tegenbeweging uit Naarden?
‘Uiteraard.
Vanaf 1922 deed de Nederlandse Bachvereniging tenminste zijn best uit
te zoeken hoe Bach zelf mij had geschapen. Hun latere chef, Evert
Cornelis, was in uw land de eerste die mij waardeerde zoals ik was. Mét
historische instrumenten, mét alle aria’s. Ik ben hem eeuwig dankbaar.’
Wanneer merkte u: ik breek door?
‘Kort
na de Tweede Wereldoorlog. Tegen die tijd zetten zelfs amateurkoren
graag hun tanden in mij. Een Franse toeristengids stelde in 1959
verbaasd vast dat Nederland niet alleen een land was van tulpen, kaas en
fietsen. Men signaleerde ook een levendige passietraditie, met 92
uitvoeringen in 48 plaatsen.’
U houdt stand tot op de dag van vandaag. Is dat niet verbazingwekkend?
‘Kwestie
van bij de tijd blijven, lijkt me. Je kunt het zo gek niet bedenken of
ik probeer het. Ik heb me laten ensceneren en hertalen, er is met me
meegezongen en gescratcht, gerapt en gedanst.’
Wanneer zien we u terug op het podium?
‘2020
zal wel niet meer lukken. Tenzij Nederland zich aansluit bij de rest
van de wereld. In veel landen ben ik gewoon heel het jaar welkom, niet
alleen in passietijd. Wat dat betreft zijn jullie roomser dan de paus.’
Hebt u nog een advies in deze bange dagen?
‘Luister naar mij, zoek troost. U hebt het nodig.’
de Volkskrant, 25 maart 2020
Geen opmerkingen:
Een reactie posten